Zelfbeschadiging.info
Een website voor cliënten, hulpverleners en belangstellenden
Home Zelfbeschadiging Medisch/EHBO/SEH Patiëntenrecht Externe bronnen Zelfbeschadiging.info

Trichotillomanie

Inleiding
Hoewel de laatste jaren duidelijk is geworden dat trichotillomanie (TTM) meer voorkomt dan in de jaren negentig werd gedacht, is er een groot gebrek aan onderzoek naar deze stoornis. Zo is de oorzaak van de ziekte nog grotendeels onbekend, al wijzen resultaten uit beeldvormende onderzoeken op overeenkomsten met obsessieve-compulsieve spectrumstoornissen (OCS). Ook op het gebied van behandeling is goed onderzoek nodig: de middelen waarvan in open onderzoeken de effectiviteit is bewezen, moeten dubbelblind onderzocht worden. De preventie van terugval na gedragstherapeutische
interventies is een ander aspect dat dringend onderzocht moet worden.

Trichotillomanie in relatie tot zelfbeschadiging
TTM wordt op het oog niet direct geassocieerd met zelfbeschadiging, hoewel het eigenlijk wel een vorm van zelfbeschadiging is en beiden gebaseerd zijn op een stoornis in de impulsbeheersing. Immers de cliënt veroorzaakt wel een vorm van 'letsel'. Het uittrekken van de haren wordt het lichaam direct aangedaan.

Historisch perpectief
Al in 1779 beschreef Baudemant het geval van een 16-jarige jongen die zijn eigen haar en dat van anderen uittrok en vervolgens opat. Deze jongeman stierf aan de complicaties van een ‘trichobezoar’, een ophoping van haar en onverteerd voedsel in het maagdarm-kanaal.

De Franse dermatoloog Hallopeau gebruikte de term trichotillomanie in 1889 voor het eerst. Trichotillomanie is een samenvoeging van de Griekse woorden voor ‘haar’ (thrix), ‘trekken’ (tillein) en ‘waanzin’ (mania). Ondanks het feit dat de term al bijna 100 jaar in gebruik was, werd trichotillomanie pas in 1987 door de American Psychiatric Association (APA) opgenomen in de DSM-III-R. Toen werd de stoornis, net als in de huidige editie (DSM-IV-TR) geschaard onder de ‘stoornissen in impulsbeheersing’. In het kader worden de criteria voor trichotillomanie beschreven. Recent is ervoor gepleit om in de DSM-V een nieuwe categorie te creëren, ‘de obsessieve-compulsieve spectrumstoornissen’, en hieronder zowel OCS als TTM en andere stoornissen te scharen.

Symptomen/kenmerken
Het DSM-IV-TR zegt het volgende over trichotillomanie:

A. Terugkerend uittrekken van de eigen haren, hetgeen leidt tot waarneembaar haarverlies.
B. Een toenemend gevoel van spanning vlak voor het uittrekken van het haar of bij pogingen dit gedrag te weerstaan.
C. Lust, voldoening of opluchting bij het uittrekken van het haar.
D. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis en is niet het gevolg van een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld dermatologische ziekte).
E. De stoornis veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere terreinen.

Overeenkomsten en verschillen met (OCS)
Sinds de jaren negentig wordt TTM (samen met nog een aantal andere stoornissen, waaronder enkele stoornissen in de impulsbeheersing) binnen de groep van obsessieve-compulsieve spectrumstoornissen geplaatst. De aanzet hiertoe werd door de cliënten zelf gegeven. Nadat in 1987 in de Verenigde Staten een documentaire werd uitgezonden over OCS, zochten diverse vrouwen contact met behandelaren met het verzoek tot behandeling van hun ‘haartrekcompulsie’. Dit verzoek zette een reeks aan onderzoeken in gang die overeenkomsten en verschillen tussen TTM en OCS onderzochten. Er bestaan duidelijke overeenkomsten tussen OCS en TTM. Het betreft in beide gevallen een repeterende handeling die wordt voorafgegaan door onrust, angst of spanning waarbij er sprake is van relatief weinig subjectieve beheersing.

Daarnaast is het zo dat OCS vrij vaak voorkomt bij cliënten met TTM: percentages lopen uiteen van 13% tot 27% (de grote verschillen tussen de percentages worden waarschijnlijk veroorzaakt door het gebruik van verschillende meetinstrumenten). Wanneer wordt gekeken naar het voorkomen van TTM bij OCS-cliënten, vinden twee groepen percentages van rond de 10%. Een andere studie bevestigde deze bevinding niet. In dit onderzoek is gekeken naar het voorkomen van TTM in drie verschillende groepen: OCS-clënten (o% TTM), cliënten met het syndroom van Gilles de la Tourette (20% TTM) en cliënten met beide diagnosen (35% TTM). Hieruit lijkt te volgen dat de combinatie van OCS met het syndroom van Gilles de la Tourette zorgt voor een toegenomen risico op TTM. Bij deze onderzoeken is er vaak sprake van methodologische tekortkomingen waardoor gewaakt moet worden voor generalisatie van de bevindingen.

Naast deze verhoogde percentages van meerdere diagnoses naast elkaar tussen OCS en TTM vond men dat van zestien cliënten met TTM er drie een eerstegraads familielid hadden met OCS. Dit zou kunnen wijzen op een genetische overlap. Hierbij dient opgemerkt te worden dat er in de totale groep van familieleden slechts een trend bestond richting verhoogd voorkomen van OCS. Er bestaan ook demografische overeenkomsten met andere mogelijke obsessieve spectrumstoornissen zoals skin-picking. Ook zijn er aanwijzingen dat TTM vaker voorkomt bij cliënten met body dysmorphic disorder (BDD).

De positie van TTM binnen de familie van aan OCS verwante aandoeningen is echter niet onomstreden. Zo stellen Christenson e.a. dat het percentage overlap tussen TTM en OCS lager is dan men zou verwachten als TTM een obsessieve spectrumstoornis zou zijn. Daarnaast verschillen de leeftijd van ontstaan en de sekseverdeling. Zo lijkt TTM te ontstaan tussen 10 en 13 jaar terwijl dit voor OCS rond de 20 jaar ligt en is de sekseverdeling bij OCS gelijkmatig verdeeld terwijl bij TTM voornamelijk vrouwen lijken te zijn aangedaan.

Het meest opvallende verschil is dat mensen met TTM geen last hebben van obsessies en geen verklaring hebben voor hun gedrag. Een ander belangrijk verschil is dat het haren uittrekken vaak gevolgd wordt door een prettig gevoel (opluchting, voldoening); dit is bij een compulsie niet het geval. Verder is het zo dat mensen met OCS in hun leven vaak van klachten veranderen (bijvoorbeeld iemand die vroeger veel tijd besteedde aan het controleren van het gas, doet dit nu helemaal niet meer, maar wast nu heel vaak zijn handen), dit is bij TTM-cliënten niet het geval. Op neurobiologisch en therapeutisch vlak bestaan er naast enige overeenkomsten ook duidelijke verschillen.

Klinisch beeld
De klachten van TTM: een stoornis in de impulscontrole waarbij cliënten chronisch haren uittrekken, leidt tot waarneembaar haarverlies. In de DSM-IV-TR en de ICD-10 wordt TTM onder de stoornissen in de impulsbeheersing geplaatst, samen met de periodieke explosieve stoornis (gekenmerkt door gewelddadige woede-uitbarstingen), kleptomanie, pyromanie en pathologisch gokken. Alle stoornissen in deze groep worden gekenmerkt door het niet kunnen weerstaan van de drang om schadelijk gedrag uit te voeren.

Deze drang kan betrekking hebben op alle behaarde delen van het lichaam, maar het meest voorkomend is het uittrekken van hoofdhaar, wimpers en wenkbrauwen. Ongeveer 50% van de mensen met TTM houdt de uitgetrokken haar tegen de lip, eet de volledige haar op of bijt het haarzakje af. De haren worden meestal één voor één uitgetrokken, vrijwel nooit in plukken.

Het uittrekken van de haren wordt meestal voorafgegaan door een toenemend gevoel van spanning (soms ook een tinteling of kriebel) en gevolgd door een toegenomen gevoel van voldoening en ontspanning. Sommige auteurs beschrijven twee verschillende groepen van mensen met TTM: een groep die een toenemende spanning ervaart voor het uittrekken van de haren en de aandacht bij het uittrekken heeft, en een andere groep van mensen die haren uittrekken terwijl ze worden afgeleid door iets anders (bijvoorbeeld lezen, televisiekijken, autorijden).

De episodes van haren uittrekken kunnen lange ‘buien’ zijn, maar het kan ook tientallen keren op een dag plaatsvinden gedurende seconden of minuten. De meeste cliënten hebben dagelijks last, ze kunnen er meerdere uren per dag mee bezig zijn. Het uittrekken van haren gebeurt vaak volgens vaste rituelen en op specifieke momenten of plaatsen. De cliënt kan het gevoel hebben dat er iets mis is met de haren die hij uittrekt (bijvoorbeeld de haar is te stug, te krullend of te dik), het uittrekken gebeurt vaak symmetrisch en in gebieden op de hoofdhuid (hier door ontstaan dan kale plekken).

De meeste cliënten schamen zich voor het haarverlies en proberen het te verbergen met bijvoorbeeld make-up, pruiken, hoeden, brillen. Ook is er vaak veel sprake van vermijding, bijvoorbeeld van sociale contacten en sporten zoals zwemmen. In eerste instantie ontkennen veel cliënten dat ze hun haren uittrekken: ze zeggen bijvoorbeeld dat hun haar spontaan uitvalt. Veel cliënten komen eerder bij een dermatoloog terecht dan bij een psychiater.

De psychosociale impact van TTM is groot: uit een studie van Stemberger e.a. (2000) blijkt bijna de helft van de cliënten ernstige relatieproblemen heeft ten gevolge van de aandoening. De meeste cliënten verklaren zich onaantrekkelijk, beschaamd en somber te voelen. Ook kan TTM leiden tot een verminderd gevoel van zelfrespect.

Trichotillomanie kan als symptoom gezien worden bij een reeks van psychiatrische aandoeningen: borderline persoonlijkheidsstoornis, body dysmorphic disorder, mentale achteruitgang, schizofrenie en depressie. De meeste onderzoeken naar psychiatrische meerdere diagnoses naast TTM vinden als belangrijkste dubbele diagnose morbide aandoeningen stemmingsstoornissen, angststoornissen en eetstoornissen. Ook zelfbeschadigend gedrag wordt vaker beschreven bij cliënten met TTM. In een studie bij 6o mensen die chronisch haren uittrokken, bleek dat 82% een dubbele diagnose had op AS-I. 65% had een lifetimediagnose stemmingsstoornis, 57% een angststoornis, 20% een eetstoornis, 15% OCS en bij 22% was er sprake van middelenmisbruik.
Verschillende onderzoeken hebben onderzocht of er een overlap is van TTM en andere zelfbeschadigende handelingen. Simeon en collega’s onderzochten een groep van 71 vrouwelijke cliënten met TTM waarvan 54% ook last bleek te hebben van handelingen zoals nagelbijten en skin-picking. Du Toit e.a. (2001) onderschrijven deze resultaten; naast de genoemde handelingen signaleerden zij ook veel lipbijten.

Op het gebied van persoonlijkheidsproblemen is minder onderzoek gedaan. Swedo en Leonard (1992) onderzochten 43 kinderen, adolescenten en volwassenen met TTM. Bij 26% werd een theatrale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld, borderline persoonlijkheidsstoornis (18%) en passief-agressieve trekken (16%) werden ook vaak geconstateerd. Schlosser e.a. (1994) vonden juist een hoog percentage obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis (27%) in een groep van 22 cliënten met TTM.

Oorzaken
De oorzaken van TTM kan men vanuit verschillende invalshoeken benaderen, te weten:

  • Neurobiologisch
  • Psychodynamisch
  • Gedragsmatig

Biologische verklaringsmodellen
Veel onderzoek naar de neurobiologie van TTM vindt haar oorsprong in de veronderstelling dat er overeenkomsten bestaan tussen TTM en OCS. Bij beide aandoeningen lijkt er bijvoorbeeld een relatie te bestaan tussen een verergering van klachten en de menstruele cyclus. Ook in beeldvormend onderzoek is gezocht naar overeenkomsten. Zo onderzochten Swedo e.a. (1991) of de neuroanatomische afwijkingen bij OCS ook bij TTM aanwezig zijn. Dit was niet het geval: cliënten met TTM vertoonden een meer globaal hypermetabolisme, terwijl OCS geassocieerd was met meer selectief hypermetabolisme vergeleken met gezonde controles.

O’Sullivan en collega’s beschreven een duielijk verkleind linkerputamen bij TTM vergeleken met gezonde controles. Deze bevinding vertoont meer overeenkomsten met het syndroom van Gilles de la Tourette dan met OCS. In enkele beeldvormende onderzoeken zijn wel overeenkomsten gevonden tussen TTM en OCS. Zo vergeleken Stein e.a. (1997) hersenvolumes in TTM en OCS en vonden in beide groepen geen afwijkingen ten opzichte van gezonde controles. Grachev (1997) vond bij cliënten met TTM gelijkaardige structurele afwijkingen als bij OCS, zoals een verkleinde linker frontale gyrus. Twee SPECT-onderzoeken van de groep van Stem vonden afwijkingen in diverse OCS-gerelateerde gebieden (temporale en frontale cortex, linkerputamen) bij mensen met TTM.

Een andere biologische verklaring voor TTM is gezocht in het idee dat TTM verband hield met een verhoogde pijngrens, wat echter niet in onderzoek kon worden aangetoond. Ondanks het frequent beschreven verband met stress konden in cerebrospinaal vocht geen afwijkingen worden gevonden van cortisol en metabolieten van neurotransmitters zoals noradrenaline, dopamine en serotonine. Ook oriënterend immunologisch onderzoek heeft vooralsnog geen resultaten opgeleverd. Interessant om te vermelden is dat er recentelijk een aantal diermodellen voorgesteld zijn voor TTM: vogels die hun eigen veren uitpikken, het Hoxb8-mutantenmuizenmodel en het barbering-muizenmodel, die een nuttige aanvulling kunnen zijn op het onderzoek naar de biologische oorzaken van TTM.

Psychodynamische modellen
TTM werd vroeger geassocieerd met problemen in de psychoseksuele ontwikkeling of gebrekkige coping met agressieve impulsen. In de klassieke psychoanalytische literatuur is het haar symbool voor schoonheid en viriliteit, en wordt het uittrekken ervan als symbool voor castratie gezien. Volgens Buxbaum (1960) kan TTM gezien worden als het resultaat van een poging om door problemen met objectrelaties heen te komen, hier wordt haar als transitioneel object gezien. Krishnan e.a. (1985) illustreren deze theorie aan de hand van twee cases: een meisje dat begon met het uittrekken van haar haren toen haar broertje werd geboren en een jongetje dat ermee begon op het moment dat zijn moeder hem bij zijn oma achterliet omdat zij zware huwelijksproblemen had. In beide gevallen wordt het ontstaan van TTM in verband gebracht met objectverlies (in het eerste geval verlies van aandacht, in het tweede verlating door moeder). Naar dit soort theorieën is nooit empirisch onderzoek gedaan; casereports laten zien dat TTM niet goed reageert op psychoanalytische psychotherapie.

Gedragsmatige modellen
Gedragsmatige modellen voor TTM richten zich in het algemeen meer op de in stand houdende factoren dan op de oorzaak. Er zijn drie verschillende gedragsmatige theorieën (die elkaar ovrigens niet uitsluiten): spanningsreductie, responscovariatie en modeling.

Azrin en Nunn (1973) nemen aan dat trichotillomanie op dezelfde manier wordt aangeleerd als andere gewoonten (habits). Het uittrekken van haren wordt gezien als coping in reactie op stress, die in stand wordt gehouden door negatieve bekrachtiging (de spanning wordt er minder door). Uiteindelijk wordt het gedrag terugkerend, vaak zonder aandacht uitgevoerd, waardoor het gevoel van controle afneemt. Dat mensen met TTM melden dat ze vaker hun haren uittrekken in bepaalde situaties, wordt verklaard met klassieke conditionering: als iemand zijn haren altijd uittrekt voor de spiegel in de slaapkamer als er niemand in de buurt is, wordt dit gekoppeld aan de drang om haren uit te trekken waardoor deze drang vaker en sterker op zal komen in die situatie. Mansueto e.a. (1997) hebben een uitgebreide theorie opgesteld waarin ze onderscheid maken tussen verschillende factoren die het gedrag in stand houden en bekrachtigen.

In aanvulling op de hier beschreven spanningsreductietheorie, wordt responscovariatie voorgesteld als andere, samenhangende oorzakelijke factor. Zo blijkt bij kinderen duimzuigen en TTM samen te hangen, waarbij het behandelen van duimzuigen de TTM doet afnemen. De vraag hierbij is hoe toepasbaar deze theorie is op TTM die op latere leeftijd ontstaat. Christenson e.a. (1992) stellen, op basis van gevalsbeschrijvingen, dat TTM kan worden gefaciliteerd door observationeel leren modeling. Hierover zijn geen systematische gegevens verzameld.

Demografische kenmerken, voorkomen en beloop
De klachten kunnen al op vroege kinderleeftijd voorkomen: de gemiddelde leeftijd van ontstaan ligt tussen de 11 en 13 jaar. TTM komt bij kinderen meer voor dan bij volwassenen. Als TTM ontstaat voor het 8e jaar, is het waarschijnlijk vergelijkbaar met gedrag als duimen en heeft het veelal een gunstig beloop. Over het algemeen is het beloop grillig en meestal chronisch met periodes van volledige afname. Stress zorgt vaak voor een toename van de klachten. Het is onduidelijk hoe vaak TTM precies voorkomt. Tot de jaren negentig werd gedacht dat de stoornis zeer zeldzaam was. Hier komt men de laatste jaren op terug. Wanneer de criteria soepel worden toegepast, wordt melding gemaakt van dat het voorkomen tussen de 1,5% en 13% ligt.

In een grote studie van Christenson e.a. (1991c) onder studenten (n = 2534), gebaseerd op zelfrapportage, verklaarde 1,5% van de mannen en 3,4 % van de vrouwen chronisch haar uit te trekken; zij rapporteerden echter niet de drang voorafgaand aan het uittrekken of de opluchting achteraf. Slechts bij o,6% van zowel de mannen als vrouwen was er sprake van TTM volgens DSM-criteria. In deze studie is dus een gelijke verdeling van mannen en vrouwen gevonden. Deze verdeling wordt ook in klinische onderzoeken onder kinderen gevonden.

De meeste recente klinische onderzoeken onder volwassenen tonen echter een duidelijke vrouwelijke meerderheid aan. Hier is vaak sprake van meer dan 90% vrouwelijke cliënten in behandeling. Dit verschil zou te maken kunnen hebben met het feit dat vrouwelijke cliënten vaker verwezen worden of het feit dat mannen beter in staat zijn de symptomen te verbergen (door het te verhullen als beginnende kaalheid of door snor en baard af te scheren).

Diagnostiek
Om TTM goed in kaart te kunnen brengen wordt gebruik gemaakt van een aantal meetinstrumenten, te weten:

  • Massachusetts General Hospital Hairpulling Scale (MGHHS)
  • Trichotillomania Symptom Severity Scale
  • Trichotillomania Impairment Scale
  • National Institute of Mental Health’s Trichotillomania Questionnaire

Behandeling
In 1894 vermeldde het American Journal of Insanity dat de meest effectieve behandeling voor TTM het bedekken is met rubber of vernis van de aangedane plekken. Op dit moment hebben medicatie en gedragstherapie de voorkeur. Ook hypnose wordt soms beschreven als een effectieve behandeling.

Medicatie
Clomipramine is het enige antidepressivum dat in een gecontroleerde dubbelblinde studie effectief is gebleken tegen TTM, Fluoxetine is ook in twee dubbelblinde onderzoeken getest, echter zonder positief resultaat. In een dubbelblind onderzoek van Dougherty e.a. (2006) werden cliënten behandeld met sertraline (opgebouwd tot 200 mg) of een placebo gedurende 12 weken, waarna de nonresponders gedragstherapie kregen. In de eerste 12 weken van het onderzoek lieten de cliënten geen verbetering van de klachten zien, wat doet vermoeden dat sertraline niet effectief is. Hierbij moet echter vermeld worden dat dit wellicht aan de korte duur van de medicatietrial ligt. Ook is er een gecontroleerde studie uitgevoerd naar de opioïdeantagonist Naltrexone, een middel dat gebruikt wordt bij ontwenning van drugs- en alcoholverslaving. Uit deze studie kwamen positieve resultaten naar voren: bij 43% van de cliënten daalden de klachten met 50% of meer.

In methodologisch zwakkere open onderzoeken met zowel fluvoxamine en venlafaxine als paroxetine worden betere resultaten beschreven. Citalopram lijkt daarentegen ook in een open studie weinig effectief. Noemenswaardig is dat een aantal onderzoeken een verbetering van TTM beschrijft na behandeling van het hebben van een depressie naast TTM. Recentelijk zijn in gevalsbeschrijvingen ook haloperidol, olanzapine, risperidon en bupropion (al dan niet als toevoeging aan een serotonineheropnameremmer) als effectief beschreven. Het ontbreekt momenteel aan goede dubbelblinde onderzoeken om deze voorlopige resultaten te bevestigen. Wanneer gekeken wordt naar het verband tussen TTM en OCS, valt op dat, hoewel er overeenkomsten bestaan met OCS zoals de effectiviteit van clomipramine, andere medicijnen zoals fluoxetine niet effectief zijn bij TTM.

Psychotherapie
Een andere behandeloptie is gedragstherapie (GT) In twee onderzoeken zijn medicatie en ge gedragstherapie met elkaar vergeleken. In beide onderzoeken bleek gedragstherapie superieur. Vermeld dient te worden dat het in de studie van Ninan, waarin cognitieve gedragstherapie (CGT) vergeleken werd mei clomipramine en een placebo slechts een kleine groep (16 cliënten) betrof en dat in een de studie van Van Minnen e.a. gedragstherapie vergeleken werd met fluoxetine, waarvan de beperkte effectiviteit reeds in gecontroleerde onderzoeken was aangetoond Keuthen e.a. (1998a) hebben terugblikkend gekeken naar het effect van gedragstherapie, medicatie en de combinatie. Hieruit bleek dat de score op het meetinstrument MGHHS, hiermee wordt de ernst van TTM bepaald, het sterkst daalde in de groep die combinatietherapie kreeg. Doughterty e.a. (2006) hebben het effect van combinatietherapie gecontroleerd onderzocht; zoals eerder beschreven werden cliënten gerandomiseerd toegewezen aan een sertraline- of placeboconditie voor 12 weken, waarvan de non-responders gedragstherapie kregen. De resultaten laten zien dat de combinatiebehandeling (sertraline en GT) duidelijk effectiever is dan de behandeling met GT in combinatie met placebo. Hierbij dient vermeld te worden dat de GT-behandeling slechts bestond uit twee sessies (van een uur) gedurende twee maanden.

De vorm van gedragstherapie die het meest effectief lijkt voor TTM is habit reversal training (HRT; letterlijk: gewoonteomkeertraining). Deze vorm van therapie is in de vroege jaren zeventig ontwikkeld door Azrin en Nunn (1973) en maakt gebruik van een aantal verschillende technieken.

  1. Allereerst worden de klachten heel precies geregistreerd; hierbij moet de cliënt zelf bijhouden hoe vaak hij haren uittrekt en in welke situaties, meestal moeten de haren worden bewaard en meegenomen naar de therapiesessie (dit wordt self monitoring genoemd). Op deze manier kan goed gemeten worden of de therapie werkt en doordat de cliënt zich bewust wordt gemaakt van zijn gedrag kunnen de klachten al afnemen;
  2. Verder worden bepaalde copingstrategieën aangeleerd: wanneer een cliënt bijvoorbeeld vaak haren uittrekt tijdens het autorijden, moet hij heel bewust met twee handen aan het stuur gaan rijden.

Een andere manier om het haren uittrekken tegen te gaan is een competing response af te spreken: bijvoorbeeld de vuisten ballen of op de handen gaan zitten als de aandrang om haren uit te trekken groot wordt. Ook wordt een lijst opgesteld met redenen om te stoppen met het gedrag (dit wordt motivation enhancement genoemd) en moet de cliënt bepaalde self-statements veranderen (dingen die de cliënt tegen zichzelf zegt): bijvoorbeeld de gedachten ‘Ik heb al zoveel haren uitgetrokken, het maakt nu toch niet meer uit’ vervangen door gedachten als ‘Ik ben het waard om beter voor mezelf te zorgen en niet langer mijn haren uit te trekken.’ Ten slotte wordt in deze therapie vaak gewerkt met ontspanningsoefeningen, zodat cliënten leren op een andere manier met oplopende spanning om te gaan. Azrin e.a. (1980) hebben deze behandeling vergeleken met negative practice (dit houdt in dat cliënten de instructie kregen ieder uur gedurende 30 seconden voor de spiegel te staan en de handelingen van het haren uittrekken na te doen zonder daadwerkelijk schade aan te richten).

Hoewel de HRT-behandeling slechts bestond uit een enkele sessie van twee uur, tonen de resultaten duidelijk de effectiviteit van deze therapie. Na 22 maanden was er sprake van een zeer lichte toename van klachten. HRT kan in verschillende varianten worden uitgevoerd, zowel individueel als in groep. Ook de combinatie van gedragstherapie met cognitieve therapie lijkt effectief. Terugval bij gedragstherapie is, net als bij medicatie, echter aanzienlijk, wat de noodzaak voor verder onderzoek naar de achtergrond en behandeling van deze lang niet erkende aandoening groot maakt.

Top

 

"Een van de vele vormen van eenzaamheid is een herinnering hebben en er niet over kunnen praten."

Brigitte Bardot

"Dromen is erg belangrijk. Je kunt alleen iets realiseren als je je er een voorstelling kunt van maken."

George Lucas

"Geluk sluipt naar binnen langs een deur waarvan je niet wist dat je die opengelaten had."

John Barrymore