| Hieronder
volgt een overzicht van diagnoses waar zelfbeschadiging
bij voor kan komen en in het DSM vermeld staan: |
|
| |
|
| |
|
| Diagnosen
die samen gezien kunnen worden met zelfbeschadiging: |
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
| B-Cluster
persoonlijkheidsstoornissen |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| |
|
| Persoonlijkheidsstoornissen |
|
| Persoonlijkheidsstoornissen
worden soms ook wel 'ontwikkelingsstoornissen' genoemd.
Hiermee wordt uitgedrukt dat in iemands ontwikkeling van
jong kind tot volwassene reeds problemen aanwijsbaar zijn.
Soms houden deze verband met duidelijke trauma's als vroege
verlatingen of seksueel misbruik. Ook kunnen er moeilijke
gezinsomstandigheden zijn die hebben geleid tot onvoldoende
veiligheid, aandacht, begrenzing of begeleiding. Het gebeurt
ook wel dat zulke duidelijk aanwijsbare redenen ontbreken,
en dat mensen toch een sterke onvrede met zichzelf en/of
anderen hebben. Bij nader onderzoek blijkt dan bijvoorbeeld
dat iemand zich zo sterk aan zijn omgeving heeft aangepast,
dat hij vervreemd is geraakt van de eigen behoeften en
gevoelens. Met als negatieve gevolgen: een negatief gevoel
over zichzelf, depressiviteit, moeite met intieme relaties,
eenzaamheidsgevoelens en/of zich gemakkelijk buitengesloten
voelen. |
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| De
oorzaak van het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis
is niet aan te wijzen. Steeds is er sprake van een ingewikkeld
samenspel van factoren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
in: |
|
| |
|
Biologisch |
|
| Mensen
verschillen in aanleg, in temperament. De een wordt veeleer
angstig, de ander somber. De een is erg gesloten, de ander
juist extravert. Ons temperament krijgen we bij de geboorte
mee. Ook kun je denken aan aanleg voor psychiatrische
symptomen als depressie, ADHD, verslaving. |
|
| |
|
| Psychologisch |
|
| Welke
ervaringen doet iemand op, hoe werken deze door in iemands
beleving van zichzelf en zijn omgeving, hoe is er door
belangrijke anderen omgegaan met zijn 'eigenaardigheden'
of temperament, en hoe heeft de persoon in kwestie daar
weer op gereageerd? |
|
| |
|
| Sociaal |
|
| Bij
sociale factoren kan men denken aan sociaal-culturele
omstandigheden, de inbedding van het gezin in de omgeving,
de levensstandaard, gevolgen van emigratie en verschuivingen
op de sociale ladder. |
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis
per type persoonlijkheidsstoornis |
|
| |
|
| Antisociale
persoonlijkheidsstoornis (ASPS) |
|
| Biologisch |
|
| Weliswaar
is veel onderzoek gedaan naar de genetische basis van
antisociaal gedrag, maar tot duidelijke conclusies heeft
dat niet geleid. Mogelijk spelen de volgende factoren
een rol: |
|
| |
|
- ADHD
(aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit)
- afwijkingen
in het arousalniveau: minder gevoeligheid voor angst
en pijn
- onvoldoende
ontwikkelde remming van impulsen
|
|
Verder
is de kans op een ASPS groter als er een ouder is met
een ASPS. Dit is enerzijds een biologisch verhoogd risico
anderzijds een beïnvloeding door de omgeving. |
|
| |
|
Psychologisch |
|
| |
|
- verwaarlozing
(ook door onbegrensde verwennerij), onverschilligheid,
kilheid, agressie van de opvoeders in de zeer vroege
jeugd
- gebrek
aan begeleiding, sturing en correctie door de opvoeders
kan de kans verhogen dat een gedragsstoornis overgaat
in een ASPS
- traumatische
ervaringen, zoals verlatingen, misbruik of mishandeling
- sterk
in de schaduw staan van een broer of zus die bewonderd
wordt en niets fout kan doen
|
|
| Sociaal |
|
| ASPS
komt vaker voor in een bevolkingsgroep met een lage sociale
economische status en in een grootstedelijke omgeving.
Armoe, kleinbehuisd zijn en weinig sociale steun zijn
risicofactoren. |
|
| |
|
| |
|
| Borderline
persoonlijkheidsstoornis (BPS) |
|
| Het
gaat bijna altijd om een combinatie van factoren, waarbij
elke factor een bijdrage kan leveren aan het ontstaan
van BPS en de factoren elkaar versterken. |
|
| |
|
| Biologisch |
|
| |
|
- aanleg
voor impulsiviteit en stemmingswisselingen, dit heeft
mogelijk te maken met een stoornis in de serotonine
huishouding. Serotonine zorgt voor de prikkeloverdracht
tussen zenuwcellen
- een
tekort aan vermogen hebben tot 'mentaliseren'. Mentalisatie
kan als volgt worden omschreven: Een mentaal proces
waarin iemand impliciet en expliciet het gedrag van
de ander begrijpt als voortkomende uit gemoedstoestanden,
zoals: verlangens, behoeften, gevoelens, geloof en
reden. Het is een functie die in de voorste gedeelte
van de hersenen is gelokaliseerd en helpt mensen zichzelf
en anderen te begrijpen
|
|
| Psychologisch |
|
| Ingrijpende
ervaringen in de jeugd zoals: emotionele verwaarlozing,
een instabiele gezinssituatie, ervaringen van mishandeling
en/of seksueel misbruik. |
|
| |
|
| Sociaal/maatschappelijk |
|
| Het
wegvallen van bepaalde sociale structuren (werk, vrienden,
kerk, gezin enzovoort) |
|
| |
|
| |
|
| Theatrale
persoonlijkheidsstoornis |
|
| Biologisch |
|
| |
|
- gevoeligheid
van het zintuiglijk systeem (lage drempel voor binnenkomen
van prikkels)
- snelle
activatie van het autonome zenuwstelsel
|
|
| Psychologisch |
|
| |
|
- onregelmatige
bevestiging en bekrachtiging in de vroege jeugd, door
veel verschillende personen
- een
opvoedingsstijl met daarin: weinig kritiek of straf,
positieve reacties op gedrag dat door de omgeving
gewaardeerd werd en juist onregelmatigheid en onvoorspelbaarheid
in de reacties op het kind
- theatrale
ouder als voorbeeldfiguur
- veel
concurrentie met broertjes en zusjes om de aandacht
van de ouders
- aantrekkelijke
eigenschappen (uiterlijk of sociaal) die leiden tot
veel aandacht en waardering waarvan het kind vervolgens
afhankelijk wordt
|
|
| |
|
| Narcistische
persoonlijkheidsstoornis (NPS) |
|
| Over
de precieze oorzaken van het ontstaan van de narcistische
persoonlijkheidsstoornis is nog maar weinig bekend en
geschreven. Voor zover men weet is er geen erfelijke factor
bekend. Wel wordt gedacht dat ouders door de wijze van
opvoeden soms kunnen bijdragen aan het gevoel van grandioos
en bijzonder zijn van hun kind. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over B-Cluster persoonlijkheidsstoornissen: |
|
| |
|
| Antisociale
persoonlijkheidsstoornis |
|
| A.
Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending
van de rechten van anderen vanaf het vijftiende jaar aanwezig,
zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende: |
|
| |
|
- niet
in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke
norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt
uit het bij herhaling tot handelingen komen die een
reden voor arrestatie kunnen zijn
- oneerlijkheid,
zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik
van valse namen of anderen bezwendelen ten behoeve
van eigen voordeel of plezier
- impulsiviteit
of onvermogen 'vooruit te plannen'
- prikkelbaarheid
en agressiviteit zoals blijkt uit bij herhaling komen
tot vechtpartijen of geweldpleging
- roekeloze
onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf
of anderen
- constante
onverantwoordelijkheid zoals blijkt uit het herhaaldelijk
niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële
verplichtingen na te komen
- ontbreken
van spijtgevoelens, zoals blijkt uit de ongevoeligheid
voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst,
mishandeld of bestolen te hebben
|
|
| B.
De leeftijd is ten minste achttien jaar. |
|
| |
|
| C.
Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend
voor het vijftiende jaar. |
|
| |
|
| D.
Het antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor in het
beloop van schizofrenie of manische episodes. |
|
| |
|
| |
|
| Borderline
persoonlijkheidsstoornis |
|
| Een
diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke
relaties, zelfbeeld en stemmingen in de vroege volwassenheid
en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt
uit vijf (of meer) van de volgende: |
|
| |
|
- krampachtig
proberen te voorkomen om feitelijk of vermeend in
de steek gelaten te worden. N.B.:
Reken hier niet het suïcidale of zelfbeschadigende
gedrag toe, aangegeven in kenmerk 5.
- een
patroon van instabiele en intense intermenselijke
relaties gekenmerkt door wisselingen tussen overmatig
idealiseren en kleineren
- identiteitsstoornis:
duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel
- impulsiviteit
op ten minste twee gebieden die in potentie betrokkene
zelf kunnen schaden (bijvoorbeeld geld verkwisten,
seks, misbruik van middelen, roekeloos autorijden,
vreetbuien). N.B.: Reken hier niet
het suïcidale of zelfbeschadigende gedrag toe,
aangegeven in kenmerk 5.
- terugkerende
suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen,
of zelfbeschadiging
- stemmingswisselingen
als gevolg van duidelijke reactiviteit van de stemming
(bijvoorbeeld periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid
of angst meestal enkele uren durend en slechts zelden
langer dan een paar dagen)
- chronisch
gevoel van leegte
- inadequate,
intense woede of moeite kwaadheid te beheersen (bijvoorbeeld
frequente driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijk
vechtpartijen)
- voorbijgaande,
aan stress gebonden achterdocht of ernstige dissociatieve
verschijnselen
|
|
| |
|
| Theatrale
persoonlijkheidsstoornis |
|
| Een
diepgaand patroon van buitensporige emotionaliteit en
aandacht vragen, beginnend in de vroege volwassenheid
en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt
uit vier (of meer) van de volgende: |
|
| |
|
- voelt
zich niet op zijn/haar gemak in situaties waarin hij/zij
niet in het centrum van de belangstelling staat
- de
communicatie met anderen wordt vaak gekenmerkt door
ongepast seksueel verleidelijk of uitdagend gedrag
- toont
snel wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen
- maakt
voortdurend gebruik van het eigen uiterlijk om de
aandacht op zichzelf te vestigen
- heeft
een manier van spreken die uitermate indrukwekkend
is en waarbij details ontbreken
- toont
zelfdramatiserende, theatrale en overdreven uitingen
van emoties
- is
suggestibel, dat wil zeggen gemakkelijk beïnvloedbaar
door anderen of de omstandigheden
- beschouwt
relaties als meer intiem dan deze in werkelijkheid
zijn
|
|
| |
|
| Narcistische
persoonlijkheidsstoornis |
|
| Een
diepgaand patroon van grootheidsgevoelens (in fantasie
of gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie,
beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend
in diverse situaties zoals blijkt uit vijf (of meer) van
de volgende: |
|
| |
|
- heeft
een opgeblazen gevoel van eigen belangstelling (bijvoorbeeld
overdrijft eigen prestaties en talenten, verwacht
als superieur erkend te worden zonder de erbij horende
prestaties)
- is
bezig met fantasieën over onbeperkte successen,
macht, genialiteit, schoonheid of ideale liefde
- gelooft
dat hij of zij 'heel speciaal' en uniek is en alleen
begrepen kan worden door, of hoort om te gaan, met
andere heel speciale mensen of mensen (of instellingen)
met een hoge status
- verlangt
buitensporige bewondering
- heeft
een gevoel bijzondere rechten te hebben dat wil zeggen
onredelijke verwachtingen van een uitzonderlijk welwillende
behandeling of een automatisch meegaan met zijn of
haar verwachtingen
- exploiteert
anderen, dat wil zeggen maakt misbruik van anderen
om zijn of haar eigen doeleinden te bereiken
- heeft
gebrek aan empathie: is niet bereid de gevoelens van
anderen te erkennen of zich ermee te vereenzelvigen
- is
vaak afgunstig of meent dat anderen op hem of haar
afgunstig zijn
- is
arrogant of toont hooghartig gedrag of houdingen
|
|
| Diagnose |
|
| Het
vaststellen van een persoonlijkheidsstoornis gebeurd in
grote lijn in twee fasen: |
|
| |
|
- Algemeen
diagnostisch onderzoek;
- Persoonlijkheidsdiagnostisch
onderzoek.
|
|
| Algemeen
diagnostisch onderzoek |
|
| Hieronder
vallen: eerste screening, psychiatrisch onderzoek, eventueel
aanvullende intakegesprekken. Gesprekken of interviews
met de cliënt vormen een belangrijk bestanddeel van
het diagnostisch onderzoek. Vaak wordt ook een keer iemand
uit de directe omgeving (partner, familielid en dergelijke)
uitgenodigd voor een gesprek. De intaker of interviewer
krijgt zo zicht op de belangrijkste klachten, eerdere
hulpverlening, het psychische en sociale functioneren
en de levensgeschiedenis. Ook de wijze van contactname,
non-verbale aspecten (oogcontact, houding), omgaan met
gevoelens, vermogen om zichzelf te observeren, contactgroei,
vermogen tot samenwerken kunnen langs deze weg door de
intaker worden ingeschat. |
|
| |
|
| Persoonlijkheidsdiagnostisch
onderzoek |
|
| Wanneer
er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek,
is aanvullend persoonlijkheidsdiagnostisch onderzoek van
belang. Onderzoek naar persoonlijkheidsproblemen kan vanuit
verschillende referentiekaders plaatsvinden. Deze kaders
of 'diagnostische brillen' hebben vaak hun eigen voor-
en nadelen. Zij worden vaak naast elkaar gebruikt. De
belangrijkste zijn: |
|
| |
|
- De
descriptieve diagnostiek;
- Psychodynamische
diagnostiek;
- Onderzoek
naar persoonlijkheidsdimensies.
|
|
| De
descriptieve diagnostiek |
|
| Aan
de hand van de criteria uit de DSM-IV wordt vastgesteld: |
|
| |
|
- of
er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis
- zo
ja, welke persoonlijkheidsstoornis(sen) of welke kenmerken
aanwezig zijn
|
|
| Deze
vorm van diagnostiek wordt classificeren genoemd en is
vooral van belang voor een eerste screening en voor onderzoeksdoeleinden.
De criteria richten zich veelal op gedragskenmerken. Vaak
zijn er grote verschillen in bijvoorbeeld draagkracht
of verandermogelijkheden tussen mensen met dezelfde persoonlijkheidsstoornis
volgens DSM-IV. |
|
| |
|
| Psychodynamische
diagnostiek |
|
| De
psychodynamische diagnostiek is onder te verdelen in: |
|
| |
|
- Structurele
diagnostiek
- Ontwikkelingsprofiel
|
|
| Structurele
diagnostiek |
|
| Via
interview(s) wordt de persoonlijkheidsstructuur of -organisatie
onderzocht. Hierbij wordt speciale aandacht besteed aan
de identiteitsontwikkeling, de afgrenzing tussen ik en
de ander, de realiteitstoetsing en de wijze waarop angsten,
wensen en impulsen worden afgeweerd. Het interview brengt
in kaart hoe iemand onder stress reageert en kan dieperliggende
kwetsbaarheden of stoornissen aan het licht brengen. |
|
| |
|
| Ontwikkelingsprofiel |
|
| Via
semi-gestructureerde interviews wordt iemands functioneren
in de afgelopen 10 jaar onderzocht. Op basis van dit materiaal
en met een min of meer gestandaardiseerd scoringsinstrument
wordt dan een ontwikkelingsprofiel, samengesteld, dat
sterke en zwakke kanten van iemands persoonlijkheid samenvat.
Ook ontstaat een gelaagd beeld van de wijze waarop iemand
al of niet verschillende ontwikkelingsstadia heeft doorlopen. |
|
| |
|
| Onderzoek
naar persoonlijkheidsdimensies |
|
| Via
persoonlijkheidsvragenlijsten wordt nagegaan in welke
mate van te voren vastgestelde persoonlijkheidseigenschappen
bij iemand aanwezig zijn. Binnen de (klinische) psychologie
zijn meetinstrumenten ontwikkeld die iemands persoonlijkheid
in kaart brengen. Voorbeelden van enkele meetinstrumenten
zijn: |
|
| |
|
- Personality
Disorder Questionnaire -4 (PDQ-4)
-
International Personality Disorder Examination (IPDE)
-
Minnesota Multiphasic Personality Inventory (MMPI)
- Vragenlijst
voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (VKP)
|
|
| Deze
geven antwoorden op vragen als: Wordt iemand snel angstig
of gespannen, is iemand meer introvert of extravert, kan
iemand goed met frustraties omgaan, in welke mate ervaart
iemand zelf verantwoordelijkheid voor zijn problemen enzovoort.
|
|
| |
|
| Behandeling |
|
| De
hulpvraag kan sterk variëren aangezien de klachten
en symptomen van mensen met een persoonlijkheidsstoornis
heel verschillend kunnen evenzo verschillend kan de behandeling
zijn. |
|
| |
|
In
grote lijn zijn de behandelvormen in te delen in twee
categorieën: |
|
| |
|
- Klachtgerichte
behandeling;
- Op
persoonlijkheidsproblemen gerichte behandeling.
|
|
| Voor
Cluster B varieert de indicatie voor behandeling van geen
behandeling tot intensieve klinische behandeling. Draagkracht,
impulsbeheersing, mate van wantrouwen, zelfobserverend
vermogen, sociale aanpassing en dreiging voor anderen
zijn onder andere factoren die onderzocht dienen te worden. |
|
| |
|
| Klachtgerichte
behandeling |
|
| Deze
behandeling richt zich op het behandelen van klachten
en symptomen ook wel ASI-stoornissen (DSM-IV) genoemd.
Bijvoorbeeld angsten, depressie, slaapproblemen enzovoort.
|
|
| |
|
| Het
is goed gebruik om in eerste instantie te kiezen voor
een klachtgerichte behandeling ook wanneer er aanwijzingen
zijn voor persoonlijkheidsproblematiek. Wanneer blijkt
dat de persoonlijkheidsproblematiek dermate ernstig is
dat behandeling van de ASI-problematiek er door belemmerd
wordt, of dat reeds behandelde klachten steeds terugkeren
kan behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek overwogen
worden. Meestal gebeurt dit na uitgebreide diagnostiek
en indicatiestelling. |
|
| |
|
| Op
persoonlijkheidsproblemen gerichte behandeling |
|
| Deze
behandeling kan variëren van ondersteunend-structurerende
behandelvormen tot op persoonlijkheidsverandering gerichte
behandelvormen, ook wel intensieve of reconstructieve
psychotherapie genoemd. |
|
| |
|
| Voorbeelden
van persoonlijkheidsgerichte therapieën zijn: de
schemagerichte therapie volgens het model van Young, de
Dialectische Gedragstherapie (DGT) (Linehan; speciaal
voor borderline problematiek) en Mantalisation Based Treatment
(MBT) (Bateman en Fonagy; ook speciaal voor borderline
problematiek). Maar ook de psychodynamische psychotherapie
(individueel of groepsgewijs), de client-centered psychotherapie
en de ondersteunend-structurerende behandeling gericht
op het hier-en-nu. Dit alles eventueel in combinatie met
medicatie. |
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Kenniscentrum
Persoonlijkheidsstoornissen |
|
| Viersprong
Institute for Studies on Personality Disorders (VISPD)
(Engelstalig) |
|
| Startpagina
Borderline |
|
| Stichting
Borderline |
|
| Stichting
Informatie Persoonlijkheidsstoornissen (StIP) - Moeilijke
Mensen |
|
| |
|
| |
|
| Bron:
Stichting Informatie Persoonlijkheidsstoornissen (StIP)
- Moeilijke Mensen. |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Schizofrenie |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere soorten psychotische stoornissen kent,
is het doorgaans schizofrenie die soms samen wordt gezien
met zelfbeschadiging. |
|
| |
|
| Schizofrenie |
|
| Schizofrenie
herkennen is niet altijd gemakkelijk. Je kunt het vaak
niet aan de buitenkant zien en het kan een tijd duren
voordat de symptomen zichtbaar worden. Mensen die de ziekte
hebben, kunnen of willen niet onder woorden brengen waar
ze last van hebben. Bovendien uit de ziekte zich bij geen
twee mensen op dezelfde manier.Toch zijn er tal van signalen
die op schizofrenie kunnen duiden. |
|
| |
|
Schizofrenie
kan gepaard gaan met positieve symptomen als negatieve.
Chaotisch denken, hallucinaties en wanen worden positieve
symptomen van schizofrenie genoemd. Dit betekent dat deze
verschijnselen wel aanwezig zijn, maar er niet horen te
zijn. Mensen met schizofrenie kunnen ook lange tijd een
sombere of uitgebluste indruk maken, belangstelling voor
de gewone dagelijkse dingen verliezen en minder gevoelens
tonen. Dit worden negatieve symptomen genoemd. Hier gaat
het om verschijnselen die ontbreken. Zowel de positieve
als de negatieve symptomen kunnen belastend zijn voor
de persoon in kwestie maar ook voor familieleden en andere
betrokkenen. Vaak is de persoon zelf zich in eerste instantie
niet bewust van de ziekte, maar is het de familie die
signaleert dat er hulp nodig is.
|
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| Het
optreden van schizofrenie is voor een deel erfelijk bepaald;
in de ene familie komt schizofrenie meer voor dan in de
andere.
Vroeger werd wel gezegd dat schizofrenie aan de opvoeding
lag. Een verhoogde kwetsbaarheid voor stress speelt een
belangrijke rol bij het ontstaan van een psychose. Naast
spanningsvolle situaties zijn ook andere omgevingsinvloeden
van belang. Welke dat precies zijn is niet helemaal bekend,
maar men denkt aan problemen tijdens de zwangerschap of
rond de geboorte. Ook is bekend dat er sprake is van een
stoornis in bepaalde chemische stoffen in de hersenen,
die medeverantwoordelijk zijn voor de verwerking van informatie.
|
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over schizofrenie: |
|
| |
|
| A.
Kenmerkende symptomen: Twee (of meer) van de volgende,
elk gedurende één maand een belangrijk deel
van de tijd aanwezig (of korter bij succesvolle behandeling): |
|
| |
|
- wanen
-
hallucinaties
-
onsamenhangende spraak (bijvoorbeeld frequent de draad
kwijtraken of verward)
-
ernstig chaotisch of katatoon gedrag
-
negatieve symptomen, dat wil zeggen vervlakking van
de gemoedsbeweging, gedachten- of spraakarmoede of
apathie
|
|
| B.
Sociaal/Beroepsmatig dysfunctioneren: Vanaf het begin
van de stoornis ligt het functioneren, voor belangrijk
deel van de tijd, op een of meer terreinen zoals werk,
relaties of zelfverzorging duide lijk onder het niveau
dat voor het begin van de stoornis werd bereikt (of indien
het begin in de kinderleeftijd of adolescentie ligt is
het niet gelukt het niveau te bereiken, dat op relationeel,
school of beroepsmatig terrein verwacht kon worden). |
|
| |
|
C.
Duur: Symptomen van de stoornis zijn gedurende ten minste
zes maanden ononderbroken aanwezig. In deze periode van
zes maanden moeten er ten minste één maand
symptomen zijn die vol doen aan criterium A (dat wil zeggen
symptomen uit de actieve fase) en kunnen er perioden voorkomen
met symptomen met prodromale of restsymptomen. Gedurende
deze prodromale of restperiode kunnen de symptomen van
de stoornis zich beperken tot negatieve symptomen of tot
twee of meer symptomen van criterium A in een lichte vorm
(bijvoorbeeld vreemde overtuigingen, ongewone zintuiglijke
ervaringen).
|
|
| |
|
D.
Uitsluiting van schizoaffectieve of stemmingsstoornissen:
Een schizoaffectieve stoornis en een stemmingsstoornis
met psychotische kenmerken zijn uitgesloten omdat ofwel
(1) er geen depressieve episodes, manische of gemengde
episodes tegelijk met symptomen van de actieve fase zijn
voorgekomen; of (2) indien er episodes met een stemmingsstoornis
tijdens de actieve fase zijn voorgekomen met de totale
duur die kort was in verhouding tot de duur van de actieve
en de restperiode.
|
|
| |
|
| E.
Uitsluiting van het gebruik van middelen/of een lichamelijke
aandoening: De stoornis is niet het gevolg van de directe
fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug,
geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening.
|
|
| |
|
F.
Samenhang met een pervasieve ontwikkelings stoornis: Indien
er een voorgeschiedenis is met een autistische stoornis
of een andere pervasieve ontwikkelingsstoornis wordt de
aanvullende diagnose schizofrenie alleen gesteld indien
er gedurende tenminste één maand (of korter
indien met succes behandeld) opvallende wanen of hallucinaties
zijn.
|
|
| |
|
| Aanvullende
kenmerken |
|
- Op
voor anderen onbegrijpelijke manier angstig of in
de war is
- Er
niet in slaagt om in werk, studie of hobby te presteren
wat er normaal gesproken van hem of haar verwacht
kan worden
- Op
een vreemde manier praat, soms ook met nieuwe, zelfverzonnen
woorden
- Beweert
stemmen te horen of praat met denkbeeldige, voor anderen
niet werkelijk aanwezige personen
- Verhalen
ophangt over komplotten of geheime organisaties en
daarin soms het eigen gezin of de partner betrekt
-
Vreemd loopt of beweegt, op zo'n manier dat anderen
zich er ongemakkelijk bij voelen
-
Mensen in de omgeving afschrikt of irriteert door
de manier waarop hij of zij zichzelf verwaarloost
- Onvoorspelbare
woede-uitbarstingen heeft
- De
hele dag in bed ligt, maar 's nachts door het huis
spookt of in de stad ronddwaalt
- Zichzelf
kwaad dreigt te doen
-
Geen vriend(inn)en maakt of hooguit korte, oppervlakkige
contacten heeft
-
Zegt iemand anders te zijn
-
Zegt dat anderen gedachten uit zijn/haar hoofd trekken
of er juist gedachten inbrengen
|
|
| Diagnose |
|
| De
diagnose wordt gesteld aan de hand van de geldende criteria
(DSM-IV) en met meetinstrumenten, te weten: |
|
| |
|
- PANNS
schaal
- SCID-1
(sectie schizofrenie en andere psychotische stoornissen)
|
|
| Behandeling |
|
| Schizofrenie
is voor zover nu bekend niet te genezen maar wel goed
te behandelen. Hoe eerder de juiste diagnose is gesteld
en de behandeling begint, hoe sneller verbetering en verlichting
van de ziekte optreedt. De
behandeling van schizofrenie en psychose gaat grotendeels
gelijk op: Ze bestaat enerzijds uit het tegengaan van
de ziekteverschijnselen, anderzijds uit het ondersteunen
en leren omgaan met de handicap van een ernstige ziekte
die niet overgaat. Dit klinkt niet erg optimistisch en
dat is het ook niet. Als het lukt om de ziekteverschijnselen
te behandelen dan blijft er altijd nog een kwetsbaarheid
bestaan. En met die kwetsbaarheid moet de cliënt
leren omgaan. Het zal duidelijk zijn dat bij iedere cliënt
eerst goed in kaart gebracht moet worden welke verschijnselen
zich voordoen en op welke gebieden het functioneren verminderd
is. Zonder informatie van familieleden, vrienden en dergelijke
is dit bijna onmogelijk. Het tegengaan van de ziekteverschijnselen,
waarbij medicijnen een belangrijke rol spelen, vereist
van de cliënten, familieleden en artsen een grote
mate van samenwerking . Het zijn de familieleden die de
cliënt meemaken en het effect van medicijnen van
dag tot dag kunnen bijhouden. |
|
| |
|
| De
behandeling van schizofrenie kan uitgesplist worden in
basiszorg en aanvullende zorg. Onder basiszorg wordt verstaan:
vaste hulpverleners, medicatie, gezinsbegeleiding, voorlichting,
psycho-educatie en rehabilitatie. Onder aanvullende zorg
wordt verstaan: cognitieve gedragstherapie, psycho-educatiegroepen
en vaardigheidstraingen. |
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Kenniscentrum
Schizofrenie |
|
| Schizofrenieplein |
|
| Psychoseplein |
|
| Startpagina
Schizofrenie |
|
| Anoiksis |
|
| Ypsilon |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Seksuele
stoornissen, doorgaans de genderidentiteitsstoornis en
de genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere soorten seksuele stoornissen kent,
is het doorgaans de genderidentiteitsstoornis en de genderidentiteitsstoornis
Niet Anderszins Omschreven die soms samen wordt gezien
met zelfbeschadiging. |
|
| |
|
| Genderidentiteitsstoornis
en genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven |
|
| Een
geslachtsidentiteitsstoornis of genderdysforie is een
psychische aandoening waarbij iemand zich enerzijds ongemakkelijk
voelt bij de geldende normen voor zijn of haar sekse en
zich anderzijds aanhoudend identificeert met het andere
geslacht. De symptomen zijn vaak al op jongere leeftijd
waar te nemen. |
|
| |
|
| Jongens
ontwikkelen bijvoorbeeld het idee dat het beter is geen
penis en testes te hebben. Soms menen ze dat deze lichaamsdelen
wel zullen verdwijnen of krijgen er een hekel aan. Ze
hebben een afkeer van ruwe jongensspelletjes en spelen
liever met meisjes. |
|
| |
|
| Meisjes
hebben het verlangen of de overtuiging een penis te krijgen.
Ze willen geen borsten krijgen of menstrueren. Er kan
een aversie tegen zittend urineren ontstaan. Het komt
ook voor dat ze zich verzetten tegen het dragen van typische
meisjeskleding. Ze zijn minder geïnteresseerd in
typische meisjesspelletjes en spelen bij voorkeur met
jongens. Zowel jongens als meisjes experimenteren meer
dan normaal met kleding die traditioneel bij de andere
sekse past. |
|
| |
|
| Bij
adolescenten en volwassenen ontstaan verdergaande symptomen,
zoals pogingen om primaire en secundaire geslachtskenmerken
te verwijderen, danwel te verkrijgen (bijvoorbeeld met
hormoonkuren). Ook ontwikkelt zich vaak het gevoel in
een 'verkeerd' lichaam te zitten. Als iemand daadwerkelijk
lichamelijk wil overgaan tot de andere sekse door middel
van een operatieve ingreep, spreekt men van transseksualiteit.
|
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| Genderidentiteitsstoornissen
en de wens om van geslacht te veranderen, komen in alle
culturen voor, het is een speling van de natuur, die zich
niets aantrekt van culturen en religies. Ook opvoeding
heeft hier geen invloed op. Je wordt zo geboren, het is
geen keuze. Genderdysfore gevoelens kunnen zich ook al
heel vroeg naar buiten toe openbaren. |
|
| |
|
| Uit
onderzoek is gebleken dat er een verschil is in een hersengebied
dat de seksueel dismorfe kern genoemd wordt. Bij transseksuelen
met XY-chromosomen ziet dit er uit als bij een niet-transseksuele
vrouw (met XX-chromosomen dus). Of omgekeerd. De populatie
waarop dit onderzoek gebaseerd is, is echter klein. Onderzoekers
hopen dan ook dat meer (voormalige) transseksuelen na
hun dood hun lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap
ten behoeve van dit onderzoek. |
|
| |
|
| De
oorzaak van het ontstaan van genderidentiteitsstoornissen
ligt vermoedelijk in een verstoorde hormoonhuishouding
tijdens kritische fasen in de ontwikkeling van een foetus.
Wanneer hersenen in ontwikkeling blootgesteld worden aan
testosteron, ontwikkelen deze zich in mannelijke richting
en krijgt het kind een mannelijke geestelijke identiteit.
|
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over de genderidentiteitsstoornis
en de genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven: |
|
| |
|
| Genderidentiteitsstoornis |
|
| A.
Een sterke en aanhoudende genderidentificatie met het
andere geslacht (niet slechts een verlan gen naar een
of ander verondersteld cultureel voordeel om tot de andere
sekse te behoren). Bij kinderen wordt de stoornis zichtbaar
door vier (of meer) van de volgende: |
|
| |
|
- herhaaldelijk
geuite wens om, of er op staan, tot de andere sekse
te behoren
-
bij jongens: een voorkeur voor het dragen van vrouwenkleren
of kleren die daarop lijken; bij meisjes: er op staan
alleen stereotiepe mannenkleding te dragen
-
sterke en blijvende voorkeur voor het in fanta sie
spelen van de rol van het andere geslacht
of
aanhoudende fantasieën over het tot de an dere
sekse horen
-
intens verlangen om deel te nemen aan de stereotiepe
spelletjes en vormen van tijdverdrijf van de andere
sekse
-
sterke voorkeur voor speelkameraden van de andere
sekse
|
|
| Bij
adolescenten en volwassenen wordt de stoornis zichtbaar
door symptomen zoals de geuite wens om tot de andere sekse
te horen, frequent door te gaan voor iemand van de andere
sekse, verlangen te leven of behandeld te worden als iemand
van de andere sekse of de overtuiging te hebben dat hij
of zij de typische gevoelens en reacties van de andere
sekse heeft. |
|
| |
|
| B.
Zich voortdurend niet op zijn/haar gemak voelen met zijn
of haar sekse of het gevoel hebben dat het niet juist
is zich volgens de genderrol van de ze sekse te gedragen. |
|
| |
|
Bij
kinderen wordt de stoornis zichtbaar door een van de volgende:
bij jongens, de bewering dat zijn penis of testes walgelijk
zijn of zullen verdwijnen of de bewering dat het beter
zou zijn geen penis te hebben, of een afkeer van wilde
spelletjes en afkeuring van stereotiep jongens-speelgoed,
spelletjes en activiteiten; bij meisjes, afwijzing van
zittend urineren, de bewering dat zij een penis heeft
of dat deze aan zal groeien of de bewering dat ze niet
wil dat ze borsten zal krijgen of zal menstrueren of duidelijke
afkeer van de voorgeschreven vrouwenkleding. Bij adolescenten
of volwassenen wordt de stoornis zichtbaar door symptomen
als preoccupatie met het kwijt willen raken van de primaire
en secundaire
geslachtskenmerken (bijvoorbeeld vraag om hormoonbehandeling,
chirugie of andere methoden om de geslachtskenmerken fysiek
te veranderen om de andere sekse voor te kunnen wen den)
of de overtuiging dat hij of zij met de verkeerde sekse
geboren is.
|
|
| |
|
| C.
De stoornis komt niet gelijktijdig met een lichamelijke
interseks aandoening voor. |
|
| |
|
| D.
De stoornis veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren
op andere belangrijke terreinen. |
|
| |
|
| Genderidentiteitsstoornis
Niet Anderszins Omschreven |
|
Deze
categorie is opgenomen voor het coderen van stoornissen
in de genderidentiteit die niet te classificeren zijn
als een specifieke genderidentiteits stoornis.
Tot de voorbeelden horen: |
|
| |
|
- Interseks
aandoeningen (bijvoorbeeld syndroom van ongevoeligheid
voor androgenen of een aangeboren bovenmatige groei
van de bijnierschors) en samengaand met transseksualiteit
- Van
voorbijgaande aard stressgebonden gedrag waarbij kleren
van de andere sekse gedragen worden
-
Aanhoudende preoccupatie met castratie zonder het
verlangen de geslachtskenmerken van de andere sekse
te verwerven
|
|
| Diagnose |
|
| Voor
het vaststellen van de genderidenteitsstoornis en de genderidentiteitsstoornis
Niet Anderszins Omschreven maakt men gebruik van het DSM-IV
gestelde criteria. |
|
| |
|
| Voor
het medisch traject maakt men gebruik van de zogenoemde
test: |
|
| |
|
|
|
| |
|
| Behandeling |
|
| De
structuur van de behandeling wordt bepaald door drie therapeutische
componenten, te weten: |
|
| |
|
- Hormoontherapie;
- De
Real Life Experiences (RLE) en/of psychotherapie;
- Mogelijke
chirurgische ingrepen.
|
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Kenniscentrum
Rutgers Nisso |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
Posttraumatische
stress-stoornis (PTSS) |
|
| |
|
| |
|
Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM meerdere soorten angststoornissen kent, is het
doorgaans PTSS die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging. |
|
| |
|
| Posttraumatische
stress-stoornis (PTSS) |
|
Eén
blik in de kranten is voldoende om een indruk te krijgen
van de narigheid die een mens zoal kan overkomen. Om
een paar voorbeelden te noemen: auto-ongelukken, brand,
zinloos geweld, een ramp, een gewelddadige beroving,
een aanranding of verkrachting. Deze gebeurtenissen
hebben gemeen dat ze de normale menselijke ervaringen
ver te boven gaan en dat iemands gevoel van basisveiligheid
er tijdelijk of langdurig ernstig door kan worden aangetast.
|
|
|
|
Het
letsel dat zo'n gebeurtenis bij een mens aanricht, zowel
lichamelijk als geestelijk (psychisch) wordt trauma
genoemd. Trauma betekent letterlijk ernstig letsel,
verwonding. Hoewel er tussen mensen verschillen bestaan,
is het soms verbazingwekkend hoeveel narigheid mensen
kunnen doorstaan en dat op eigen kracht zodanig kunnen
verwerken, dat er geen blijvende schade ontstaat. Verwerken
betekent dat men het een plaats kan geven in zijn leven
of er een betekenis aan kan geven, waarmee men verder
kan. |
|
|
|
Soms
lukt het proces van verwerken niet of niet goed. Dan
spreken we van een posttraumatische stress-stoornis
(PTSS). Dat wil zeggen een stoornis die ontstaat na
het oplopen van lichamelijk en/of geestelijk letsel.
Deze stoornis gaat gepaard met forse stressverschijnselen
die zowel lichamelijk als psychisch van aard kunnen
zijn. Het geestelijk letsel wordt ook wel psychotrauma
genoemd. |
|
|
|
Ontstaansgeschiedenis |
|
Hoewel
de oorzaak van PTSS duidelijk is, namelijk de traumatische
ervaring, is het moeilijk te zeggen waarom sommige mensen
wel en anderen niet aan PTSS gaan lijden. Niet alleen
de aard, ernst en duur van het trauma spelen hierbij
een rol. Van groot belang voor het ontstaan van PTSS
zijn ook: |
|
| |
|
- De
betekenis van het trauma voor het individu op dat
moment in diens leven; deze betekenis is onder andere
leeftijdsgebonden
- De
al of niet ervaren opvang, steun en erkenning door
de omgeving
- De
wijze waarop iemand geleerd heeft zicht te weer te
stellen of opgewassen is tegen problemen
|
|
Voorbeelden
en kenmerken |
|
Het
DSM-IV zegt het volgende over de PTSS: |
|
|
|
A.
De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring
waarbij beide van de volgende van toepassing zijn: |
|
| |
|
- betrokkene
heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd
geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen
die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige
verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging
vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene
of van anderen
- tot
de reacties van betrokkene behoorde intense angst,
hulpeloosheid of afschuw. N.B.: Bij
kinderen kan dit zich in plaats hiervan uiten in chaotisch
of onrustig gedrag
|
|
B.
De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd
op één (of meer) van de volgende manieren: |
|
| |
|
- terugkerende
en zich opdringende onaangename herinneringen aan
de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen, gedachten
of waarnemingen. N.B.: Bij jonge
kinderen kan dit zich uiten in de vorm van terugkerende
spelletjes waarin de thema's of aspecten van het trauma
worden uitgedrukt.
- terugkerende
akelige dromen over de gebeurtenis. N.B.:
Bij kinderen kunnen angstdromen zonder herkenbare
inhoud voorkomen.
- handelen
of voelen alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw
plaatsvindt (hiertoe behoren ook het gevoel van het
opnieuw te beleven, illusies, hallucinaties en dissociatieve
episodes met flashback, met inbegrip van die welke
voorkomen bij het ontwaken of tijdens een vergiftiging).
N.B.: Bij jonge kinderen kunnen trauma-specifieke
heropvoeringen voorkomen
- intens
psychisch lijden bij blootstelling aan interne of
externe prikkels die een aspect van de traumatische
gebeurtenis symboliseren of erop lijken
- lichamelijke
reacties bij blootstelling aan interne of externe
prikkels die een aspect van de traumatische gebeurtenis
symboliseren of erop lijken
|
|
C.
Aanhoudend vermijden van prikkels die bij het trauma
hoorden of afstomping van de algemene reactiviteit (niet
aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit drie (of
meer) van de volgende: |
|
| |
|
- pogingen
gedachten, gevoelens of gesprekken horend bij het
trauma vermijden
- pogingen
activiteiten, plaatsen of mensen die herinneringen
oproepen aan het trauma te vermijden
- onvermogen
zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren
- duidelijk
verminderde belangstelling voor of deelneming aan
belangrijke activiteiten
- gevoelens
van onthechting of vervreemding van anderen
- beperkt
uiten van emotie (bijvoorbeeld niet in staat gevoelens
van liefde te hebben)
- gevoel
een beperkte toekomst te hebben (bijvoorbeeld verwacht
geen carrière te zullen maken, geen huwelijk,
geen kinderen, of geen normale levensverwachting)
|
|
D.
Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid
(niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit twee
(of meer) van de volgende: |
|
| |
|
- moeite
met inslapen of doorslapen
- prikkelbaarheid
of woedeuitbarstingen
- moeite
met concentreren
- overmatige
waakzaamheid
- overdreven
schrikreacties
|
|
E.
Duur van de stoornis (symptomen in B. C en D) langer
dan één maand. |
|
|
|
F.
De stoornis veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren
op andere belangrijke terreinen. |
|
|
|
Diagnose |
|
Het
vaststellen van de PTSS gebeurd door het gebruik van
de volgende meetinstrumenten, te weten: |
|
| |
|
| Acute
stress-stoornis (ASS) en PTSS bij volwassenen: |
|
| |
|
- Posttraumatic
Diagnostic Scale (PDS)
- State
Dissociation Questionnaire (SDQ)
|
|
| PTSS
bij volwassenen: |
|
|
|
- Impact
of Event Scale (IES)
- Spielberger's
State Anxiety (STAI)
- Peritraumatic
Dissociative Experiences Questionnaire (PDEQ)
- Mississippi
Rating Scale for Combat relatet PTSS, civilian version
(MISS)
- Trauma
Screening Questionnaire (TSQ)
- RISK(10)
|
|
| Andere
symptomen dan PTSS bij volwassenen: |
|
| |
|
- Impact
of Event Scale (IES)
- Beck
Depressiona Inventory (BDI)
- Beck
Anxiety Inventory (BAI)
- General
Health Questionnaire (GHQ)
|
|
| PTSS
bij kinderen (en hun ouders): |
|
| |
|
- Screening
Tool for Early Predictors of PTSS (STEPP)
|
|
| PTSS-symptomen
en andere psychische klachten bij kinderen en adolescenten: |
|
| |
|
- Clinician-Administered
PTSD for Children and Adolescents (CAPS-CA)
- Child
Abuse and Trauma Questionnaire (CATS)
- Multidimensional
Anxiety Scale for Children 10 (MASC-10)
- Children's
Depression Inventory - S (CDI-S)
- Schok
Verwerkings Lijst voor Kinderen
- Schok
Verwerkings Lijst voor Jonge Kinderen
|
|
Behandeling |
|
Er
bestaan verschillende manieren om PTSS te behandelen.
Variërend van de Korte Eclectische Psychotherapie
(KEP) en Eye Movement Desentization and Reprocessing
(EMDR) tot exposure-therapie en zelfinstructietraining
(SIT) maar ook de cognitieve verwerkingstherapie. Dit
alles eventueel in combinatie met medicatie. |
|
|
|
Voor
meer informatie |
|
Kenniscentrum
PTSS Noord-Nederland |
|
Stichting
Impact, Landelijk Kenniscentrum Psychosociale Zorg na
rampen |
|
Startpagina
Trauma |
|
Angst,
Dwang en Fobie stichting (ADF) |
|
|
|
|
|
Bron:
Folder: In gesprek over: Posttraumatische stress-stoornis
- Als verwerking niet lukt van de Nederlandse Vereniging
voor Psychiatrie. |
|
|
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Dissociative
stoornissen, doorgaans de dissociatieve amnesie, de dissociatieve
identiteitsstoornis (DIS) en de dissociatieve stoornis
Niet Anderszins Omschreven (DSNAO) |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere soorten dissociatieve stoornissen
kent, is het doorgaans de dissociatieve
amnesie, de dissociatieve identiteitsstoornis en
de
dissociatieve stoornis Niet Anderszins Omschreven die
soms samen worden gezien met zelfbeschadiging. |
|
| |
|
| Dissociatieve
stoornissen |
|
| Onder
dissociatie wordt het volgende onder verstaan, namelijk
het ontbreken van eenheid van het bewustzijn, het in zekere
mate onafhankelijk van elkaar bestaan van meerdere bewustzijnsinhouden
meestal ten gevolge van heftige, traumatiserende, emotionele
gebeurtenissen (in het verleden) die een integratie van
geheugen, gedachten, handelingen of persoonlijke identiteit
verhinderen. |
|
| |
|
| Er
worden vijf verschillende dissociatieve symptomen onderscheiden
die per type dissociatieve stoornis in meerdere of mindere
mate aanwezig kunnen zijn. Het kan ook voorkomen dat een
bepaald dissociatief symptoom volledig afwezig is. Het
gaat om vijf verschillende dissociatieve symptomen, te
weten: |
|
| |
|
- Amnesie;
- Depersonalisatie;
- Derealisatie;
- Identiteitsverwarring;
- Identiteitswijziging.
|
|
| Amnesie |
|
| Wanneer
iemand zich incidenten of ervaringen van gebeurtenissen
uit een bepaalde periode niet kan herinneren, of wanneer
iemand zich bepaalde belangrijke persoonlijke informatie
niet kan herinneren. |
|
| |
|
| Depersonalisatie |
|
| Een
bewuste ervaring waarbij iemand het eigen lichaam als
vreemd, niet vertrouwd of niet echt ervaart. |
|
| |
|
| Derealisatie |
|
| Een
bewuste ervaring waarin iemand zijn vertrouwde omgeving
als vreemd en onvertrouwd ervaart. |
|
| |
|
| Identiteitsverwarring |
|
| Wanneer
iemand zich onzeker voelt over wie hij is of moeite heeft
zichzelf te omschrijven. |
|
| |
|
| Identiteitswijziging |
|
| Wanneer
er zich een verschuiving plaatsvindt in de identiteit
die het gedrag op een dusdanige manier verandert dat het
anderen opvalt. |
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| De
meest voorkomende oorzaak die kan lijden tot het ontstaan
van een dissociatieve stoornis is het overleven van chronisch
psychotrauma. Bij een ander klein gedeelte van de cliëntengroep
die een dissociatieve stoornis heeft ontwikkeld zijn er
andere oorzaken. Factoren die de mate van dissociatie
kunnen bepalen zijn: het soort trauma (als trauma de oorzaak
is); de intensiteit en de duur van het trauma; de leeftijd
waarop het trauma heeft plaatsgevonden; aanleg om te dissociëren
en de eigen draagkracht. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over de dissociatieve amnesie,
de dissociatieve
identiteitsstoornis en de
dissociatieve stoornis Niet Anderszins Omschreven: |
|
| |
|
| Dissociatieve
amnesie (vroeger Psychogene amnesie) |
|
| A.
De belangrijkste stoornis uit één of meer
episodes van onvermogen zich belangrijke persoonlijke
gegevens te herinneren, meestal van traumatische of stressveroorzakende
aard, die te uitgebreid is om verklaard te kunnen worden
door gewone vergeetachtigheid. |
|
| |
|
| B.
De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van
een 'dissociatieve identiteitsstoornis', 'dissociatieve
fugue', 'posttraumatische stress-stoornis', 'acute stress-stoornis'
of 'somatisatiestoornis'en is niet het gevolg van directe
fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug,
geneesmiddel) of een neurologische of andere lichamelijke
aandoening (bijvoorbeeld amnestische stoornis als gevolg
van een schedeltrauma). |
|
| |
|
| C.
De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren
op andere belangrijke terreinen. |
|
| |
|
| |
|
| Dissociatieve
identiteitsstoornis, afgekort DIS (vroeger Meervoudigepersoonlijkheidsstoornis) |
|
| A.
De aanwezigheid van twee of meer scherp van elkaar te
onderscheiden identiteiten of persoonlijkheidstoestanden
(elk met een eigen betrekkelijk langdurig patroon van
het waarnemen van, het omgaan met en het denken over de
omgeving en zichzelf). |
|
| |
|
| B.
Ten minste twee van deze identiteiten of persoonlijkheidstoestanden
bepalen geregeld het gedrag van betrokkene. |
|
| |
|
| C.
Onvermogen zich belangrijke persoonlijke gegevens te herinneren
dat te uitgebreid is om verklaard te kunnen worden door
gewone vergeetachtigheid. |
|
| |
|
| D.
De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische
effecten van een middel (bijvoorbeeld black-outs of chaotisch
gedrag tijdens een alcoholvergiftiging) of een lichamelijke
aandoening (bijvoorbeeld epilepsie). N.B.:
Bij kinderen zijn de symptomen niet toe te schrijven aan
denkbeeldige speelkameraadjes of andere fantasiespelletjes. |
|
| |
|
| |
|
| Dissociatieve
stoornis Niet Anderszins Omschreven |
|
Deze
categorie is opgenomen voor stoornissen waarbij het belangrijkste
kenmerk een dissociatief symptoom is (dat wil zeggen een
verstoring van de gewoonlijk geïntegreerde functies
van bewustzijn, geheugen, identiteit of waarneming van
de omgeving) dat niet voldoet aan de criteria voor een
specifiek stoornis.
Tot de voorbeelden horen: |
|
| |
|
- Beelden
die lijken op de dissociatieve identiteitsstoornis
maar die niet voldoen aan alle criteria van deze stoornis.
Tot de voorbeelden horen beelden waarbij a) er geen
twee of meer scherp van elkaar te onderscheiden identiteiten
of persoonlijkheidstoestanden zijn of b) amnesie voor
belangrijke persoonlijke gegevens niet voorkomt.
- Derealisatie
niet vergezeld door depersonalisatie bij volwassenen.
- Dissociatieve
toestanden, die voorkomen bij personen die langdurig
en intensief onderworpen waren aan gedwongen intense
beïnvloeding (bijvoorbeeld hersenspoeling, heropvoeding
of indoctrinatie als gevangene).
- Dissociatieve
trancetoestand: eenmalig of episodische stoornissen
in het bewustzijn, identiteit of geheugen die op bepaalde
plaatsen en culturen inheems zijn. Bij dissociatieve
trance is er sprake van een vernauwing van het besef
van de directe omgeving of stereotype gedragingen
of bewegingen die beleefd worden als buiten de eigen
controle te liggen. Bij bezetenheidstrance is er sprake
van de vervanging van het normale besef van de eigen
identiteit door een nieuwe identiteit, hetgeen toegeschreven
wordt aan de invloed van een geest, macht, godheid,
of een ander persoon en gaat samen met stereotype
'onwillekeurige' bewegingen of amnesie. Tot de voorbeelden
horen amok (Indonesië), bebainan (Indonesië),
latah (Maleisië), pibloktoq (Noordelijke poolstreken),
ataque de nervios (Latijns-Amerika) en bezetenheid
(India). De dissociatieve stoornis of trancestoornis
is niet een normaal fenomeen van een geaccepteerde
collectief cultureel of religieus gebruik.
- Verlies
van bewustzijn, stupor of coma en niet te schrijven
aan een lichamelijke aandoening.
- Ganser-syndroom:
het geven van 'er-net-naast-antwoorden' (bijvoorbeeld
2 plus 2 is 5), voor zover het niet samengaat met
dissociatieve amnesie of dissociatieve fugue.
|
|
| Diagnose |
|
| Voor
het vaststellen van een dissociatieve stoornis wordt gebruik
gemaakt van een aantal meetinstrumenten en een interviewtechniek.
Daarnaast wordt de dissociatie op zich weer onderverdeeld
in psychologische dissociatie en lichamelijke dissociatie. |
|
| |
|
| Psychologische
dissociatie: |
|
| |
|
- Adolescent
Dissociative Experiences Scale-II (A-DES)
- Dissociative
Experiences Scale (DES)
- Dissociation
Questionnaire (DIS-Q)
- Cambridge
Depersonalization Scale (CDS)
-
Child Dissociative Checklist (CDC)
- Steinberg
Depersonalization Questionnaire
- Structured
Clinical Interview for DSM-IV Dissociative disorders
(SCID-D)
|
|
| Lichamelijke
dissociatie: |
|
| |
|
- Somatoform
Dissociation Questionnaire (SDQ-20)
|
|
| Meetinstrumenten
die in staat zijn om 'kern' - symptomen van een stoornis
te onderscheiden van cultureelbepaalde symptomen zijn: |
|
| |
|
- Schedules
for Clinical Assessment in Neuropsychiatry (SCAN)
- Composite
Diagnostic Interview (CIDI)
|
|
| Behandeling |
|
| Helaas
is het in Nederland op dit moment nog altijd slecht gesteld
met de hulpverlening aan cliënten met een dissociatieve
stoornis en beschikken de GGZ instellingen maar zelden
over een behandelaanbod in de vorm van bijvoorbeeld een
zorgprogramma. Door deze situatie zijn er zelfs cliënten
die uitwijken naar het buitenland voor een second-opinion.
Wanneer een GGZ instelling wel een zorgprogramma of een
behandelaanbod heeft ontwikkeld, dan wel probeert te ontwikkelen
zijn deze doorgaans nogal eenzijdig. |
|
| |
|
| Behandeling
algemeen |
|
| Ondanks
de vele overeenkomsten tussen de vijf bestaande dissociatieve
stoornissen, kunnen cliënten met een dissociatieve
stoornis verscheidene klachten en symptomen hebben. Ook
de hulpvraag kan sterk variëren dus ook de aard van
de behandeling. Dat de hulpvraag sterk kan variëren
is afhankelijk van vele factoren waarvan ik de twee meest
belangrijke nu even uitlicht, zoals: |
|
| |
|
- Het
type dissociatieve stoornis die de cliënt heeft.
De ene dissociatieve stoornis is de andere niet en
vereist daarom zo zijn eigen aanpak;
- De
oorzaak die tot het ontstaan van een dissociatieve
stoornis heeft geleid verschillend kan zijn.
|
|
| Behandeling
specifiek |
|
| Net
zoals dat nu bij persoonlijkheidsstoornissen het geval
is, is ook de behandeling aan cliënten met een dissociatieve
stoornis in grote lijnen in te delen in twee categorieën: |
|
| |
|
- Klachtgerichte
behandeling;
- Op
de dissociatieve stoornis gerichte behandeling.
|
|
| Klachtgerichte
behandeling |
|
| Deze
behandeling richt zich voornamelijk en primair op het
leren omgaan met de dissociatieve symptomen zelf. Dit
gebeurt door het aanbieden van een dagstructuur en het
ontwikkelen van basale oplettendheidsvaardigheden zoals
het technisch leren waarnemen van de omgeving. Ook de
symptomen en klachten leren zien als gevolg van chronische
traumatisering (in de jeugd) in plaats van als een 'eigen
tekortkoming'. Het verkrijgen van inzicht in de problematiek
door psycho-educatie vormt een belangrijk onderdeel van
de behandeling net als het eventuele gebruik van medicatie. |
|
| |
|
| Op
de dissociatieve stoornis gerichte behandeling |
|
| Een
behandeling op de dissociatieve stoornis zelf, richt zich
vooral op de achterliggende oorzaak die kan verschillen. |
|
| |
|
| De
behandeling van een dissociatieve stoornis waar trauma
de oorzaak van is, bestaat doorgaans uit drie fasen waarvan
de laatste niet altijd worden doorlopen (hiervoor kunnen
vele redenen voor zijn): |
|
| |
|
- Stabilisatie
en symptoomreductie;
- Behandeling
van traumatische herinneringen;
- Reïntegratie
en rehabilitatie.
|
|
| |
|
| Het
verdient de voorkeur om de klachtgerichte behandeling
en de op de dissociatieve stoornis gerichte behandeling
te combineren, afhankelijk van de ernst van de dissociatieve
symptomen en de fase waarin de cliënt zich bevindt. |
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Startpagina
Dissociatie I |
|
| Startpagina
Dissociatie II |
|
| Caleidoscoop,
Landelijke vereniging voor mensen met een dissociatieve
stoornis |
|
| Dissociatieve
stoornis Niet Anderszins Omschreven |
|
| Stichting
Empty Memories |
|
| |
|
|
|
|
|
| |
|
| |
|
| Stemmingsstoornissen,
doorgaans depressie, dysthymie en de bipolaire stoornis |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere soorten stemmingsstoornissen kent,
is het doorgaans de depressie, de dysthymie en de bipolaire
stoornis die soms samen worden gezien met zelfbeschadiging.
|
|
| |
|
| Depressie |
|
| Iedereen
kan zich wel eens somber en lusteloos voelen maar doorgaans
is dat van korte duur. Bij sommige mensen houden deze
klachten langere tijd aan en is er vaak ook sprake van
andere klachten. Zo kan men nergens plezier aan beleven,
heeft men minder belangstelling voor dingen en mensen
die je anders wel interesseren. Het concentreren gaat
moeilijker maar ook het nemen van beslissingen. Men voelt
zich moe, traag en futloos of juist snel geïrriteerd.
De eetlust kan minder zijn of je eet juist heel veel.
Ook het slaappatroon kan anders zijn dan normaal. Zo kun
je moeite hebben met inslapen, doorslapen of je slaapt
extra veel. Dit alles kan het leven zo zwaar maken, dat
je soms wel eens gaat denken van: 'was ik er maar niet
meer'. Je verlangt zelfs naar de dood en je bent daar
plannen voor aan het maken. In dat geval spreekt men over
een depressie. |
|
| |
|
| Dysthymie |
|
| Dysthymie
en depressie zijn zeer nauw verwant. Het onderscheid is
in sommige gevallen nauwelijks te maken. Dysthymie
wordt beschouwd als een minder ernstige stemmingsstoornis
dan depressie (2 tot 5 symptomen in plaats van minimaal
5), maar kan door het chronisch verloop ernstige gevolgen
hebben. |
|
| |
|
| Bipolaire
stoornis |
|
| De
bipolaire stoornis wordt ook wel manisch-depressieve stoornis
genoemd. De term bipolair is een samenvoeging van de Latijnse
term 'bis' (twee) en het Griekse woord 'polos' (draaipunt,
eindpunt van de as van een bol). De term geeft aan dat
iemands stemming extreem kan variëren: iemand is
van tijd tot tijd extreem uitgelaten (manisch) of juist
extreem neerslachtig (depressief). |
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| De
oorzaak van het ontstaan van een depressie is niet aan
te wijzen. Bij bijna iedereen gaat het om een combinatie
van eigenschappen en omstandigheden die tot een depressie
lijden. Vaak is het helemaal niet mogelijk een oorzaak
aan te wijzen, een depressie lijkt dan zomaar te ontstaan.
Eigenschappen en omstandigheden die een rol kunnen spelen
bij het ontstaan van een depressie zijn: erfelijkheid,
ziekte, medicijnen, karakter en persoonlijkheid, ingrijpende
jeugdervaringen, verlies en/of stress. |
|
| |
|
| Bij
de bipolaire stoornis is het niet mogelijk om te voorspellen
wie wel of niet deze stoornis zal ontwikkelen. Er is niet
1 oorzaak aan te wijzen. Er zijn weliswaar verschillende
risicofactoren, maar ieder op zich zijn deze niet voldoende
om het ontstaan van de stoornis te verklaren. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over de depressie(ve episode),
dysthymie, manische-, gemengde- en hypomane episode: |
|
| |
|
| Depressie(ve
episode) |
|
| A.
Vijf (of meer) van de volgende symptomen zijn binnen dezelfde
periode van twee weken aanwezig geweest en wijzen op een
verandering ten opzichte van het eerdere functioneren;
ten minste een van de symptomen is ofwel 1. depressieve
stemming, ofwel 2. verlies van interesse of plezier. |
|
| |
|
- depressieve
stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna
elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen
(bijvoorbeeld voelt zich verdrietig of leeg) ofwel
observatie door anderen (bijvoorbeeld lijkt betraand).
N.B.: Kan bij kinderen of adolescenten
ook prikkelbare stemming zijn
- duidelijke
vermindering van interesse of plezier in alle of bijna
alle activiteiten gedurende het grootste deel van
de dag, bijna elke dag (zoals blijkt uit subjectieve
mededelingen of uit observatie door anderen)
- duidelijke
gewichtsvermindering zonder dat dieet gehouden wordt
of gewichtstoeneming (bijvoorbeeld meer dan 5 procent
van het lichaamsgewicht in één maand),
of bijna elke dag afgenomen of toegenomen eetlust.
N.B.: Bij kinderen moet gedacht worden
aan het niet bereiken van de te verwachten gewichtstoeneming
- moeite
met inslapen of doorslapen, bijna elke dag
- lichamelijke
onrust of remming (waarneembaar door anderen, en niet
alleen maar subjectief gevoel van rusteloosheid of
vertraagdheid), bijna elke dag
- moeheid
of verlies van energie, bijna elke dag
- gevoelens
(die waanachtig kunnen zijn) van waardeloosheid of
buitensporige of onterechte schuldgevoelens (niet
alleen maar zelfverwijten of schuldgevoel over het
ziek zijn), bijna elke dag
- verminderd
vermogen tot nadenken of concentratie of besluiteloosheid
(ofwel subjectief vermeld ofwel geobserveerd door
anderen), bijna elke dag
- terugkerende
gedachten aan de dood (niet alleen de vrees dood te
gaan), terugkerende suïcidegedachten zonder dat
er specifieke plannen gemaakt zijn, of een suïcidepoging
of een specifiek plan om suïcide te plegen
|
|
| B.
De symptomen voldoen niet aan de criteria voor een 'gemengde
episode'. Dat wil zeggen dat er naast een depressie ook
wel eens een manische episode optreedt. Wat betekent dat
je in die episode overdreven vrolijk en druk bent, jezelf
heel geweldig vindt en de hele wereld aankan. |
|
| |
|
| C.
De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren
op andere belangrijke terreinen. |
|
| |
|
| D.
De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische
effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel)
of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende
schildklier). |
|
| |
|
| E.
De symptomen zijn niet eerder toe te schrijven aan een
rouwproces, dat wil zeggen na het verlies van een dierbaar
persoon zijn de symptomen langer dan twee maanden aanwezig
of zijn zij gekarakteriseerd door duidelijke functionele
beperkingen, ziekelijk bezig zijn met gevoelens van waardeloosheid,
suïcide-gedachten, psychotische symptomen of lichamelijke
remming. |
|
| |
|
| |
|
| Dysthymie |
|
| A.
Depressieve stemming het grootste deel van de dag, meer
dagen wel dan niet, zoals blijkt uit ofwel subjectieve
mededelingen ofwel uit observatie door anderen, en gedurende
ten minste twee jaar N.B.: Bij kinderen
en adolescenten kan de stemming prikkelbaar zijn en ten
minste één jaar duren. |
|
| |
|
| B.
Indien depressief, aanwezigheid van twee (of meer) van
de volgende: |
|
| |
|
- slechte
eetlust of teveel eten
- moeite
met inslapen of doorslapen
- weinig
energie of moeheid
- gering
gevoel van eigenwaarde
- slechte
concentratie of moeilijkheden om tot een besluit te
komen
- gevoelens
van hopeloosheid
|
|
| C.
Gedurende de periode van twee jaar (één
jaar bij kinderen en adolescenten) van de stoornis is
betrokkene nooit langer dan twee maanden achtereen zonder
de symptomen van criterium A en B geweest. |
|
| |
|
| D.
Er is in de eerste twee jaar (één jaar bij
kinderen en adolecenten) van de stoornis geen depressieve
episode geweest; dat wil zeggen de stoornis is niet eerder
toe te schrijven aan een chronische depressieve stoornis,
of aan depressieve stoornis, gedeeltelijk hersteld. |
|
| |
|
| E.
Er is nooit een manische episode, een gemengde episode
of een hypomane episode gweest en er is nooit voldaan
aan de criteria voor een cyclothyme stoornis. Met cyclothymie
wordt bedoeld, een langdurige stemmingsstoornis die wordt
gekenmerkt door sterke stemmingswisselingen met perioden
van vrolijkheid en levendigheid en perioden van verdriet
en zwaartillendheid (zonder dat er sprake is van een depressie
in engere zin). |
|
| |
|
| F.
De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van
een chronische psychotische stoornis zoals 'schizofrenie'
of 'waanstoornis'. |
|
| |
|
| G.
De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische
effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel)
of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende
schildklier). |
|
| |
|
| H.
De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren
op andere belangrijke terreinen. |
|
| |
|
| |
|
| Manische
episode |
|
| A.
Een duidelijk herkenbare periode met een een abnormale
en voortdurend verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming,
gedurende ten minste een week (of elke duur indien opneming
in een ziekenhuis noodzakelijk is). |
|
| |
|
| B.
Tijdens de stemmingsstoornis zijn drie (of meer) van de
volgende symptomen (vier indien de stemming alleen geprikkeld
is) voortdurend en in belangrijke mate aanwezig: |
|
| |
|
- opgeblazen
gevoel van eigenwaarde of grootheidsideeën
- afgenomen
behoefte aan slaap (bijvoorbeeld voelt zich uitgerust
na slechts drie uur slaap)
- spraakzamer
dan gebruikelijk of spreekdrang
- gedachtenvlucht
of de subjectieve beleving dat de gedachten jagen
- verhoogde
afleidbaarheid (dat wil zeggen de aandacht wordt te
gemakkelijk getrokken door onbelangrijke of niet terzake
doende van buiten komende prikkels)
- toeneming
van doelgerichte activiteit (ofwel sociaal, op het
werk of op school ofwel seksueel) of psychomotore
onrust
- zich
overmatig bezig houden met aangename activiteiten
waarbij een grote kans op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld
betrokkene houdt zich intens bezig met een ongeremde
koopwoede, seksuele indiscreties, of zakelijk onverstandige
investeringen)
|
|
| |
|
| C.
De symptomen voldoen niet aan de criteria voor een 'gemengde
episode'. |
|
| |
|
| D.
De episode is voldoende ernstig om duidelijke beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren te veroorzaken
of een opneming in een ziekenhuis noodzakelijk te maken
om schade voor zichzelf of anderen te voorkomen, of er
zijn psychotische verschijnselen. |
|
| |
|
| E.
De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische
effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel)
of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende
schildklier). |
|
| |
|
| |
|
| Gemengde
episode |
|
| A.
Er wordt voldaan aan de criteria van zowel een manische
episode als aan die van een depressieve episode (behalve
in duur), bijna elke dag gedurende ten minste een week. |
|
| |
|
| B.
De stemmingsstoornis is voldoende ernstig om duidelijke
beperkingen in werk, gewone sociale activiteiten of relaties
met anderen te veroorzaken, of opneming in een ziekenhuis
noodzakelijk te maken om de schade voor zichzelf of anderen
te voorkomen, of er zijn psychotische kenmerken. |
|
| |
|
| C.
De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische
effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel)
of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende
schildklier). |
|
| |
|
| |
|
| Hypomane
episode |
|
| A.
Een duidelijk herkenbare periode met voortdurend verhoogde,
expansieve of prikkelbare stemming, die ten minste vier
dagen duurt en die duidelijk verschilt van de gebruikelijke
niet-depressieve stemming. |
|
| |
|
| B.
Tijdens de periode van de stemmingsstoornis zijn drie
(of meer) van de volgende verschijnselen (vier als de
stemming alleen prikkelbaar is) voortdurend en in belangrijke
mate aanwezig: |
|
| |
|
- opgeblazen
gevoel van eigenwaarde of grootheidsideeën
- afgenomen
behoefte aan slaap (bijvoorbeeld voelt zich uitgerust
na slechts drie uur slaap)
- spraakzamer
dan gebruikelijk of spreekdrang
- gedachtenvlucht
of de subjectieve beleving dat de gedachten jagen
- verhoogde
afleidbaarheid (dat wil zeggen de aandacht wordt te
gemakkelijk getrokken door onbelangrijke of niet terzake
doende van buiten komende prikkels)
- toeneming
van doelgerichte activiteit (ofwel sociaal, op het
werk of op school ofwel seksueel) of psychomotore
onrust
- zich
overmatig bezig houden met aangename activiteiten
waarbij een grote kans op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld
betrokkene houdt zich intens bezig met een ongeremde
koopwoede, seksuele indiscreties, of zakelijk onverstandige
investeringen)
|
|
| |
|
| C.
De episode gaat gepaard met een onmiskenbare verandering
in het functioneren die niet karakteristiek is voor betrokkene,
wanneer deze symptoomvrij is. |
|
| |
|
| D.
De stemmingsstoornis en de veranderingen in functioneren
kunnen door anderen worden waargenomen. |
|
| |
|
| E.
De episode is niet ernstig genoeg om duidelijke beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren te veroorzaken
of een opneming in een ziekenhuis noodzakelijk te maken,
en er zijn geen psychotische verschijnselen. |
|
| |
|
| F.
De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische
effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel)
of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende
schildklier). |
|
| |
|
| Diagnose |
|
| |
|
| Depressie
en dysthymie |
|
| Het
vaststellen van een depressie en dysthymie gebeurd in
grote lijn op twee manieren: |
|
| |
|
- De
descriptieve diagnostiek;
- Met
behulp van meetinstrumenten.
|
|
| De
descriptieve diagnostiek |
|
| Aan
de hand van de criteria uit de DSM-IV wordt vastgesteld: |
|
| |
|
- of
er sprake is van een depressie of dysthymie
- zo
ja, de indeling in licht, matig, ernstig, psychotisch,
(gedeeltelijk) hersteld (bij depressie)
- zo
ja, de indeling vroege dysthymie, late dysthymie en
dysthymie met atypische kenemerken
|
|
| Deze
vorm van diagnostiek wordt classificeren genoemd en is
vooral van belang voor een eerste screening en voor onderzoeksdoeleinden.
De criteria richten zich veelal op gedragskenmerken. |
|
| |
|
| Met
behulp van meetinstrumenten |
|
| |
|
- Hamilton
Depressieschaal (HDRS-6)
-
Beck Depressieschaal (BDI)
- Symptomen
Checklist (SCL-90)
-
Medical Outcomes Scale (MOS-SF-36)
- Personality
Disorder Questionnaire -4+ (PDQ-4+)
|
|
| Bipolaire
stoornis |
|
| Een
vermoeden van een bipolaire stoornis wordt getoetst door
de klachten uit te vragen en te classificeren volgens
een diagnostisch systeem (bijvoorbeeld de DSM-IV). In
deze fase vindt ook de differentiële diagnostiek
plaats en worden bijkomende stoornissen nagevraagd. Wanneer
de diagnose eenmaal is gesteld, kan vervolgens worden
gekeken naar het beloop en de ernst van de stoornis. |
|
| |
|
| Classificatie
volgens diagnostisch systeem |
|
Op
basis van een kort ongestructureerd diagnostisch gesprek,
waarin de belangrijkste klachten en het beloop worden
nagevraagd, kan een diagnose worden gesteld.
Als hulpmiddel zijn gestructureerde interviews ontwikkeld.
De volgende diagnostische instrumenten zijn in het Nederlands
beschikbaar en op kwaliteit getoetst:
|
|
| |
|
- Structured
Clinical Interview for DSM-IV (SCID)
- Composite
International Diagnostic Interview (CIDI)
- Mini-International
Neuropsychiatric Interview (MINI)
|
|
| Bij
een aantal cliënten is een klinisch oordeel nodig
voor het identificeren en classificeren van de symptomen.
Op het gebied van psychotische stoornissen en de bipolaire
stoornis zijn de validiteit en betrouwbaarheid van de
SCID beter dan de CIDI. Op andere gebieden ontlopen ze
elkaar niet veel. De interviewlijsten mogen uitsluitend
afgenomen worden door mensen die een specifieke training
hebben gevolgd (CIDI) en klinische ervaring hebben in
de psychiatrie (SCID en MINI). |
|
| |
|
| Bepalen
van de ernst van de bipolaire stoornis |
|
De
polariteit (manie of depressie) en de ernst van de symptomen
bepalen uiteindelijk welke behandeling en begeleiding
iemand nodig heeft. Hiervoor zijn verschillende interview-
en observatieschalen ontwikkeld. Voorbeelden zijn:
|
|
| |
|
- Hamilton
Rating Scale for Depression (HRSD)
-
Montgomery-Asberg Depression Scale (MADRS)
-
Inventory for Depressive Symptomatology (IDS-C)
|
|
| Daarnaast
bestaan er zelfinvulvragenlijsten. De cliënt wordt
gevraagd een oordeel te geven over de symptomen die hij
of zij ervaart. Voorbeelden zijn: |
|
| |
|
- Inventory
for Depressive Symptomatology (IDS-SR)
- Self-Rating
Depression Scale (SDS) van Zung
|
|
| Een
hypomane episode is moeilijk te diagnosticeren. De cliënt
zelf heeft doorgaans weinig last van de symptomen. Mensen
in de omgeving kunnen aangeven of iemand zich
anders gedraagt. Een gesprek met een familielid kan in
zo'n geval doorslaggevend zijn. |
|
| |
|
| Voor
het bepalen van de ernst van (hypo)manische symptomen
zijn 2 instrumenten bruikbaar: |
|
| |
|
- Young
Mania Rating Scale (YMRS)
-
Bech-Rafaelsen Mania Scale (BR-MAS)
|
|
| Behandeling |
|
| |
|
| Overeenkomsten
behandeling depressie en dysthymie |
|
| Wat
ze gemeen hebben is dat beide stemmingsstoornissen behandeld
kunnen worden door bijvoorbeeld de Cognitieve Gedragstherapie
(CGT), Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT) zowel individueel
als groepsgewijs en non-verbale therapieën (ergotherapie
en psychomotorische therapie). Ook lichttherapie en looptherapie
kunnen een gunstige uitwerking hebben. Dit alles eventueel
in combinatie met medicatie. In enkele gevallen kan de
depressie en dysthmie behandeld worden met Electro Convulsie
Therapie (ECT). |
|
| |
|
| Verschil
behandeling depressie en dysthymie |
|
| De
behandeling bij een depressie wordt op een gegeven moment
afgesloten terwijl de behandeling van dysthymie langdurig
is vanwegen het chronisch karakter dat dysthymie heeft. |
|
| |
|
| Behandeling
bipolaire stoornis |
|
| De
bipolaire stoornis is een ernstige ziekte. Het heeft vaak
een chronisch verloop. Als iemand een bipolaire stoornis
heeft, dan wordt behandeling in de gespecialiseerde GGZ
aangeraden. De stoornis kan niet genezen worden. Ook kan
de aanleg voor deze stoornis niet weggenomen worden. Wel
kunnen specifieke symptomen met medicatie verminderen
of zelfs verdwijnen en kan worden voorkomen dat iemand
opnieuw een episode meemaakt. |
|
| |
|
| De
behandeling bestaat meestal uit een combinatie van medicijnen
en voorlichting of psycho-educatie, eventueel aangevuld
met cognitieve therapie en sociaal-maatschappelijke steun
of rehabilitatie. Medicatie vormt een essentieel onderdeel
van
de behandeling. De psychiater speelt daarom een belangrijke
rol in de diagnostiek en behandeling. Er zijn medicijnen
die de ernst en/of duur van een episode verminderen en
medicijnen die voorkómen dat iemand opnieuw een
manische en depressieve episode krijgt. Voorlichting of
psycho-educatie kunnen tijdens een relatief rustige periode
of vlak na een acute episode worden gegeven. Cognitieve
therapie en andere psychologische interventies zijn
dan
ook bruikbaar. Doel is om te werken aan acceptatie van
de stoornis en aan het besef dat levenslang medicijnen
gebruikt zullen moeten worden. Bij minder ernstige episodes
kunnen deze psychologische interventies ook eerder starten.
|
|
| |
|
Voor
meer informatie |
|
| Kenniscentrum
Bipolaire Stoornissen |
|
Kenniscentrum
Nederlandse Studie naar Depressie en Angst |
|
| Startpagina
Depressie |
|
| Depressie
Centrum van het Fonds Psychische Gezondheid |
|
| Vereniging
voor Manisch Depressieven en Betrokkenen (VMDB) |
|
| |
|
| |
|
| Bron:
Depressie Centrum van het Fonds Psychische Gezondheid
en het Trimbos instituut. |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Somatoforme
stoornissen, doorgaans de somatisatiestoornis |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere somatoforme stoornissen kent, is het
doorgaans de somatisatiestoornis die soms samen wordt
gezien met zelfbeschadiging. |
|
| |
|
| Somatisatiestoornis |
|
| Het
centrale kenmerk van de somatisatiestoornis is een patroon
van terugkerende, meervoudige, klinisch belangrijke lichamelijke
klachten. Een lichamelijke klacht wordt beschouwd als
klinisch belangrijk als deze klachten leiden tot medische
behandeling (bijvoorbeeld het gebruik van medicijnen)
of als deze klachten aanmerkelijke beperkingen geeft op
belangrijke gebieden van het functioneren, zoals het persoonlijk,
sociaal of beroepsmatig functioneren. De meervoudige lichamelijke
klachten moeten [...] optreden over een periode van meerdere
jaren. De meervoudige lichamelijke klachten worden niet
volledig verklaard door een bekende medische aandoening.
Met andere woorden de lichamelijke klachten zijn wel echt,
maar de arts vindt geen lichamelijke oorzaak. |
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| De
precieze oorzaak die tot het ontstaan van een somatisatiestoornis
kunnen leiden is niet bekend. Wel wordt veelvuldig kindermishandeling
(psychische-, fysieke mishandeling en/of seksueel misbruik)
gezien. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
Het
DSM-IV zegt het volgende over de somatisatiestoornis: |
|
| |
|
A.
Een voorgeschiedenis van vele lichamelijke klachten,
beginnend voor het dertigste jaar, een aantal jaren
aanwezig, die geleid hebben tot het zoeken van behandeling
of tot duidelijke beperkingen in het sociale of beroepsmatige
functioneren of het functioneren op andere belangrijke
terreinen. |
|
| |
|
B.
Aan elk van de volgende kenmerken moet zijn voldaan,
waarbij de afzonderlijke symptomen op elk moment in
het beloop van de stoornis kunnen voorkomen: |
|
| |
|
- vier
pijnklachten: een voorgeschiedenis van pijn die
verband houdt met ten minste vier verschillende lokalisaties
of functies (bijvoorbeeld hoofd, buik, rug, gewrichten,
ledematen, borst, anus, tijdens de menstruatie, tijdens
de geslachtsgemeenschap of tijdens het plassen)
- twee
maag-darm klachten: een voorgeschiedenis van
ten minste twee maag-darm klachten en anders dan pijn
(bijvoorbeeld misselijkheid, opgeblazen gevoel, braken
buiten de zwangerschap, diarree of intolerantie voor
een aantal voedingsmiddelen)
- één
seksuele klacht: een voorgeschiedenis met tenminste
één klacht op het gebied van de seksualiteit
of voortplanting en anders dan pijn (bijvoorbeeld
seksuele onverschilligheid, problemen bij erectie
of zaadlozing, onregelmatige menstruatie, overvloedige
menstruele bloedingen, braken tijdens de gehele duur
van de zwangerschap)
- één
pseudoneurologisch symptoom: een voorgeschiedenis
met ten minste één symptoom of uitvalsverschijnsel
dat doet denken aan een neurologische aandoening en
niet beperkt is tot pijn (conversiesymptomen zoals
stoornissen in de coördinatie of evenwicht, verlamming
of gelokaliseerde spierzwakte, slikproblemen of brok
in de keel, stem kwijt zijn, vasthouden van urine,
hallucinaties, verlies van de tast- of pijnzin, dubbelzien,
blindheid, toevallen; dissociatieve verschijnselen
zoals geheugenverlies; of bewustzijnsverlies anders
dan flauwvallen)
|
|
| C.
Ofwel 1 of 2: |
|
| |
|
- na
adequaat medisch onderzoek is geen van de symptomen
van kenmerk B. eerder toe te schrijven aan een bekende
lichamelijke aandoening of het directe effect van
een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel)
- indien
er een lichamelijke aandoening is die hiermee verband
houdt, zijn de lichamelijke klachten of de hieruit
volgende sociale of beroepsmatige beperkingen ernstiger
dan verwacht zou worden op grond van de voorgeschiedenis
en wat de patiënt/cliënt kan mededelen aan
de arts, lichamelijk onderzoek of laboratoriumuitslagen
|
|
| D.
De symptomen worden niet met opzet veroorzaakt of voorgewend
(zoals bij de nagebootste stoornis of simulatie). |
|
| |
|
| Diagnose |
|
| Voor
de somatisatiestoornis bestaat er geen
meetinstrument. Men stelt de diagnose dus vast aan de
hand van de door de DSM-IV gestelde criteria. |
|
| |
|
| Behandeling |
|
| De
behandeling van de somatisatiestoornis bestaat uit Cognitieve
Gedragstherapie (CGT). Voor mensen met somatoforme stoornissen
met name voor mensen met een somatisatiestoornis, is er
geen medicamenteuze behandeling beschikbaar. Hoewel mensen
met een somatisatiestoornis wel vaak een medicamenteuze
behandeling zoeken voor de verschillende symptomen en
dan het risico lopen om onnodige medicatie voorgeschreven
te krijgen, zoals benzodiazepinen en pijnstillers. Behandeling
met SSRI (=anti-depressivum) kan worden overwogen indien
de zorgen over de lichamelijke klachten gepaard gaan met
angst en deze voorop staat. |
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Psychiatrienet
|
|
| PubMed
National Library of Medicine (Engelstalig) |
|
|
|
| |
|
| Bron:
American Psychiatry Association (APA). |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Eetstoornissen
met name anorexia nervosa, boulimia nervosa (vooral) en
de Binge-eating disorder |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere eetstoornissen kent, zijn het met
name anorexia nervosa, boulimia nervosa (vooral) en de
Binge-eating disorder die soms samen worden gezien met
zelfbeschadiging. |
|
| |
|
| Anorexia
nervosa |
|
| Anorexia
Nervosa betekent letterlijk: Gebrek aan eetlust door nerveuze
oorzaken. Die naam is eigenlijk niet juist, want het gaat
er niet om dat je geen honger zou hebben. Het probleem
is juist dat iemand met anorexia wel degelijk een hongergevoel
heeft, maar zijn uiterste best doet het onder controle
te krijgen en ondanks de honger niet te eten. |
|
| |
|
| Vermageren
wordt een soort verslaving. Zo iemand eet dus heel weinig,
soms zelfs zo goed als niets. Maar hij of zij is wel geobsedeerd
door voedsel, is bang om dik te worden en kan eigenlijk
aan niets anders denken. Iemand die anorexia heeft, stelt
heel hoge eisen aan zichzelf. Ga maar eens na hoe sterk
je moet zijn om jezelf uit te hongeren. Maar dat uithongeren
is vaak een eenzame strijd, waarover je met niemand kunt
praten. Mensen met anorexia verliezen door hun problemen
soms de meeste sociale contacten en zijn dikwijls erg
alleen. |
|
| |
|
| Als
je anorexia hebt val je af, maar hoe mager je ook wordt
en hoe mager anderen je ook vinden, zelf blijf je het
gevoel hebben dat je te dik bent. |
|
| |
|
| Boulimia
nervosa |
|
| Boulimia
Nervosa betekent letterlijk: Honger als een os door nerveuze
oorzaken. Als je boulimia hebt, krijg je bij vlagen een
vreselijke drang zo'n drang om te eten, dat je echt niet
meer kunt stoppen. Het gekke is dat boulimia toch een
aandoening is die te maken heeft met de drang om slank
te worden, net als anorexia. Je bent geobsedeerd door
voedsel en door je gewicht en lichaamsomvang. Misschien
zie je er al heel gewoon uit, misschien ook ben je mager
of juist dik. Meestal vind je jezelf veel te dik en probeer
je op allerlei manieren slanker te worden. Maar tussendoor
verval je steeds in ongebreidelde eetbuien, waarbij je
-honger of geen honger- zoveel mogelijk voedsel naar binnen
propt. Na zo'n eetbui ga je misschien opzettelijk overgeven
of je slikt laxeermiddelen om het eten weer kwijt te raken.
Je drang om zoveel te eten, lijkt op een verslaving. Iemand
die boulimia heeft, stelt vaak hoge eisen aan zichzelf
en vindt zichzelf slap of zwak als het niet lukt om het
ideale lichaamsgewicht te handhaven. Veel mensen met boulimia
leiden soms jarenlang een geheim dubbelleven. |
|
| |
|
| Niemand
weet van hun eetbuien. Zelfs niet hun ouders of partner
of beste vriendin. Het is erg eenzaam om boulimia te hebben
en bovendien wordt het een probleem om je gedachten bij
andere dingen dan bij voedsel te houden. Het maken van
afspraken is moeilijk, omdat je nooit weet wanneer je
weer een eetaanval zult krijgen. Al dat eten en de laxeermiddelen
kosten overigens veel geld. Vaak komen cliënten met
boulimia in financiële problemen. Soms loopt het
zo uit de hand dat ze voedsel gaan stelen. Daar voelen
ze zich dan weer erg schuldig over. |
|
| |
|
| Binge-eating
disorder |
|
| Binge-eating
disorder, afgekort BED, valt onder de categorie eetstoornis
Niet Anderszins Omschreven. Het is een eetstoornis waarbij
je last hebt van steeds terugkerende periodes van (vr)eetbuien.
Het wordt ook wel eetbuienstoornis genoemd. Tijdens deze
(vr)eetbuien eet je veel sneller dan normaal, eet je grote
hoeveelheden zonder dat je echt honger hebt, eet je stiekem
omdat je je schaamt over de grote hoeveelheden die je
eet, eet je door tot je een ongemakkelijk vol gevoel krijgt.
Tijdens een (vr)eetbui kan het eten je heel even een gevoel
van troost geven, maar daarna voel je je nog rottiger
dan daarvoor. Na een (vr)eetbui walg je vaak van jezelf
en voel je je depressief en/of schuldig. Bij Binge-eating
disorder compenseer je een (vr)eetbui niet door te laxeren
of te braken. Doordat je veel (vr)eetbuien hebt, krijg
je last van (ernstig) overgewicht, wat veel lichamelijke
gevolgen kan hebben. Binge-eating disorder kan onder andere
leiden tot gebrek aan essentiële stoffen (zoals vitamines
en mineralen), en het uit balans raken van de natrium/kalium
huishouding. Dit zijn heel gevaarlijke effecten. Maar
ook kunnen er problemen ontstaan met de gewrichten, de
bloedsuikerspiegel en de bloeddruk. Binge-eating disorder
is veel meer dan alleen frustratie "wegeten".
|
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| De
oorzaak van het ontstaan van een eetstoornis is niet aan
te wijzen. Vaak gaat het om een combinatie van factoren,
te weten: cultureel-maatschappelijke-, psychologische-
en sociale factoren. Hierbij dient opgemerkt te worden
dat geen van de factoren op zichzelf de doorslag geeft.
Het gaat altijd om een samenspel, waarbij de invloed van
de specifieke factoren bij elke cliënt weer enigszins
anders kan liggen. |
|
| |
|
| Cultureel-maatschappelijke |
|
| Zo
speelt de veranderde rol van vrouwen in de westerse samenleving
een grote rol. Aan de ene kant moeten vrouwen nog steeds
het ideaal van de zorgende, zachtaardige en aantrekkelijke
echtgenote en moeder naleven, aan de andere kant worden
ook steeds meer traditioneel 'mannelijke' activiteiten
van hen verwacht, zoals een studie en een loopbaan. Een
andere cultureel-maatschappelijke factor is de eis van
slank zijn die aan vrouwen in de westerse samenleving
gesteld wordt. |
|
| |
|
| Psychologische
|
|
| Het
aanwezig zijn van een zekere kwetsbaarheid en het zich
aantrekken van allerlei meningen van anderen. Alles erg
goed willen doen, maar er in eigen ogen bijna nooit in
slagen. Wat tot gevolg kan hebben is dat succes of falen
in verband wordt gebracht met het lichaamsgewicht. 'Alleen
als ik tien kilo afval, zullen mensen mij aardig vinden'.
Een vertekend lichaamsbeeld, lage zelfwaardering en extreem
perfectionisme zijn dan ook kenmerkend voor cliënten
met anorexia en boulimia. Andere psychologische factoren
die tot het ontstaan van een eetstoornis kunnen leiden
zijn: een verbroken relatie, het overlijden van een dierbare,
het huis uit gaan, seksueel misbruik, een zwaar examen
moeten doen of moeder worden. |
|
| |
|
| Sociaal |
|
| De
invloed van het westerse slankheidsideaal dat niet alleen
via de media doordringt, maar zich ook manifesteert in
de sociale omgeving. Herhaalde kritische opmerkingen over
lichaamsomvang, uiterlijk en gewicht door familieleden,
partners, vrienden, klasgenoten, medestudenten of collega's
kunnen aanleiding geven tot onnodig lijngedrag, dat zich
weer kan ontwikkelen tot een eetstoornis. Andere sociale
factoren die tot een eetstoornis kunnen leiden is niet
voldoende geleerd hebben om gevoelens te uiten of met
conflicten om te gaan. Maar ook traumatische ervaringen,
zoals incest en lichamelijk of geestelijk geweld, kunnen
leiden tot het ontstaan van een eetstoornis. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over anorexia nervosa, boulimia
nervosa en de eetstoornis Niet Anderszins Omschreven: |
|
| |
|
| Anorexia
nervosa |
|
| A.
Weigering het lichaamsgewicht te handhaven op of boven
een voor de leeftijd en lengte minimaal normaal gewicht
(bijvoorbeeld gewichtsverlies dat leidt tot het handhaven
van het lichaamsgewicht op minder dan 85 procent van het
te verwachten gewicht; of het in de periode van groei
niet bereiken van het te verwachten gewicht, hetgeen leidt
tot een lichaamsgewicht van minder dan 85 procent van
het te verwachten gewicht). |
|
| |
|
| B.
Intense angst in gewicht toe te nemen of dik te worden,
terwijl er juist sprake is van ondergewicht. |
|
| |
|
| C.
Stoornis in de manier waarop iemand zijn of haar lichaamsgewicht
of lichaamsvorm beleeft, onevenredig grote invloed van
het lichaamsgewicht, of lichaamsvorm op het oordeel over
zichzelf of ontkenning van de ernst van het huidige lage
lichaamsgewicht. |
|
| |
|
| D.
Bij meisjes, na het begin van de eerste menstruatie in
de puberteit, blijft de menstruatie uit, dat wil zeggen
de afwezigheid van ten minste drie achtereenvolgende menstruele
cycli. (Bij een vrouw wordt geacht dat de menstruatie
wegblijft als de menstruatie alleen volgt na toediening
van hormonen (bijvoorbeeld oestrogenen). |
|
| |
|
| |
|
| Boulimia
nervosa |
|
| A.
Terugkerende episodes van vreetbuien. Een episode wordt
gekarakteriseerd door beide volgende: |
|
| |
|
- het
binnen een beperkte tijd (bijvoorbeeld twee uur) eten
van een hoeveelheid voedsel die beslist groter is
dan wat de meeste mensen in eenzelfde periode en onder
dezelfde omstandigheden zouden eten
- een
gevoel de beheersing over het eten tijdens de episode
kwijt te zijn (bijvoorbeeld het gevoel dat men niet
kan stoppen met eten of zelf kan bepalen wat of hoeveel
men eet)
|
|
| B.
Terugkerende inadequaat compenserend gedrag om gewichtstoename
te voorkomen zoals zelfopgewekt braken; misbruik van laxeermiddelen,
plaspillen of klysma's of andere geneesmiddelen; vasten
of overmatige lichaamsbeweging. |
|
| |
|
| C.
De vreetbuien en de inadequate compenserende gedragingen
komen beide gemiddeld ten minste tweemaal per week gedurende
drie maanden voor. |
|
| |
|
| D.
Het oordeel over zichzelf wordt in onevenredige mate beïnvloed
door de lichaamsvorm en het lichaamsgewicht. |
|
| |
|
| E.
De stoornis komt niet uitsluitend voor tijdens episodes
van anorexia nervosa. |
|
| |
|
| |
|
| Eetstoornis
Niet Anderszins Omschreven |
|
| De
categorie 'eetstoornis Niet Anderszins Omschreven' dient
voor eetstoornissen die niet vol doen aan de criteria
van enige specifieke eetstoornis. Tot de voorbeelden horen: |
|
| |
|
- Bij
vrouwen wordt voldaan aan alle criteria van anorexia
nervosa behalve dat betrokkene regelmatig menstrueert
- Aan
alle criteria van anorexia nervosa wordt voldaan,
behalve dat, ondanks duidelijk gewichtsverlies, het
huidige lichaamsgewicht van betrokkene binnen de normale
grenzen ligt
- Aan
alle criteria van boulimia netvosa wordt voldaan behalve
dat de vreetbuien en de inadequate compensatie mechanismen
voorkomen in een frequentie van minder dan tweemaal
per week of met een duur van korter dan drie maanden
- Het
geregeld tonen van inadequate compensatoire gedragingen
na het eten van kleine hoeveelheden voedsel bij iemand
met een normaal lichaamsgewicht (bijvoorbeeld zelfopgewekt
braken na het eten van twee koekjes)
- Herhaald
kauwen op en uitspugen van, maar niet doorslikken
van grote hoeveelheden voedsel
- Vreetbuien
stoornis ('Binge-eating disorder'): terugkerende episodes
van vreetbuien in afwezigheid het geregeld tonen van
inadequate compensatoire gedragingen die karakteristiek
zijn voor boulimia nervosa
|
|
| Aanvullende
kenmerken anorexia nervosa |
|
| |
|
- Je
denkt de hele dag aan eten en aan calorieën
- Je
sport veel
- Als
je afvalt, heb je het gevoel dat je sterk bent en
dat je controle over je lichaam hebt
- Als
je aankomt raak je in paniek. Je hebt het gevoel dat
je de controle over je lichaam verliest
- Je
hebt een bijzonder eetgedrag: je wilt bijvoorbeeld
alleen eten als er niemand bij is; of je kookt uitgebreid
voor anderen maar eet zelf niet mee, of je eet alleen
's nachts, of je wilt alleen eten wat je zelf hebt
klaargemaakt
- Je
denkt dat alles beter zal gaan als je maar afvalt
- Iedereen
zegt dat je mager bent, maar je gelooft het niet.
Of misschien denk je: dat zal dan wel, maar binnenkort
kom ik vast weer aan
- Je
bent zo bang om aan te komen, dat je je verzet tegen
iedereen die je probeert te dwingen om te eten
- Je
eetgedrag is je houvast in het leven geworden: het
betekent voor je dat je sterk bent en jezelf onder
controle hebt
- Bij
meisjes: Je menstruatie is erg onregelmatig of verdwenen
|
|
| Aanvullende
kenmerken boulimia nervosa |
|
| |
|
-
Slank worden is je grootste wens. Je denkt dat alles
beter zal gaan als je slank bent
- Je
probeert op alle mogelijke manieren om slank te worden
en zo weinig mogelijk te eten
- Je
denkt de hele dag aan eten en aan calorieën
- Je
hebt vaak enorme vreetbuien en verliest dan alle controle
over jezelf. Het kan best gebeuren dat je tijdens
die vreetbuien allerlei dingen naar binnen werkt waarover
je anders niet zou piekeren ze te eten. Misschien
eet je gewoon alles wat je in de keuken kunt vinden
of je gaat naar de winkel en koopt tien zakken snoep,
die je vervolgens allemaal achter elkaar opeet
- Het
feit dat je geen honger hebt of misselijk wordt van
al dat eten, maakt niets uit. Je kunt gewoonweg niet
stoppen
- Na
een vreetbui ben je doodsbang om er dik van te worden.
Je gaat vasten, lijnen, braken of laxeermiddelen slikken
- Je
schaamt je voor je vreetbuien en verbergt ze voor
anderen. Tijdens de maaltijd met anderen eet je zo
gewoon mogelijk. Misschien krijg je de neiging voedsel
of andere dingen te gaan stelen
- Wat
de mensen uit je omgeving ook zeggen, je blijft jezelf
te dik vinden. Je bent geobsedeerd door je gewicht
en doodsbang er de controle over te verliezen (wat
dus wel steeds weer gebeurt)
- Je
ervaart je afwijking als een afschuwelijk probleem.
Je probeert van alles om eraf te komen, maar dat blijkt
heel moeilijk te zijn. Je gaat jezelf haten omdat
het je niet lukt
|
|
| Aanvullende
kenmerken Binge-eating disorder |
|
| |
|
- Je
wilt graag slank worden en maakt dagelijks voornemens
over wat je mag eten van jezelf
-
Je onderscheidt 'goed' voedsel en 'slecht' voedsel,
en probeert 'slecht', dat wil zeggen calorierijk,
voedsel te vermijden
-
Je weegt jezelf veelvuldig, vaak wel een paar keer
per dag
- Je
stemming wordt grotendeels bepaald door wat je weegt
en wat je eet
-
Wanneer je je rot voelt of wanneer je voor je gevoel
toch al 'te veel' hebt gegeten, krijg je een eetbui,
waarin je heel veel, vaak juist 'slecht' voedsel naar
binnen werkt
-
Je probeert niet door 'compenserend gedrag' je eetbuien
teniet te doen (zoals door laxeren, braken, vasten,
overmatig sporten)
-
Je schaamt je voor je eetgedrag en je voelt je een
slappeling, maar je kunt er toch niet mee stoppen,
hoe je het ook probeert
-
Je houdt je eetproblemen voor de buitenwereld verborgen,
en eet in gezelschap daarom vaak zo gewoon mogelijk
-
Je bezoekt, om onopvallend aan eten te komen, vaak
verschillende winkels, en geeft daarbij soms veel
geld uit
-
Je hebt lichamelijke verschijnselen, zoals vermoeidheid,
lusteloosheid, slapeloosheid, hoge bloeddruk, vochtophoping
in de benen, last van je gewrichten enzovoort
|
|
Lichamelijke
gevolgen anorexia nervosa |
|
| |
|
- Slaapstoornissen
- Gebitsaantasting
- Verminderde
borstontwikkeling
- Lage
lichaamstemperatuur
- Storing
in de temperatuursregeling
- Menstruatie
houdt op of wordt onregelmatig
- Bij
mannen: verminderde testosteronproductie
- Spierslapte,
verlies van spiermassa
- Onderhuidse
vochtophoping (oedeem)
- Haaruitval
- Slecht
humeur, depressies
- Duizeligheid
- Laag
bloedsuikergehalte
- Trage
hartslag
- Verstopping
- Nierbeschadiging
- Donshaar
(lanugo)
- Droge
huid
- Blauwe
en koude voeten en handen
|
|
Lichamelijke
gevolgen boulimia nervosa |
|
| |
|
- Gebitsaantasting
- Beschadigde
slokdarm
- Hartritmestoornissen
- Maagpijn
- Darmproblemen,
diarree/verstopping
- Menstruatie
stoornissen
- Bij
mannen: verlaagde testosteronproductie
- Haaruitval
- Slecht
humeur, depressies
- Pijn
in de mondholte
- Ontsteking
en zwelling van de speekselklieren
- Spierslapte
- Diffuse
pijnen
- Nierbeschadiging/urineweginfecties
- Pijnlijke
handen
- Droge
en schilferige huid
|
|
| Lichamelijke
gevolgen Binge-eating disorder |
|
| |
|
- Gewrichtspijn
- Rugpijn
- Slechtere
conditie
- Sneller
transpireren
- Slecht
slapen
- Kans
op hart-, vaatziekten en suikerziekte
|
|
| Diagnose |
|
| Het
vaststellen van een eetstoornis kan met behulp van de
volgende meetinstrumenten worden vastgesteld: |
|
| |
|
- Eating
Disorder Examination (Questionnaire) (EDE)(-Q)
- Eating
Disorder Evaluation Scale (EDES)
- Eating
Disorder Inventory (II) (EDI)(-II)
- Nederlandse
Vragenlijst voor Eetgedrag (NVE)
- Anorectic
Behaviour Observation Scale (ABOS)
|
|
| Daarnaast
kan er ook gebruik gemaakt worden van de BMI index. BMI
(of ook Quetelet index) staat voor Body Mass Index
en is een maat voor je gewicht, gegeven je lengte. |
|
| |
|
| Behandeling |
|
| De
behandeling van eetstoornissen kan heel verschillend zijn.
Met name rondom de behandeling van anorexia zijn er nog
maar weinig grootschalige gecontroleerde studies gedaan
over het effect van de behandeling. De behandeling van
anorexia en boulimia zijn op een aantal punten identiek. |
|
| |
|
| Overeenkomsten
behandeling anorexia en boulimia |
|
| Wat
ze gemeen hebben is dat beide eetstoornissen behandeld
kunnen worden door bijvoorbeeld de Cognitieve Gedragstherapie
(CGT), Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT) en Eye Movement
Desentization and Reprocessing (EMDR), aangevuld met non-verbale
therapieën (creatieve therapie en psychomotorische
therapie), voedingsmanagement en sociale vaardigheidstraining/assertiviteitstraining.
Dit alles eventueel in combinatie met medicatie. |
|
| |
|
| Verschil
behandeling anorexia en boulimia |
|
| Bij
het behandelen van anorexia wordt ook gebruik gemaakt
van andere methoden, zoals: de psychodynamische therapie,
cognitieve analytische therapie en gezinsgesprekken. |
|
| |
|
| Behandeling
Binge-eating disorder |
|
| De
behandeling van Binge-eating disorder kan uit een aantal
onderdelen bestaan, te weten: medicatie, voedingsmanagement,
creatieve therapie, sociale vaardigheidstraining en psychomotorische
therapie. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van psychologische
interventies, zoals: Cognitieve Gedragstherapie (CGT),
Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT), psycho-educatie,
motiverende interventies en cue exposure. |
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Kenniscentrum
Eetstoornissen Nederland |
|
| Startpagina
Eetstoornis |
|
| Stichting
Anorexia en Boulimia Nervosa (SABN) |
|
| |
|
| |
|
| Bron:
Folder: "In gevecht met je lichaam over anorexia
en boulimia nervosa" van de Stichting Anorexia en
Boulimia Nervosa en de website binge-eating-disorder.is
onbekend.nl |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Verslaving |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| De
meeste mensen gebruiken wel eens middelen, zoals alcohol,
tabak, cannabis, kalmerende medicijnen of slaapmiddelen.
Hierdoor kan men zich prettiger, zelfverzekerder of meer
ontspannen voelen. Ook kan men het gevoel hebben er meer
bij te horen of het samen gezelliger te hebben. Zo lang
er sprake is van matig gebruik, hoeft er nog niets ernstigs
aan de hand te zijn. Signalen van een beginnende verslaving
zijn: bij herhaling meer gebruiken dan voorgenomen, drang
hebben om te gebruiken en gebruiken om problemen te verlichten.
Als men meer gebruikt dan men wil, niet kan stoppen, het
gebruik niet meer in de hand heeft, als men een groot
deel van de dag bezig is met het gebruik, dan spreken
we van verslaving. |
|
| |
|
| Fasen
van verslaving |
|
| Aan
verslaving gaat een proces vooraf, dat wordt gekenmerkt
door een viertal fasen. Hoe snel de fasen doorlopen worden
is onder andere afhankelijk van het middel en van de leefomstandigheden
waarin iemand verkeert. Bij heroïne gaat dit in het
algemeen sneller dan bij alcohol. Ook gaat het sneller
wanneer men verkeert in een omgeving waarin middelengebruik
normaal is. Het proces van verslaving wordt in vier fasen
beschreven, te weten: |
|
| |
|
- Experimenteerfase;
- Fase
van sociaal of geïntegreerd gebruik;
- Fase
van overmatig en schadelijk gebruik;
- De
verslavingsfase.
|
|
| Experimenteerfase |
|
Meestal
begint het, vaak op jonge leeftijd met experimenteel gebruik:
uit nieuwsgierigheid probeert men een bepaald middel uit.
|
|
| |
|
| Fase
van sociaal of geëntegreerd gebruik |
|
| De
gebruiker zoekt de positieve effecten van het middel en
weet dit in zijn leven in te passen zonder dat men er
last van heeft. |
|
| |
|
| Fase
van overmatig en schadelijk gebruik |
|
Het
gebruik krijgt een steeds grotere rol in het dagelijks
leven. Men gebruikt niet alleen om zich lekker te voelen,
maar ook om spanningen en onlust te verdrijven.
|
|
| |
|
| De
verslavingsfase |
|
| In
deze fase wordt vrijwel het hele leven door gebruik beheerst.
Er zijn schadelijke gevolgen op lichamelijk, psychisch
en sociaal gebied. |
|
| |
|
| Verschijnselen |
|
De
verschijnselen hebben betrekking op drie gebieden, te
weten:
|
|
| |
|
- Psychisch;
- Lichamelijk;
- Sociaal.
|
|
Psychisch |
|
| Er
bestaat een onweerstaanbare behoefte aan het middel (hunkering
of zucht). Men heeft het gevoel dat men het middel nodig
heeft en verlangt terug naar het effect. Men is in denken
en doen continu bezig met het middel. Tegelijkertijd wordt
het overmatige gebruik nogal eens ontkend en verheimelijkt.
Naast deze directe verschijnselen gaat verslaving regelmatig
gepaard met symptomen als angst, depressie en verwardheid.
Steeds sterker naar een middel verlangen en zich eigenlijk
niet meer prettig kan voelen zonder, wijst op het bestaan
geestelijke afhankelijkheid. |
|
| |
|
| Lichamelijk |
|
| De
gebruiker kan tolerantie ontwikkelen ten opzichte van
het middel. Dit betekent dat men steeds meer nodig heeft
om eenzelfde effect te bereiken. Het lichaam kan zo gewend
raken aan het regelmatige gebruik dat het niet meer zonder
kan. Bij staken van het middel ontstaan onaangename onthoudings-
of ontwenningsverschijnselen: trillen, transpireren, misselijkheid,
spierpijn, angst, prikkelbaarheid en rusteloosheid. Deze
verschijnselen verdwijnen als opnieuw gebruikt wordt.
Onttrekkingsverschijnselen wijzen op het op het bestaan
van een zogenaamde lichamelijke afhankelijkheid. Tolerantie
en onthoudingsverschijnselen treden met name op bij overmatig
gebruik van alcohol en opiaten. Het willen vermijden van
die verschijnselen vormt vaak een belangrijke reden om
met het gebruik door te gaan. |
|
| |
|
| Sociaal |
|
| Omdat
de gebruiker niet meer goed functioneert, kunnen problemen
met de omgeving (partner, gezin, familie en vrienden)
en op het werk ontstaan. Aan de ene kant beperkt de gebruiker
zijn bestaan steeds meer tot die personen en die situaties
die direct te maken hebben met het verkrijgen van het
middel; aan de andere kant nemen mensen uit de omgeving
vaak veroordelend afstand van de gebruiker. |
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
Er
is niet één oorzaak aan te wijzen voor het
ontstaan van een verslaving. Meerdere factoren spelen
daarbij een wisselende rol:
|
|
| |
|
| Biologisch |
|
Erfelijkheid
kan een rol spelen. Dat betekent dat sommige mensen door
hun erfelijke aanleg een verhoogde kans hebben verslaafd
te worden.
|
|
| |
|
| Psychologisch |
|
Bepaalde
psychische problemen maken iemand kwetsbaarder voor het
ontwikkelen van een verslaving. Door het gebruik van een
middel kan iemand het gevoel krijgen een ingewikkelde
situatie beter de baas te kunnen, hetgeen de verslaving
in de hand werkt.
|
|
| |
|
| Sociaal |
|
| De
situatie of omgeving zoals het gezin of de werkplek kan
het gebruik van middelen sterk beïnvloeden. Bij mensen
uit een gezin waar fors gebruik van middelen normaal is,
is de kans groter dat zij zelf ook eerder tot overmatig
gebruik komen. Jongeren
spiegelen zich in hun middelengebruik vaak aan die leeftijdgenoten
bij wie zij graag willen horen. Zo is XTC-gebruik sterk
verbonden met jongeren, die houseparty's bezoeken. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV-TR zegt het volgende over de stoornissen die ontstaan
ten gevolge van verslaving: |
|
|
|
| 1.
De stoornissen in het gebruik van een middel: |
|
|
|
| 2.
De stoornissen door het gebruik van een middel: |
|
- intoxicatie/vergiftiging
- onthouding
-
delirium
- volhardende
dementie
-
volhardende amnestische stoornis (geheugenstoornis)
-
stemmingsstoornis
-
angststoornis (opvallende angst, paniekaanvallen,
dwanggedachten of dwanghandelingen door een middel)
-
seksuele stoorissen
-
slaapstoornis
|
|
| Afhankelijkheid
van een middel |
|
| Een
patroon van onaangepast gebruik van een middel dat duidelijke
beperkingen of lijden veroorzaakt zoals blijkt uit drie
(of meer) van de volgende, die zich op een willekeurig
moment in dezelfde periode van twaalf maanden voordoen:
|
|
| |
|
| 1.Tolerantie
gedefinieerd door ten minste één van de
volgende: |
|
| |
|
a.
een behoefte aan duidelijk toenemende hoeveelheden
van het middel om een intoxicatie of de gewenste werking
te bereiken
b. een duidelijk verminderd effect bij voortgezet
gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel
|
|
| 2.
Onthouding zoals blijkt uit ten minste één
van de volgende: |
|
| |
|
a.
het voor het middel karakteristieke onthoudingssyndroom
b. hetzelfde (of een nauw hiermee verwant) middel
wordt gebruikt om onthoudingsverschijnselen te verlichten
of te vermijden
|
|
| 3.
Het middel wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende
een langere tijd gebruikt dan het plan was |
|
| |
|
| 4.
Er bestaat de aanhoudende wens of er zijn weinig succesvolle
pogingen om het gebruik van het middel te verminderen
of in de hand te houden |
|
| |
|
| 5.
Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten nodig
om aan het middel te komen (bijvoorbeeld verschillende
artsen bezoeken of grote afstanden afleggen), het gebruik
van het middel (bijvoorbeeld kettingroken), of aan het
herstel van de effecten ervan |
|
| |
|
| 6.
Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding
worden opgegeven of verminderd vanwege het gebruik van
het middel |
|
| |
|
| 7.
Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks
de wetenschap dat er een hardnekkig of terugkerend sociaal,
psychisch of lichamelijk probleem is dat waarschijnlijk
veroorzaakt of verergerd wordt door het middel (bijvoorbeeld
actueel cocaïne gebruik ondanks het besef dat een
depressie door cocaïne veroorzaakt wordt of doorgaan
met het drinken van alcohol ondanks het besef dat een
maagzweer verergerde door het alcoholgebruik) |
|
| |
|
| Misbruik
van een middel |
|
| A.
Een patroon dat het onaangepaste gebruik van een middel
dat duidelijke beperkingen of lijden veroorzaakt, zoals
in een periode van twaalf maanden blijkt uit ten minste
een (of meer) van de volgende: |
|
| |
|
- Herhaaldelijk
gebruik van het middel met als gevolg dat het niet
meer lukt om in belangrijke mate verplichtingen op
het werk, school of thuis (bijvoorbeeld herhaaldelijk
absent of slecht werk afleveren in samenhang met het
gebruik van het middel; met het middel samenhangende
absentie, schorsing of verwijdering van school; verwaarlozing
van kinderen of het huishouden)
-
Herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties
waarin het fysiek gevaarlijk is (bijvoorbeeld autorijden
of bedienen van een machine als men onder invloed
van het middel is)
-
Herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking
komen met justitie (bijvoorbeeld aanhouding wegens
verstoring van de openbare orde in samenhang met het
middel)
-
Voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende
of terugkerende problemen op sociaal of intermenselijk
terrein veroorzaakt of verergert door de effecten
van het middel (bijvoorbeeld ruzie met de echtgenoot
over de gevolgen van de intoxicatie/vergiftiging,
vechtpartijen)
|
|
| B.
De verschijnselen hebben nooit voldaan aan de criteria
van afhankelijkheid van een middel uit deze groep middelen
|
|
| |
|
| Intoxicatie/vergiftiging
door een middel |
|
A.
Het ontstaan van een omkeerbaar middel-specifiek syndroom
als gevolg van recent gebruik van (of blootstelling aan)
een middel NB: Verschillende middelen
kunnen vergelijkbare of identieke syndromen veroorzaken
|
|
| |
|
| B.
Gedrags- of psychische veranderingen |
|
| |
|
| C.
De symptomen zijn niet het gevolg van een lichamelijke
aandoening en zijn niet eerder toe te schrijven aan een
andere psychische stoornis |
|
| |
|
| Onthouding
van een middel |
|
| A.
De ontwikkeling van een middel-specifiek syndroom als
gevolg van het staken (of verminderen) van het gebruik
van het middel dat daarvoor aanzienlijk en van lange duur
is geweest. |
|
| |
|
B.
Het middel-specifieke syndroom veroorzaakt duidelijk lijden
of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren
of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
|
|
| |
|
| C.
De symptomen zijn niet het gevolg van een lichamelijke
aandoening en zijn niet eerder toe te schrijven aan een
andere psychische stoornis. |
|
| |
|
| Diagnose |
|
| Verslavingsproblematiek
stelt men vast aan de hand van de door de DSM-IV gestelde
criteria. |
|
| |
|
| Behandeling |
|
Hoe
langer de verslaving duurt, hoe moeilijker de behandeling
is. Vaak mislukken een aantal behandelpogingen. De belangrijkste
voorwaarde voor een geslaagde behandeling is de eigen
wens om het gebruik te veranderen. Omdat een verslaving
hardnekkig is, is volhouden van de behandeling moeilijk.
Omdat
een verslaving meestal gepaard gaat met lichamelijke,
psychische en sociale problemen, moeten die problemen
ook worden behandeld. Meestal worden belangrijke mensen
uit de omgeving (partner,familie) bij de behandeling betrokken.
Een dergelijke gecombineerde behandeling geeft het beste
resultaat. Bij een verslaving begint de behandeling vaak
met een detoxificatie ofwel ontgifting. Dit is het onder
begeleiding staken van het middel. Waar nodig worden onthoudingsverschijnselen
en andere klachten beperkt met behulp van medicijnen.
Vaak is pas na ontgifting goede diagnostiek mogelijk,
met name ten aanzien van bijkomende andere psychische
aandoeningen. Tevens kan, meestal pas na ontgifting, bekeken
worden hoe de verdere behandeling er uit moet zien. Specialisten
op het gebied van verslavingszorg werken in instellingen
voor ambulante verslavingszorg (voorheen Consultatiebureau
voor Alcohol en Drugs (CAD)) en klinieken voor verslavingszorg.
Tevens zijn er voor diverse verslavingen zogenaamde zelfhulpgroepen
zoals de Alcohol Anonymous (AA) en Gambling Anonymous
(GA). Kern van de boodschap van deze groepen is dat je
verslaafd bent en verslaafd blijft, ook al drink je geen
druppel alcohol meer of gooi je geen euro meer in de gokkast.
Het enige dat je kunt doen is gewoon totaal stoppen met
gokken of het drinken van alcohol. Deelnemers aan deze
groepen leren dat ze nooit meer, op welke wijze ook, de
'genoegens' van alcohol drinken of gokken kunnen ervaren,
omdat zij daar nooit meer mee om zullen kunnen gaan.
|
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Kenniscentrum
Verslaving |
|
| Startpagina
Verslaving I |
|
| Startpagina
Verslaving II |
|
| |
|
| |
|
| Bron:
Hulpgids |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Pervasieve
ontwikkelingsstoornissen (autismespectrumstoornis) |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere soorten pervasieve ontwikkelingsstoornissen
(autismespectrumstoornis) kent, springt niet een specifieke
autistische stoornis eruit waarbij zelfbeschadiging bij
voorkomt. Zelfbeschadiging wordt soms bij het hele spectrum
gezien. |
|
| |
|
| Autismespectrumstoornis |
|
| Een
autismespectrumstoornis wordt beschouwd als een ontwikkelingsstoornis
met een neurobiologische oorzaak. De hersenen van mensen
met autisme functioneren daardoor anders. |
|
| |
|
| Bij
autisme wordt vaak gesproken over mensen die passen binnen
het ‘spectrum van autisme’. Hiermee wordt
bedoeld dat elk mens en kind met autisme uniek is. Zo
bestaan er dus niet twee personen met deze stoornis die
precies hetzelfde ziektebeeld hebben. Wel hebben zij een
aantal overlappende gedragskenmerken, die binnen de waaier
vallen van wat we autisme noemen. |
|
| |
|
Soms
wordt ook gesproken van een zogenaamde Pervasieve Ontwikkelingsstoornis.
Dit betekent dat de stoornis invloed heeft op de gehele
ontwikkeling van de mens of het kind. Wanneer iemand binnen
het spectrum valt van autistische stoornissen zijn er
bijzonderheden in het gedrag op drie gebieden:
|
|
| |
|
- Minder
goed sociaal contact kunnen maken
- Minder
goed kunnen praten of communiceren
- Minder
de fantasie gebruiken
- Een
star patroon van zich herhalende, typische bezigheden
|
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| De
oorzaken van een autismespectrumstoornis zijn nog niet
volledig bekend. Er wordt verondersteld dat erfelijkheid
een rol speelt en dat er meerdere genen betrokken zijn.
Ook zijn er aanwijzingen voor structurele afwijkingen
in de hersenen van mensen met autisme. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over pervasieve
ontwikkelingsstoornissen (autistische spectrum stoornissen): |
|
| |
|
| Autistische
stoornis |
|
| A.
Een totaal van zes (of meer) items van (1), (2) en (3)
met ten minste twee van (1), en van (2) en (3) elk één: |
|
| |
|
1.
kwalitatieve beperkingen in de sociale interacties zoals
blijkt uit ten minste twee van de volgende:
|
|
| |
|
a.
duidelijke stoornissen in het gebruik van verschillende
vormen van nonverbaal ge drag, zoals oogcontact, gelaatsuitdruk
king, lichaamshoudingen, en gebaren om de sociale
interactie te bepalen
b. er niet in slagen met leeftijdgenoten tot re laties
te komen, die passen bij het ontwik kelingsniveau
c. tekort in het spontaan proberen met ande ren plezier,
bezigheden of prestaties te de len (bijvoorbeeld het
niet laten zien, bren gen of aanwijzen van voorwerpen
die van betekenis zijn)
d. afwezigheid van sociale of emotionele we derkeringheid
|
|
| 2.
kwalitatieve beperkingen in de communicatie zoals blijkt
uit ten minste één van de volgen de: |
|
| |
|
a.
achterstand in of volledige afwezigheid van de ontwikkeling
van de gesproken taal (niet samengaarnd met een poging
dit te compenseren met alternatieve communicatiemiddelen
zoals gebaren of mimiek)
b. bij individuen met voldoende spraak duidelijke
beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen
te beginnen of te on derhouden
c. stereotiep en herhaald taalgebruik of eigenaardig
woordgebruik
d. afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel
(doen-alsof spelletjes’) of sociaal imiterend
spel (nadoen’ spelletjes) passend bij het ontwikkelingsniveau
|
|
3.
beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag,
belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit ten minste
één van de volgende:
|
|
| |
|
a.
sterke preoccupatie met één of meer
stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling
die abnormaal is ofwel in intensiteit ofwel in richting
b. duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele
routines of rituelen
c. stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen
(bijvoorbeeld fladderen of draaien met hand of vingers
of complexe bewegingen met het hele lichaam)
d. aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen
|
|
| |
|
| B.
Achterstand in of abnormaal functioneren op tenminste
één van de volgende gebieden met een begin
voor het derde jaar: (1) sociale interacties, (2) taal
zoals te gebruiken in sociale communicatie, of (3) symbolisch
of fantasiespel. |
|
| |
|
C.
De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan de stoornis
van Rett of een desintegratiestoornis van de kinderleeftijd.
|
|
| |
|
| Stoornis
van Rett |
|
| A.
Alle volgende: |
|
| |
|
- duidelijk
normale prenatale en perinatale ontwikkeling
- duidelijk
normale psychomotore ontwikkeling gedurende de eerste
vijf maanden na de geboorte
- normale
schedelomvang bij de geboorte
|
|
| B.
Begin van alle volgende, na de periode van normale ontwikkeling: |
|
|
|
- afname
van de schedelgroei tussen de leeftijd van vijf maanden
en 48 maanden
-
verlies van eerder verworven doelgerichte handvaardigheden
tussen de leeftijd van vijf maanden en dertig maanden
met de hierop volgende ontwikkeling van stereotiepe
handbewegingen (bijvoorbeeld handen wringen of ‘handenwassen’)
-
verlies van sociale betrokkenheid vroeg in het beloop
(hoewel sociale interactie zich later wel ontwikkelt)
-
optreden van een slechte coördinatie van het
lopen of de bewegingen van de romp
-
ernstige beperkingen in de ontwikkeling van de expressieve
en receptieve taal met ernstige psychomotorische achterstand
|
|
| Desintegratiestoornis
van de kinderleeftijd |
|
| A.
Een duidelijk normale ontwikkeling gedurende ten minste
de eerste twee jaar na de geboorte, zo als blijkt uit
de aanwezigheid van bij de leeftijd passende verbale en
nonverbale communicatie, sociale relaties, spel en aanpassingsgedrag. |
|
| |
|
| B.
Aanzienlijk verlies van voorheen verworven vaar digheden
(voor het tiende jaar) op ten minste twee van de volgende
terreinen |
|
| |
|
- expressieve
en receptieve taal
- sociale
vaardigheden en aanpassingsgedrag
-
zindelijkheid voor urine en ontlasting
- spel
-
motorische vaardigheden
|
|
| C.
Afwijkingen in het functioneren op ten minste twee van
de volgende terreinen: |
|
| |
|
- kwalitatieve
beperkingen in sociale interacties (bijvoorbeeld beperkingen
van het nonverbale gedrag, er niet in slagen relaties
met leeftijd genoten te ontwikkelen, gebrek aan sociale
en emotionele wederkeringheid)
- kwalitatieve
beperkingen van de communica tie (bijvoorbeeld achterstand
in of afwezigheid van gesproken taal, onvermogen een
gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden,
stereotiep en zich herhalend taalgebruik, af wezigheid
van fantasiespel (‘doen-alsof’ spelletjes))
-
beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen
van gedrag, belangstelling en activiteiten, waartoe
ook behoren motorische stereotypieën en maniërismen
|
|
| D.
De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een andere
specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie. |
|
| |
|
| Stoornis
van Asperger |
|
| A.
Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals
blijkt uit ten minste twee van de volgende: |
|
| |
|
- duidelijke
stoornissen in het gebruik van veel voudig nonverbaal
gedrag zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshoudingen
en ge baren om de sociale interactie te bepalen
-
er niet in slagen met leeftijdgenoten tot bij het
ontwikkelingsniveau passende relaties te komen
-
tekort in het spontaan proberen met anderen plezier,
bezigheden of prestaties te delen (bij voorbeeld het
niet laten zien, brengen of aan wijzen van voorwerpen
die van betekenis zijn)
-
afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid
|
|
| B.
Beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van
gedrag, belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit
ten minste één van de volgende: |
|
| |
|
- sterke
preoccupatie met één of meer stereotiepe
en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal
is in ofwel intensiteit of aan dachtspunt
-
duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet functionele
routines of rituelen
- stereotiepe
en zich herhalende motorische maniërismen (bijvoorbeeld
fladderen of draaien met hand of vingers of complexe
bewegingen met het hele lichaam)
-
aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen
|
|
| C.
De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren
op andere belangrijke terreinen. |
|
| |
|
| D.
Er is geen duidelijke algemene achterstand in taalontwikkeling
(bijvoorbeeld het gebruik van enkele woorden op de leeftijd
van twee jaar, communicatieve zinnen op de leeftijd van
drie jaar). |
|
| |
|
| E.
Er is geen duielijke achterstand in de cognitieve ontwikkeling
of in de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden
om zichzelf te helpen, gedragsmatig aanpassen (anders
dan bin nen sociale interacties) en nieuwsgierigheid over
de omgeving. |
|
| |
|
| F.
Er is niet voldaan aan de criteria van een andere specifieke
pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie. |
|
| |
|
| Pervasieve
ontwlkkelingsstoornis Niet Anderszins Omschreven |
|
| Deze
categorie moet gebruikt worden als er een ernstige en
pervasieve beperking is in de ontwikkeling van de wederkerige
sociale interactie of van de verbale en nonverbale communicatieve
vaardigheden, of als stereotiep gedrag, interesses en
activiteiten aanwezig zijn, terwijl niet voldaan wordt
aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkellingsstoornis,
schizofrenie, schizotypische persoonlijkheidsstoornis
of ontwijkende persoonlijkheids stoornis. Zo behoren tot
deze categorie ook de ‘atypische autisme’
beelden die niet voldoen aan de criteria van de autistische
stoornis vanwege een begin op latere leeftijd, atypische
symptomatologie of te weinig symptomen of deze allemaal. |
|
| |
|
| Diagnose |
|
De
diagnose ‘autismespectrumstoornis’ (een verzamelnaam
voor alle vormen van autisme) wordt niet zomaar gesteld.
Hiervoor wordt een diagnostisch onderzoek doorlopen, waarbij
alle stadia van de volwassenen of kinds ontwikkeling aan
bod komen.
|
|
| |
|
| Diagnostisch
onderzoek bij kinderen en jeugdigen |
|
- Anamnesegesprek
- Spelkameronderzoek
- Schoolobservatie
- Intelligentieonderzoek/niveaubepaling
- Psychiatrischonderzoek
- Psychologisch
onderzoek
- Neuropsychologisch
onderzoek
- Lichamelijk
onderzoek
|
|
| Diagnostisch
onderzoek bij volwassenen |
|
- Ontwikkelingsanamnese
- Individuele
gesprekken en tests
- Heteroanamnese
bij partner of goede bekende
- Psychiatrisch
onderzoek
- Psychologisch
onderzoek
- Neuropsychologisch
onderzoek
- Lichamelijk
onderzoek
|
|
| Behandeling |
|
| Autisme
is een aandoening die niet te genezen is. Wel zijn er
gerichte behandelingen mogelijk. Hiermee worden de symptomen
van de stoornis beperkt. |
|
| |
|
| Het
behandelaanbod varieert van intensieve behandelmethodes
die zijn gericht op het verminderen van gedragsproblemen,
tot behandelingen om nieuwe vaardigheden aan te leren.
De eerste stap in de behandeling is het optimaliseren
van de omgeving van de cliënt. Daarna worden vaardigheden
geoefend en aangeleerd. |
|
| |
|
| Algemeen
behandelingsbeleid |
|
- Vermindering
van de draaglast van het gezin. Vroegtijdige onderkenning
is van essentieel belang. In elk behandelingsplan
moeten de ouders worden betrokken. Informatie over
de stoornis is belangrijk, zodat ouders het gedrag
van hun kind leren begrijpen om er goed mee om te
kunnen gaan. Ouderbegeleiding en hometraining spelen
hier op in;
-
Verbetering van het algehele functioneren van het
kind. Communicatie, socialisatie, spel, motoriek e.a.
behoeven specifieke en individuele aandacht;
-
Vermijden sociale druk. Een cliënt met autisme
wordt vaak rustiger als ze kunnen ontsnappen aan sociale
druk, op geregelde tijden alleen kunnen zijn.
|
|
Er
is nog weinig bekend over de effecten van behandelingsmethoden,
van lange termijn onderzoek is nog nauwelijks sprake.
Evaluaties van diverse onderzoeken hebben (nog) geen succesvolle
behandelingsmethode opgeleverd. Wel is bekend dat een
behandeling in het leven van alledag, de meeste vooruitgang
bewerkstelligt. Een aangepast leefmilieu waarin structuur,
duidelijkheid en voorspelbaarheid centraal staan, leidt
tot verbetering van zowel het gedrag als de ontwikkeling.
In gezinnen, in dagverblijven, op scholen voor speciaal
onderwijs, in internaten enzovoort, worden de principes
van structuur en voorspelbaarheid middels visualisering
sterk doorgevoerd. Een kind, adolescent of volwassene
met een autismespectrumstoornis moet "blindelings"
zijn weg kunnen vinden. Hij moet de voorspelbaarheid uit
zijn omgeving kunnen putten. In het reguliere zorgaanbod
kunnen verschillende behandelingen of trainingen worden
geboden.
|
|
| |
|
| De
rol van de medicatie bij de behandeling van autisme is
beperkt. Er zijn geen geneesmiddelen bekend die belangrijke
verbeteringen teweegbrengen of de basale tekorten bij
autisme aanpakken. Wel kunnen ze sommige symptomen verlichten
of gedragingen verbeteren. Het onderzoek naar de effectiviteit
van geneesmiddelen bij autisme is moeilijk te beoordelen,
omdat geen eenduidige gedragsschalen worden gebruikt ter
evaluatie, de onderzochte groepen weinig overeenstemmen
en gering van omvang zijn. |
|
| |
|
| Alternatieve
vormen van therapie |
|
| Vanuit
een visie op de autistische stoornis zelf of op het kind
met een autistische stoornis: |
|
- Holding
therapie
-
Son-Rise Programma (Kaufmanmethode of Optionmethode)
|
|
| |
|
| Therapieën
gericht op bepaalde gedragsaspecten: |
|
- Auditieve
Integratie Therapie (AIT)
-
Tomatistherapie
-
Facilitated Communication
|
|
| |
|
| Therapieën
gericht op stimulering van de hersenen: |
|
- Doman
en Delcatio therapie
-
Brain Stimulated Method (BSM)
-
Neuro Emotionele Integratie (NEI)
-
Zintuiglijke Hiërarchie (van Soest therapie)
|
|
| Voor
meer informatie |
|
| Startpagina
Autisme |
|
| Autismefonds
|
|
| Autisme
info centrum |
|
| Nederlandse
Vereniging voor Autisme (NVA) |
|
| Personen
uit het Autisme Spectrum (PAS) |
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
|
| |
|
| Attention-Deficit/Hyperactivity
Disorder (ADHD) |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere soorten aandachtstekortstoornissen
kent, is het doorgaans de
Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder die soms
samen wordt gezien met zelfbeschadiging. |
|
| |
|
| Attention-Deficit/Hyperactivity
Disorder |
|
ADHD
is de afkorting van de Engelse term voor aandachtstekort-stoornis
met hyperactiviteit (Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder).
Kinderen met ADHD zijn rusteloos, impulsief en kunnen
zich moeilijk concentreren.Vroeger
werd ADHD ook wel MBD (Minimal Brain Dysfunction) genoemd.
|
|
| |
|
| Men
onderscheid drie groepen: |
|
- Bij
het onoplettende type is er vooral sprake van ernstige
en aanhoudende aandachtszwakte;
- Bij
het hyperactief/impulsieve type is er vooral sprake
van ernstige en aanhoudende impulsiviteit en hyperactiviteit;
- Bij
het gecombineerde type komen beide soorten problemen
samen voor. Dit type ADHD komt het meeste voor.
|
|
| ADHD
komt het meest voor bij kinderen tussen 4 en 16 jaar.
Lange tijd werd ADHD gezien als een psychische stoornis
van kinderen. Maar ook volwassen hebben ADHD. Dat zijn
dan volwassenen hebben ook in hun jeugd verschijnselen
van ADHD gehad. Deze volwassenen hebben minder last van
hyperactief gedrag, maar vooral last van concentratieproblemen
en innerlijke onrust. Ze kunnen chaotisch en rusteloos
zijn, komen nogal eens te laat op afspraken, praten druk
en veranderen vaak van baan. |
|
| |
|
ADHD
komt vaak samen voor met opstandig of agressief gedrag,
waardoor het soms lastig is om ADHD vast te stellen. Bij
jongens is dat vaker het geval dan bij meisjes.
|
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| De
oorza(a)k(en) van AD(H)D is/zijn nog steeds niet helemaal
bekend. Aan het begin van de 21e eeuw wordt AD(H)D evenwel
meestal als een neurobiologische stoornis beschouwd: er
zijn steeds sterker aanwijzingen dat genetisch/biologische
factoren een sleutelrol spelen, met name een tekort aan
(en/of onevenwicht in de aanwezigheid van) twee neurotransmitters
in de hersenen: dopamine en noradrenaline. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over Attention-Deficit/Hyperactivity
Disorder : |
|
| |
|
| A.
Ofwel (1), ofwel (2): |
|
| |
|
1.
zes (of meer) van de volgende symptomen van aandachtstekort
zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest
in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
|
|
| |
|
| Aandachtstekort |
|
a.
slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven
aan details of maakt achteloos fouten in schoolwerk,
werk of bij andere activiteiten
b. heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel
te houden
c. lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct
aangesproken wordt
d. volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak
niet in schoolwerk, karweitjes af te maken of verplichtingen
op het werk na te komen (niet het gevolg van .oppositioneel
gedrag of van het onvermogen om aanwij zingen te begrijpen)
e. heeft vaak moeite met het organiseren van taken
en activiteiten
f. vermijdt vaak, heeft een afkeer van of is onwillig
zich bezig te houden met taken die een langdurige
geestelijke inspanning vereisen (zoals school- of
huiswerk)
g. raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken
of bezigheden (bijvoorbeeld speelgoed, huiswerk, potloden,
boeken of gereedschap)
h. wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uit wendige
prikkels
i. is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezig heden
|
|
| 2.
zes (of meer) van de volgende symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit
zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest
in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
|
|
| |
|
| Hyperactiviteit |
|
a.
beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait
in zijn stoel
b. staat vaak op in de klas of in andere situaties
waar verwacht wordt dat men op zijn plaats blijft
zitten
c. rent vaak rond of klimt overal op in situaties
waarin dit ongepast is (bij adolescenten of volwassenen
kan dit beperkt zijn tot subjectieve gevoelens van
rusteloosheid)
d. kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden
met ontspannende activiteiten
e. is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft
maar door’
f. praat vaak aan een stuk door
|
|
| Impulsiviteit |
|
g.
gooit het antwoord er vaak al uit voordat de vragen
afgemaakt zijn
h. heeft vaak moeite op zijn/haar beurt te wachten
i.
verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich
op (bijvoorbeeld mengt zich zomaar in gesprekken of
spelletjes)
|
|
B.
Enkele symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit of
onoplettendheid die beperkingen veroorzaken waren voor
het zevende jaar aanwezig.
|
|
| |
|
C.
Enkele beperkingen uit de groep symptomen zijn aanwezig
op twee of meer terreinen (bijvoorbeeld op school [of
werk] en thuis).
|
|
| |
|
| D.
De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren
op andere belangrijke terreinen. |
|
| |
|
E.
De symptomen komen niet uitsluitend voor in het beloop
van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie
of een andere psychotische stoornis en zijn niet eerder
toe te schrijven aan een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld
stemmingsstoornis, angststoornis, dissociatieve stoornis
of een persoonlijkheidsstoornis). |
|
| |
|
| Diagnose |
|
De
diagnose ADHD wordt in de dagelijkse praktijk vastgesteld
met behulp van een kort gestructureerd diagnostisch gesprek
met de ouders en het kind waarin de belangrijkste klachten
worden doorgenomen. In het algemeen wordt gesteld dat
voor de diagnostiek van ADHD zowel medische als psychosociale
deskundigheden vereist zijn.
|
|
| |
|
| Vragenlijsten
kunnen behulpzaam zijn bij het vaststellen van ADHD. In
de praktijk worden 2 typen vragenlijsten gebruikt: algemene
vragenlijsten gericht op psychische problemen bij kinderen
en adolescenten, en vragenlijsten specifiek gericht op
ADHD. |
|
| |
|
| Het
vaststellen van ADHD kan met behulp van de volgende meetinstrumenten
worden vastgesteld: |
|
| |
|
- Diagnostic
Interview Schedule for Children (DISC)
- Child
Behavior Checklist (CBCL)
- Conners
Rating Scales-Revised (CRS-R)
|
|
| Behandeling |
|
Voor
ADHD bestaan verschillende soorten behandeling. In Behandeling
met medicijnen en psychologische methoden worden ze nader
beschreven. Op grond van deze informatie kunnen de volgende
samenvattende conclusies worden getrokken:
|
|
- Alleen
de behandeling met medicijnen - met name de zogenaamde
psychostimulantia - is bewezen werkzaam. De onderlinge
verschillen tussen de psychostimulantia doen daarbij
niet ter zake
- Psychostimulantia
leiden niet tot genezing. Na het stoppen met de medicatie
treedt doorgaans snel terugval op
- Er
is onvoldoende goed opgezet vergelijkend onderzoek
naar stimulantia en antidepressiva
- Medicatie
helpt over het algemeen beter dan gedragstherapie
- Gedragstherapie
waarbij de ouders en leerkrachten van het kind worden
betrokken werkt beter dan de overige psychologische
behandelingen
- Er
is onvoldoende bewijs dat medicatie in combinatie
met gedragstherapie altijd beter helpt tegen de kernsymptomen
van ADHD dan alleen medicatie.Wel heeft de combinatietherapie
een groter effect op de sociale vaardigheden en is
de tevredenheid van de ouders groter
|
|
| Voor
meer informatie |
|
| Kenniscentrum
ADHD bij volwassenen |
|
| Startpagina
ADHD |
|
| Balans,
Landelijke organisatie van ouders van kinderen met leer-,
opvoedings- en gedragsstoornissen |
|
| Impuls,
Landelijke vereniging voor volwassenen met ADHD en aanverwante
stoornissen |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
|
| |
|
| Stoornis
in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven |
|
| |
|
| |
|
| Inleiding |
|
| Hoewel
het DSM-IV meerdere soorten stoornissen in de impulsbeheersing
kent, is het doorgaans de
Stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven
die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging.
|
|
| |
|
| Stoornissen
in de impulsbeheersing |
|
| Stoornissen
in de impulsbeheersing zijn een groep psychische aandoeningen
waarbij de persoon geen of weinig beheersing heeft van
zijn natuurlijke impulsen. Dit houdt in dat de persoon
zijn woede niet kan beheersen, niet kan stoppen met winkelen
of gokken, diefstal pleegt of zich de haren uittrekt.
Het is van belang om hierbij het verschil tussen dwang
en drang te zien. Er is bij stoornissen in de impulsbeheersing
primair geen sprake van dwangmatig gedrag (zoals bijvoorbeeld
bij een obsessief-compulsieve stoornis), maar van een
gebrek aan beheersing van eigenlijk alledaagse vormen
van aandrang of lust. Iedereen wordt wel eens kwaad, waagt
wel eens een gokje, vertoont agressie of is een beetje
jaloers op het bezit van een ander. Iedereen heeft echter
een ingebouwde 'rem' om te voorkomen dat er problemen
ontstaan door al te impulsief gedrag. Wie een stoornis
van de impulsbeheersing heeft, mist deze rem en is niet
in staat zijn impulsen in goede banen te leiden. Dit kan
zich uiten in een breed scala van symptomen. |
|
| |
|
| Het
DSM beschrijft de volgende aandoeningen in deze categorie: |
|
| |
|
- Kleptomanie
- Pathologisch
gokken
- Pyromanie
- Periodieke
explosieve stoornis
- Trichotillomanie
|
|
| Stoornis
in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven |
|
| Verder
vermeldt het DSM de restgroep Stoornis van de impulsbeheersing
Niet Anderszins Omschreven. Hieronder vallen stoornissen
die wel afwijkingen van de impulsbeheersing betreffen,
maar niet onder de bovenstaande ziektebeelden vallen. |
|
| |
|
| Ontstaansgeschiedenis |
|
| Over
de precieze oorzaken van het ontstaan van de stoornis
in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven is nog
maar weinig bekend en geschreven. Voor zover men weet
speelt een afwijking van het serotonerge systeem een belangrijke
rol in het ontstaan van impulsief gedrag met daarnaast
de opvoeding van het kind. |
|
| |
|
| Voorbeelden
en kenmerken |
|
| Het
DSM-IV zegt het volgende over de stoornis
in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven: |
|
| |
|
| Deze
categorie dient voor de stoornissen in de impulsbeheersing
die niet voldoen aan de criteria van enige specifieke
stoornis in de impulsbheersing of van een andere psychische
stoornis met kenmerken van impulsbeheersing. |
|
| |
|
| Aanvullende
kenmerken stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins
Omschreven |
|
- Onvermogen
om weerstand te bieden aan een impuls, ‘drive’of
drang tot een handeling die schadelijk is voor iemand
of anderen. Misschien of misschien niet is er bewuste
weerstand aan de impuls. De handeling is misschien
of misschien niet gepland
- Een
toenemend gevoel van spanning/ arousal (zowel lichamelijk
als psychologisch) voor het uitvoeren van de handeling
- Een
ervaring of een gevoel van lust, voldoening of opluchting
bij het uitvoeren van de handeling. De handeling is
niet in tegenspraak met de primaire, bewuste wens
van het individu. Direct na de handeling volgt er
misschien of misschien niet oprechte spijt, zelfverwijt
of schuld
|
|
| Diagnose |
|
| De
stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven
stelt men vast aan de hand van de door de DSM-IV gestelde
criteria. |
|
| |
|
| Behandeling |
|
De
behandeling bestaat meestal uit cognitieve gedragstherapie
en medicijnen. Bij gevaarlijke situaties kan opname in
een instelling voor de geestelijke gezondheidszorg nodig
zijn.
|
|
| |
|
| Voor
meer informatie |
|
| Op
dit moment bestaat er nog geen specifiek kenniscentrum
die zich richt op stoornissen in de impulsbeheersing.
Dit hangt nauw samen omdat er soms veel overlap bestaat
met andere psychiatrische aandoeningen waarbij het slecht
functioneren van impulsen als een begeleidend symptoom
wordt gezien. De psychiatrische aandoeningen die het betreffen
zijn: de antisociale- en de borderline persoonlijkheidsstoornis,
de manische depressie, de psychotische stoornis, verslaving,
boulimia nervosa en ADHD. Daarnaast wordt het slecht functioneren
van impulsen ook gezien bij de ziekte van Alzheimer en
het premenstrueel syndroom. |
|
| |
|
| |
|
|
|