Zelfbeschadiging.info
Een website voor cliënten, hulpverleners en belangstellenden
Home Zelfbeschadiging Medisch/EHBO/SEH Patiëntenrecht Externe bronnen Zelfbeschadiging.info

Diagnoses (DSM)

Hieronder volgt een overzicht van diagnoses waar zelfbeschadiging bij voor kan komen en in het DSM vermeld staan:  
   
   
Diagnosen die samen gezien kunnen worden met zelfbeschadiging:  
   
 

 

 
   
B-Cluster persoonlijkheidsstoornissen  
   
   
Inleiding  
   
Persoonlijkheidsstoornissen  
Persoonlijkheidsstoornissen worden soms ook wel 'ontwikkelingsstoornissen' genoemd. Hiermee wordt uitgedrukt dat in iemands ontwikkeling van jong kind tot volwassene reeds problemen aanwijsbaar zijn. Soms houden deze verband met duidelijke trauma's als vroege verlatingen of seksueel misbruik. Ook kunnen er moeilijke gezinsomstandigheden zijn die hebben geleid tot onvoldoende veiligheid, aandacht, begrenzing of begeleiding. Het gebeurt ook wel dat zulke duidelijk aanwijsbare redenen ontbreken, en dat mensen toch een sterke onvrede met zichzelf en/of anderen hebben. Bij nader onderzoek blijkt dan bijvoorbeeld dat iemand zich zo sterk aan zijn omgeving heeft aangepast, dat hij vervreemd is geraakt van de eigen behoeften en gevoelens. Met als negatieve gevolgen: een negatief gevoel over zichzelf, depressiviteit, moeite met intieme relaties, eenzaamheidsgevoelens en/of zich gemakkelijk buitengesloten voelen.  
   
Ontstaansgeschiedenis  
De oorzaak van het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis is niet aan te wijzen. Steeds is er sprake van een ingewikkeld samenspel van factoren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in:  
   

Biologisch

 
Mensen verschillen in aanleg, in temperament. De een wordt veeleer angstig, de ander somber. De een is erg gesloten, de ander juist extravert. Ons temperament krijgen we bij de geboorte mee. Ook kun je denken aan aanleg voor psychiatrische symptomen als depressie, ADHD, verslaving.  
   
Psychologisch  
Welke ervaringen doet iemand op, hoe werken deze door in iemands beleving van zichzelf en zijn omgeving, hoe is er door belangrijke anderen omgegaan met zijn 'eigenaardigheden' of temperament, en hoe heeft de persoon in kwestie daar weer op gereageerd?  
   
Sociaal  
Bij sociale factoren kan men denken aan sociaal-culturele omstandigheden, de inbedding van het gezin in de omgeving, de levensstandaard, gevolgen van emigratie en verschuivingen op de sociale ladder.  
   
Ontstaansgeschiedenis per type persoonlijkheidsstoornis  
   
Antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASPS)  
Biologisch  
Weliswaar is veel onderzoek gedaan naar de genetische basis van antisociaal gedrag, maar tot duidelijke conclusies heeft dat niet geleid. Mogelijk spelen de volgende factoren een rol:  
   
  • ADHD (aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit)
  • afwijkingen in het arousalniveau: minder gevoeligheid voor angst en pijn
  • onvoldoende ontwikkelde remming van impulsen
 

Verder is de kans op een ASPS groter als er een ouder is met een ASPS. Dit is enerzijds een biologisch verhoogd risico anderzijds een beïnvloeding door de omgeving.

 
   

Psychologisch

 
   
  • verwaarlozing (ook door onbegrensde verwennerij), onverschilligheid, kilheid, agressie van de opvoeders in de zeer vroege jeugd
  • gebrek aan begeleiding, sturing en correctie door de opvoeders kan de kans verhogen dat een gedragsstoornis overgaat in een ASPS
  • traumatische ervaringen, zoals verlatingen, misbruik of mishandeling
  • sterk in de schaduw staan van een broer of zus die bewonderd wordt en niets fout kan doen
 
Sociaal  
ASPS komt vaker voor in een bevolkingsgroep met een lage sociale economische status en in een grootstedelijke omgeving. Armoe, kleinbehuisd zijn en weinig sociale steun zijn risicofactoren.  
   
   
Borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS)  
Het gaat bijna altijd om een combinatie van factoren, waarbij elke factor een bijdrage kan leveren aan het ontstaan van BPS en de factoren elkaar versterken.  
   
Biologisch  
   
  • aanleg voor impulsiviteit en stemmingswisselingen, dit heeft mogelijk te maken met een stoornis in de serotonine huishouding. Serotonine zorgt voor de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen
  • een tekort aan vermogen hebben tot 'mentaliseren'. Mentalisatie kan als volgt worden omschreven: Een mentaal proces waarin iemand impliciet en expliciet het gedrag van de ander begrijpt als voortkomende uit gemoedstoestanden, zoals: verlangens, behoeften, gevoelens, geloof en reden. Het is een functie die in de voorste gedeelte van de hersenen is gelokaliseerd en helpt mensen zichzelf en anderen te begrijpen
 
Psychologisch  
Ingrijpende ervaringen in de jeugd zoals: emotionele verwaarlozing, een instabiele gezinssituatie, ervaringen van mishandeling en/of seksueel misbruik.  
   
Sociaal/maatschappelijk  
Het wegvallen van bepaalde sociale structuren (werk, vrienden, kerk, gezin enzovoort)  
   
   
Theatrale persoonlijkheidsstoornis  
Biologisch  
   
  • gevoeligheid van het zintuiglijk systeem (lage drempel voor binnenkomen van prikkels)
  • snelle activatie van het autonome zenuwstelsel
 
Psychologisch  
   
  • onregelmatige bevestiging en bekrachtiging in de vroege jeugd, door veel verschillende personen
  • een opvoedingsstijl met daarin: weinig kritiek of straf, positieve reacties op gedrag dat door de omgeving gewaardeerd werd en juist onregelmatigheid en onvoorspelbaarheid in de reacties op het kind
  • theatrale ouder als voorbeeldfiguur
  • veel concurrentie met broertjes en zusjes om de aandacht van de ouders
  • aantrekkelijke eigenschappen (uiterlijk of sociaal) die leiden tot veel aandacht en waardering waarvan het kind vervolgens afhankelijk wordt
 
   
Narcistische persoonlijkheidsstoornis (NPS)  
Over de precieze oorzaken van het ontstaan van de narcistische persoonlijkheidsstoornis is nog maar weinig bekend en geschreven. Voor zover men weet is er geen erfelijke factor bekend. Wel wordt gedacht dat ouders door de wijze van opvoeden soms kunnen bijdragen aan het gevoel van grandioos en bijzonder zijn van hun kind.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over B-Cluster persoonlijkheidsstoornissen:  
   
Antisociale persoonlijkheidsstoornis  
A. Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen vanaf het vijftiende jaar aanwezig, zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende:  
   
  1. niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn
  2. oneerlijkheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bezwendelen ten behoeve van eigen voordeel of plezier
  3. impulsiviteit of onvermogen 'vooruit te plannen'
  4. prikkelbaarheid en agressiviteit zoals blijkt uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging
  5. roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen
  6. constante onverantwoordelijkheid zoals blijkt uit het herhaaldelijk niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen
  7. ontbreken van spijtgevoelens, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst, mishandeld of bestolen te hebben
 
B. De leeftijd is ten minste achttien jaar.  
   
C. Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend voor het vijftiende jaar.  
   
D. Het antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie of manische episodes.  
   
   
Borderline persoonlijkheidsstoornis  
Een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en stemmingen in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende:  
   
  1. krampachtig proberen te voorkomen om feitelijk of vermeend in de steek gelaten te worden. N.B.: Reken hier niet het suïcidale of zelfbeschadigende gedrag toe, aangegeven in kenmerk 5.
  2. een patroon van instabiele en intense intermenselijke relaties gekenmerkt door wisselingen tussen overmatig idealiseren en kleineren
  3. identiteitsstoornis: duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel
  4. impulsiviteit op ten minste twee gebieden die in potentie betrokkene zelf kunnen schaden (bijvoorbeeld geld verkwisten, seks, misbruik van middelen, roekeloos autorijden, vreetbuien). N.B.: Reken hier niet het suïcidale of zelfbeschadigende gedrag toe, aangegeven in kenmerk 5.
  5. terugkerende suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen, of zelfbeschadiging
  6. stemmingswisselingen als gevolg van duidelijke reactiviteit van de stemming (bijvoorbeeld periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid of angst meestal enkele uren durend en slechts zelden langer dan een paar dagen)
  7. chronisch gevoel van leegte
  8. inadequate, intense woede of moeite kwaadheid te beheersen (bijvoorbeeld frequente driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijk vechtpartijen)
  9. voorbijgaande, aan stress gebonden achterdocht of ernstige dissociatieve verschijnselen
 
   
Theatrale persoonlijkheidsstoornis  
Een diepgaand patroon van buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende:  
   
  1. voelt zich niet op zijn/haar gemak in situaties waarin hij/zij niet in het centrum van de belangstelling staat
  2. de communicatie met anderen wordt vaak gekenmerkt door ongepast seksueel verleidelijk of uitdagend gedrag
  3. toont snel wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen
  4. maakt voortdurend gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht op zichzelf te vestigen
  5. heeft een manier van spreken die uitermate indrukwekkend is en waarbij details ontbreken
  6. toont zelfdramatiserende, theatrale en overdreven uitingen van emoties
  7. is suggestibel, dat wil zeggen gemakkelijk beïnvloedbaar door anderen of de omstandigheden
  8. beschouwt relaties als meer intiem dan deze in werkelijkheid zijn
 
   
Narcistische persoonlijkheidsstoornis  
Een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens (in fantasie of gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende:  
   
  1. heeft een opgeblazen gevoel van eigen belangstelling (bijvoorbeeld overdrijft eigen prestaties en talenten, verwacht als superieur erkend te worden zonder de erbij horende prestaties)
  2. is bezig met fantasieën over onbeperkte successen, macht, genialiteit, schoonheid of ideale liefde
  3. gelooft dat hij of zij 'heel speciaal' en uniek is en alleen begrepen kan worden door, of hoort om te gaan, met andere heel speciale mensen of mensen (of instellingen) met een hoge status
  4. verlangt buitensporige bewondering
  5. heeft een gevoel bijzondere rechten te hebben dat wil zeggen onredelijke verwachtingen van een uitzonderlijk welwillende behandeling of een automatisch meegaan met zijn of haar verwachtingen
  6. exploiteert anderen, dat wil zeggen maakt misbruik van anderen om zijn of haar eigen doeleinden te bereiken
  7. heeft gebrek aan empathie: is niet bereid de gevoelens van anderen te erkennen of zich ermee te vereenzelvigen
  8. is vaak afgunstig of meent dat anderen op hem of haar afgunstig zijn
  9. is arrogant of toont hooghartig gedrag of houdingen
 
Diagnose  
Het vaststellen van een persoonlijkheidsstoornis gebeurd in grote lijn in twee fasen:  
   
  1. Algemeen diagnostisch onderzoek;
  2. Persoonlijkheidsdiagnostisch onderzoek.
 
Algemeen diagnostisch onderzoek  
Hieronder vallen: eerste screening, psychiatrisch onderzoek, eventueel aanvullende intakegesprekken. Gesprekken of interviews met de cliënt vormen een belangrijk bestanddeel van het diagnostisch onderzoek. Vaak wordt ook een keer iemand uit de directe omgeving (partner, familielid en dergelijke) uitgenodigd voor een gesprek. De intaker of interviewer krijgt zo zicht op de belangrijkste klachten, eerdere hulpverlening, het psychische en sociale functioneren en de levensgeschiedenis. Ook de wijze van contactname, non-verbale aspecten (oogcontact, houding), omgaan met gevoelens, vermogen om zichzelf te observeren, contactgroei, vermogen tot samenwerken kunnen langs deze weg door de intaker worden ingeschat.  
   
Persoonlijkheidsdiagnostisch onderzoek  
Wanneer er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek, is aanvullend persoonlijkheidsdiagnostisch onderzoek van belang. Onderzoek naar persoonlijkheidsproblemen kan vanuit verschillende referentiekaders plaatsvinden. Deze kaders of 'diagnostische brillen' hebben vaak hun eigen voor- en nadelen. Zij worden vaak naast elkaar gebruikt. De belangrijkste zijn:  
   
  1. De descriptieve diagnostiek;
  2. Psychodynamische diagnostiek;
  3. Onderzoek naar persoonlijkheidsdimensies.
 
De descriptieve diagnostiek  
Aan de hand van de criteria uit de DSM-IV wordt vastgesteld:  
   
  • of er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis
  • zo ja, welke persoonlijkheidsstoornis(sen) of welke kenmerken aanwezig zijn
 
Deze vorm van diagnostiek wordt classificeren genoemd en is vooral van belang voor een eerste screening en voor onderzoeksdoeleinden. De criteria richten zich veelal op gedragskenmerken. Vaak zijn er grote verschillen in bijvoorbeeld draagkracht of verandermogelijkheden tussen mensen met dezelfde persoonlijkheidsstoornis volgens DSM-IV.  
   
Psychodynamische diagnostiek  
De psychodynamische diagnostiek is onder te verdelen in:  
   
  • Structurele diagnostiek
  • Ontwikkelingsprofiel
 
Structurele diagnostiek  
Via interview(s) wordt de persoonlijkheidsstructuur of -organisatie onderzocht. Hierbij wordt speciale aandacht besteed aan de identiteitsontwikkeling, de afgrenzing tussen ik en de ander, de realiteitstoetsing en de wijze waarop angsten, wensen en impulsen worden afgeweerd. Het interview brengt in kaart hoe iemand onder stress reageert en kan dieperliggende kwetsbaarheden of stoornissen aan het licht brengen.  
   
Ontwikkelingsprofiel  
Via semi-gestructureerde interviews wordt iemands functioneren in de afgelopen 10 jaar onderzocht. Op basis van dit materiaal en met een min of meer gestandaardiseerd scoringsinstrument wordt dan een ontwikkelingsprofiel, samengesteld, dat sterke en zwakke kanten van iemands persoonlijkheid samenvat. Ook ontstaat een gelaagd beeld van de wijze waarop iemand al of niet verschillende ontwikkelingsstadia heeft doorlopen.  
   
Onderzoek naar persoonlijkheidsdimensies  
Via persoonlijkheidsvragenlijsten wordt nagegaan in welke mate van te voren vastgestelde persoonlijkheidseigenschappen bij iemand aanwezig zijn. Binnen de (klinische) psychologie zijn meetinstrumenten ontwikkeld die iemands persoonlijkheid in kaart brengen. Voorbeelden van enkele meetinstrumenten zijn:  
   
  • Personality Disorder Questionnaire -4 (PDQ-4)
  • International Personality Disorder Examination (IPDE)
  • Minnesota Multiphasic Personality Inventory (MMPI)
  • Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (VKP)
 
Deze geven antwoorden op vragen als: Wordt iemand snel angstig of gespannen, is iemand meer introvert of extravert, kan iemand goed met frustraties omgaan, in welke mate ervaart iemand zelf verantwoordelijkheid voor zijn problemen enzovoort.  
   
Behandeling  
De hulpvraag kan sterk variëren aangezien de klachten en symptomen van mensen met een persoonlijkheidsstoornis heel verschillend kunnen evenzo verschillend kan de behandeling zijn.  
   

In grote lijn zijn de behandelvormen in te delen in twee categorieën:

 
   
  1. Klachtgerichte behandeling;
  2. Op persoonlijkheidsproblemen gerichte behandeling.
 
Voor Cluster B varieert de indicatie voor behandeling van geen behandeling tot intensieve klinische behandeling. Draagkracht, impulsbeheersing, mate van wantrouwen, zelfobserverend vermogen, sociale aanpassing en dreiging voor anderen zijn onder andere factoren die onderzocht dienen te worden.  
   
Klachtgerichte behandeling  
Deze behandeling richt zich op het behandelen van klachten en symptomen ook wel ASI-stoornissen (DSM-IV) genoemd. Bijvoorbeeld angsten, depressie, slaapproblemen enzovoort.  
   
Het is goed gebruik om in eerste instantie te kiezen voor een klachtgerichte behandeling ook wanneer er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek. Wanneer blijkt dat de persoonlijkheidsproblematiek dermate ernstig is dat behandeling van de ASI-problematiek er door belemmerd wordt, of dat reeds behandelde klachten steeds terugkeren kan behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek overwogen worden. Meestal gebeurt dit na uitgebreide diagnostiek en indicatiestelling.  
   
Op persoonlijkheidsproblemen gerichte behandeling  
Deze behandeling kan variëren van ondersteunend-structurerende behandelvormen tot op persoonlijkheidsverandering gerichte behandelvormen, ook wel intensieve of reconstructieve psychotherapie genoemd.  
   
Voorbeelden van persoonlijkheidsgerichte therapieën zijn: de schemagerichte therapie volgens het model van Young, de Dialectische Gedragstherapie (DGT) (Linehan; speciaal voor borderline problematiek) en Mantalisation Based Treatment (MBT) (Bateman en Fonagy; ook speciaal voor borderline problematiek). Maar ook de psychodynamische psychotherapie (individueel of groepsgewijs), de client-centered psychotherapie en de ondersteunend-structurerende behandeling gericht op het hier-en-nu. Dit alles eventueel in combinatie met medicatie.  
   
Voor meer informatie  
Kenniscentrum Persoonlijkheidsstoornissen    
Viersprong Institute for Studies on Personality Disorders (VISPD) (Engelstalig)  
Startpagina Borderline  
Stichting Borderline  
Stichting Informatie Persoonlijkheidsstoornissen (StIP) - Moeilijke Mensen  
   
   
Bron: Stichting Informatie Persoonlijkheidsstoornissen (StIP) - Moeilijke Mensen.  
   
   
 
   
   
Schizofrenie  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere soorten psychotische stoornissen kent, is het doorgaans schizofrenie die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging.  
   
Schizofrenie  
Schizofrenie herkennen is niet altijd gemakkelijk. Je kunt het vaak niet aan de buitenkant zien en het kan een tijd duren voordat de symptomen zichtbaar worden. Mensen die de ziekte hebben, kunnen of willen niet onder woorden brengen waar ze last van hebben. Bovendien uit de ziekte zich bij geen twee mensen op dezelfde manier.Toch zijn er tal van signalen die op schizofrenie kunnen duiden.  
   
Schizofrenie kan gepaard gaan met positieve symptomen als negatieve. Chaotisch denken, hallucinaties en wanen worden positieve symptomen van schizofrenie genoemd. Dit betekent dat deze verschijnselen wel aanwezig zijn, maar er niet horen te zijn. Mensen met schizofrenie kunnen ook lange tijd een sombere of uitgebluste indruk maken, belangstelling voor de gewone dagelijkse dingen verliezen en minder gevoelens tonen. Dit worden negatieve symptomen genoemd. Hier gaat het om verschijnselen die ontbreken. Zowel de positieve als de negatieve symptomen kunnen belastend zijn voor de persoon in kwestie maar ook voor familieleden en andere betrokkenen. Vaak is de persoon zelf zich in eerste instantie niet bewust van de ziekte, maar is het de familie die signaleert dat er hulp nodig is.
 
   
Ontstaansgeschiedenis  
Het optreden van schizofrenie is voor een deel erfelijk bepaald; in de ene familie komt schizofrenie meer voor dan in de andere. Vroeger werd wel gezegd dat schizofrenie aan de opvoeding lag. Een verhoogde kwetsbaarheid voor stress speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van een psychose. Naast spanningsvolle situaties zijn ook andere omgevingsinvloeden van belang. Welke dat precies zijn is niet helemaal bekend, maar men denkt aan problemen tijdens de zwangerschap of rond de geboorte. Ook is bekend dat er sprake is van een stoornis in bepaalde chemische stoffen in de hersenen, die medeverantwoordelijk zijn voor de verwerking van informatie.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over schizofrenie:  
   
A. Kenmerkende symptomen: Twee (of meer) van de volgende, elk gedurende één maand een belangrijk deel van de tijd aanwezig (of korter bij succesvolle behandeling):  
   
  1. wanen
  2. hallucinaties
  3. onsamenhangende spraak (bijvoorbeeld frequent de draad kwijtraken of verward)
  4. ernstig chaotisch of katatoon gedrag
  5. negatieve symptomen, dat wil zeggen vervlakking van de gemoedsbeweging, gedachten- of spraakarmoede of apathie
 
B. Sociaal/Beroepsmatig dysfunctioneren: Vanaf het begin van de stoornis ligt het functioneren, voor belangrijk deel van de tijd, op een of meer terreinen zoals werk, relaties of zelfverzorging duide lijk onder het niveau dat voor het begin van de stoornis werd bereikt (of indien het begin in de kinderleeftijd of adolescentie ligt is het niet gelukt het niveau te bereiken, dat op relationeel, school of beroepsmatig terrein verwacht kon worden).  
   
C. Duur: Symptomen van de stoornis zijn gedurende ten minste zes maanden ononderbroken aanwezig. In deze periode van zes maanden moeten er ten minste één maand symptomen zijn die vol doen aan criterium A (dat wil zeggen symptomen uit de actieve fase) en kunnen er perioden voorkomen met symptomen met prodromale of restsymptomen. Gedurende deze prodromale of restperiode kunnen de symptomen van de stoornis zich beperken tot negatieve symptomen of tot twee of meer symptomen van criterium A in een lichte vorm (bijvoorbeeld vreemde overtuigingen, ongewone zintuiglijke ervaringen).
 
   
D. Uitsluiting van schizoaffectieve of stemmingsstoornissen: Een schizoaffectieve stoornis en een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken zijn uitgesloten omdat ofwel (1) er geen depressieve episodes, manische of gemengde episodes tegelijk met symptomen van de actieve fase zijn voorgekomen; of (2) indien er episodes met een stemmingsstoornis tijdens de actieve fase zijn voorgekomen met de totale duur die kort was in verhouding tot de duur van de actieve en de restperiode.
 
   
E. Uitsluiting van het gebruik van middelen/of een lichamelijke aandoening: De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening.

 
   
F. Samenhang met een pervasieve ontwikkelings stoornis: Indien er een voorgeschiedenis is met een autistische stoornis of een andere pervasieve ontwikkelingsstoornis wordt de aanvullende diagnose schizofrenie alleen gesteld indien er gedurende tenminste één maand (of korter indien met succes behandeld) opvallende wanen of hallucinaties zijn.
 
   
Aanvullende kenmerken  
  • Op voor anderen onbegrijpelijke manier angstig of in de war is
  • Er niet in slaagt om in werk, studie of hobby te presteren wat er normaal gesproken van hem of haar verwacht kan worden
  • Op een vreemde manier praat, soms ook met nieuwe, zelfverzonnen woorden
  • Beweert stemmen te horen of praat met denkbeeldige, voor anderen niet werkelijk aanwezige personen
  • Verhalen ophangt over komplotten of geheime organisaties en daarin soms het eigen gezin of de partner betrekt
  • Vreemd loopt of beweegt, op zo'n manier dat anderen zich er ongemakkelijk bij voelen
  • Mensen in de omgeving afschrikt of irriteert door de manier waarop hij of zij zichzelf verwaarloost
  • Onvoorspelbare woede-uitbarstingen heeft
  • De hele dag in bed ligt, maar 's nachts door het huis spookt of in de stad ronddwaalt
  • Zichzelf kwaad dreigt te doen
  • Geen vriend(inn)en maakt of hooguit korte, oppervlakkige contacten heeft
  • Zegt iemand anders te zijn
  • Zegt dat anderen gedachten uit zijn/haar hoofd trekken of er juist gedachten inbrengen
 
Diagnose  
De diagnose wordt gesteld aan de hand van de geldende criteria (DSM-IV) en met meetinstrumenten, te weten:  
   
  • PANNS schaal
  • SCID-1 (sectie schizofrenie en andere psychotische stoornissen)
 
Behandeling  
Schizofrenie is voor zover nu bekend niet te genezen maar wel goed te behandelen. Hoe eerder de juiste diagnose is gesteld en de behandeling begint, hoe sneller verbetering en verlichting van de ziekte optreedt. De behandeling van schizofrenie en psychose gaat grotendeels gelijk op: Ze bestaat enerzijds uit het tegengaan van de ziekteverschijnselen, anderzijds uit het ondersteunen en leren omgaan met de handicap van een ernstige ziekte die niet overgaat. Dit klinkt niet erg optimistisch en dat is het ook niet. Als het lukt om de ziekteverschijnselen te behandelen dan blijft er altijd nog een kwetsbaarheid bestaan. En met die kwetsbaarheid moet de cliënt leren omgaan. Het zal duidelijk zijn dat bij iedere cliënt eerst goed in kaart gebracht moet worden welke verschijnselen zich voordoen en op welke gebieden het functioneren verminderd is. Zonder informatie van familieleden, vrienden en dergelijke is dit bijna onmogelijk. Het tegengaan van de ziekteverschijnselen, waarbij medicijnen een belangrijke rol spelen, vereist van de cliënten, familieleden en artsen een grote mate van samenwerking . Het zijn de familieleden die de cliënt meemaken en het effect van medicijnen van dag tot dag kunnen bijhouden.  
   
De behandeling van schizofrenie kan uitgesplist worden in basiszorg en aanvullende zorg. Onder basiszorg wordt verstaan: vaste hulpverleners, medicatie, gezinsbegeleiding, voorlichting, psycho-educatie en rehabilitatie. Onder aanvullende zorg wordt verstaan: cognitieve gedragstherapie, psycho-educatiegroepen en vaardigheidstraingen.  
   
Voor meer informatie  
Kenniscentrum Schizofrenie  
Schizofrenieplein  
Psychoseplein  
Startpagina Schizofrenie  
Anoiksis  
Ypsilon  
   
   
 
   
   
Seksuele stoornissen, doorgaans de genderidentiteitsstoornis en de genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere soorten seksuele stoornissen kent, is het doorgaans de genderidentiteitsstoornis en de genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging.  
   
Genderidentiteitsstoornis en genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven  
Een geslachtsidentiteitsstoornis of genderdysforie is een psychische aandoening waarbij iemand zich enerzijds ongemakkelijk voelt bij de geldende normen voor zijn of haar sekse en zich anderzijds aanhoudend identificeert met het andere geslacht. De symptomen zijn vaak al op jongere leeftijd waar te nemen.  
   
Jongens ontwikkelen bijvoorbeeld het idee dat het beter is geen penis en testes te hebben. Soms menen ze dat deze lichaamsdelen wel zullen verdwijnen of krijgen er een hekel aan. Ze hebben een afkeer van ruwe jongensspelletjes en spelen liever met meisjes.  
   
Meisjes hebben het verlangen of de overtuiging een penis te krijgen. Ze willen geen borsten krijgen of menstrueren. Er kan een aversie tegen zittend urineren ontstaan. Het komt ook voor dat ze zich verzetten tegen het dragen van typische meisjeskleding. Ze zijn minder geïnteresseerd in typische meisjesspelletjes en spelen bij voorkeur met jongens. Zowel jongens als meisjes experimenteren meer dan normaal met kleding die traditioneel bij de andere sekse past.  
   
Bij adolescenten en volwassenen ontstaan verdergaande symptomen, zoals pogingen om primaire en secundaire geslachtskenmerken te verwijderen, danwel te verkrijgen (bijvoorbeeld met hormoonkuren). Ook ontwikkelt zich vaak het gevoel in een 'verkeerd' lichaam te zitten. Als iemand daadwerkelijk lichamelijk wil overgaan tot de andere sekse door middel van een operatieve ingreep, spreekt men van transseksualiteit.  
   
Ontstaansgeschiedenis  
Genderidentiteitsstoornissen en de wens om van geslacht te veranderen, komen in alle culturen voor, het is een speling van de natuur, die zich niets aantrekt van culturen en religies. Ook opvoeding heeft hier geen invloed op. Je wordt zo geboren, het is geen keuze. Genderdysfore gevoelens kunnen zich ook al heel vroeg naar buiten toe openbaren.  
   
Uit onderzoek is gebleken dat er een verschil is in een hersengebied dat de seksueel dismorfe kern genoemd wordt. Bij transseksuelen met XY-chromosomen ziet dit er uit als bij een niet-transseksuele vrouw (met XX-chromosomen dus). Of omgekeerd. De populatie waarop dit onderzoek gebaseerd is, is echter klein. Onderzoekers hopen dan ook dat meer (voormalige) transseksuelen na hun dood hun lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap ten behoeve van dit onderzoek.  
   
De oorzaak van het ontstaan van genderidentiteitsstoornissen ligt vermoedelijk in een verstoorde hormoonhuishouding tijdens kritische fasen in de ontwikkeling van een foetus. Wanneer hersenen in ontwikkeling blootgesteld worden aan testosteron, ontwikkelen deze zich in mannelijke richting en krijgt het kind een mannelijke geestelijke identiteit.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over de genderidentiteitsstoornis en de genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven:  
   
Genderidentiteitsstoornis  
A. Een sterke en aanhoudende genderidentificatie met het andere geslacht (niet slechts een verlan gen naar een of ander verondersteld cultureel voordeel om tot de andere sekse te behoren). Bij kinderen wordt de stoornis zichtbaar door vier (of meer) van de volgende:  
   
  1. herhaaldelijk geuite wens om, of er op staan, tot de andere sekse te behoren
  2. bij jongens: een voorkeur voor het dragen van vrouwenkleren of kleren die daarop lijken; bij meisjes: er op staan alleen stereotiepe mannenkleding te dragen
  3. sterke en blijvende voorkeur voor het in fanta sie spelen van de rol van het andere geslacht of aanhoudende fantasieën over het tot de an dere sekse horen
  4. intens verlangen om deel te nemen aan de stereotiepe spelletjes en vormen van tijdverdrijf van de andere sekse
  5. sterke voorkeur voor speelkameraden van de andere sekse
 
Bij adolescenten en volwassenen wordt de stoornis zichtbaar door symptomen zoals de geuite wens om tot de andere sekse te horen, frequent door te gaan voor iemand van de andere sekse, verlangen te leven of behandeld te worden als iemand van de andere sekse of de overtuiging te hebben dat hij of zij de typische gevoelens en reacties van de andere sekse heeft.  
   
B. Zich voortdurend niet op zijn/haar gemak voelen met zijn of haar sekse of het gevoel hebben dat het niet juist is zich volgens de genderrol van de ze sekse te gedragen.  
   
Bij kinderen wordt de stoornis zichtbaar door een van de volgende: bij jongens, de bewering dat zijn penis of testes walgelijk zijn of zullen verdwijnen of de bewering dat het beter zou zijn geen penis te hebben, of een afkeer van wilde spelletjes en afkeuring van stereotiep jongens-speelgoed, spelletjes en activiteiten; bij meisjes, afwijzing van zittend urineren, de bewering dat zij een penis heeft of dat deze aan zal groeien of de bewering dat ze niet wil dat ze borsten zal krijgen of zal menstrueren of duidelijke afkeer van de voorgeschreven vrouwenkleding. Bij adolescenten of volwassenen wordt de stoornis zichtbaar door symptomen als preoccupatie met het kwijt willen raken van de primaire en secundaire geslachtskenmerken (bijvoorbeeld vraag om hormoonbehandeling, chirugie of andere methoden om de geslachtskenmerken fysiek te veranderen om de andere sekse voor te kunnen wen den) of de overtuiging dat hij of zij met de verkeerde sekse geboren is.
 
   
C. De stoornis komt niet gelijktijdig met een lichamelijke interseks aandoening voor.  
   
D. De stoornis veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.  
   
Genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven  
Deze categorie is opgenomen voor het coderen van stoornissen in de genderidentiteit die niet te classificeren zijn als een specifieke genderidentiteits stoornis.
Tot de voorbeelden horen:
 
   
  1. Interseks aandoeningen (bijvoorbeeld syndroom van ongevoeligheid voor androgenen of een aangeboren bovenmatige groei van de bijnierschors) en samengaand met transseksualiteit
  2. Van voorbijgaande aard stressgebonden gedrag waarbij kleren van de andere sekse gedragen worden
  3. Aanhoudende preoccupatie met castratie zonder het verlangen de geslachtskenmerken van de andere sekse te verwerven
 
Diagnose  
Voor het vaststellen van de genderidenteitsstoornis en de genderidentiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven maakt men gebruik van het DSM-IV gestelde criteria.  
   
Voor het medisch traject maakt men gebruik van de zogenoemde test:  
   
  • Standards of Care (SOC)
 
   
Behandeling  
De structuur van de behandeling wordt bepaald door drie therapeutische componenten, te weten:  
   
  1. Hormoontherapie;
  2. De Real Life Experiences (RLE) en/of psychotherapie;
  3. Mogelijke chirurgische ingrepen.
 
   
Voor meer informatie  
Kenniscentrum Rutgers Nisso  
   
   
 
   
   

Posttraumatische stress-stoornis (PTSS)

 
   
   

Inleiding

 
Hoewel het DSM meerdere soorten angststoornissen kent, is het doorgaans PTSS die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging.  
   
Posttraumatische stress-stoornis (PTSS)  

Eén blik in de kranten is voldoende om een indruk te krijgen van de narigheid die een mens zoal kan overkomen. Om een paar voorbeelden te noemen: auto-ongelukken, brand, zinloos geweld, een ramp, een gewelddadige beroving, een aanranding of verkrachting. Deze gebeurtenissen hebben gemeen dat ze de normale menselijke ervaringen ver te boven gaan en dat iemands gevoel van basisveiligheid er tijdelijk of langdurig ernstig door kan worden aangetast.

 

 

Het letsel dat zo'n gebeurtenis bij een mens aanricht, zowel lichamelijk als geestelijk (psychisch) wordt trauma genoemd. Trauma betekent letterlijk ernstig letsel, verwonding. Hoewel er tussen mensen verschillen bestaan, is het soms verbazingwekkend hoeveel narigheid mensen kunnen doorstaan en dat op eigen kracht zodanig kunnen verwerken, dat er geen blijvende schade ontstaat. Verwerken betekent dat men het een plaats kan geven in zijn leven of er een betekenis aan kan geven, waarmee men verder kan.

 

 

Soms lukt het proces van verwerken niet of niet goed. Dan spreken we van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Dat wil zeggen een stoornis die ontstaat na het oplopen van lichamelijk en/of geestelijk letsel. Deze stoornis gaat gepaard met forse stressverschijnselen die zowel lichamelijk als psychisch van aard kunnen zijn. Het geestelijk letsel wordt ook wel psychotrauma genoemd.

 

 

Ontstaansgeschiedenis

 

Hoewel de oorzaak van PTSS duidelijk is, namelijk de traumatische ervaring, is het moeilijk te zeggen waarom sommige mensen wel en anderen niet aan PTSS gaan lijden. Niet alleen de aard, ernst en duur van het trauma spelen hierbij een rol. Van groot belang voor het ontstaan van PTSS zijn ook:

 
   
  • De betekenis van het trauma voor het individu op dat moment in diens leven; deze betekenis is onder andere leeftijdsgebonden
  • De al of niet ervaren opvang, steun en erkenning door de omgeving
  • De wijze waarop iemand geleerd heeft zicht te weer te stellen of opgewassen is tegen problemen
 

Voorbeelden en kenmerken

 

Het DSM-IV zegt het volgende over de PTSS:

 

 

A. De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij beide van de volgende van toepassing zijn:

 
   
  1. betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen
  2. tot de reacties van betrokkene behoorde intense angst, hulpeloosheid of afschuw. N.B.: Bij kinderen kan dit zich in plaats hiervan uiten in chaotisch of onrustig gedrag
 

B. De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren:

 
   
  1. terugkerende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen, gedachten of waarnemingen. N.B.: Bij jonge kinderen kan dit zich uiten in de vorm van terugkerende spelletjes waarin de thema's of aspecten van het trauma worden uitgedrukt.
  2. terugkerende akelige dromen over de gebeurtenis. N.B.: Bij kinderen kunnen angstdromen zonder herkenbare inhoud voorkomen.
  3. handelen of voelen alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt (hiertoe behoren ook het gevoel van het opnieuw te beleven, illusies, hallucinaties en dissociatieve episodes met flashback, met inbegrip van die welke voorkomen bij het ontwaken of tijdens een vergiftiging). N.B.: Bij jonge kinderen kunnen trauma-specifieke heropvoeringen voorkomen
  4. intens psychisch lijden bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken
  5. lichamelijke reacties bij blootstelling aan interne of externe prikkels die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of erop lijken
 

C. Aanhoudend vermijden van prikkels die bij het trauma hoorden of afstomping van de algemene reactiviteit (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende:

 
   
  1. pogingen gedachten, gevoelens of gesprekken horend bij het trauma vermijden
  2. pogingen activiteiten, plaatsen of mensen die herinneringen oproepen aan het trauma te vermijden
  3. onvermogen zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren
  4. duidelijk verminderde belangstelling voor of deelneming aan belangrijke activiteiten
  5. gevoelens van onthechting of vervreemding van anderen
  6. beperkt uiten van emotie (bijvoorbeeld niet in staat gevoelens van liefde te hebben)
  7. gevoel een beperkte toekomst te hebben (bijvoorbeeld verwacht geen carrière te zullen maken, geen huwelijk, geen kinderen, of geen normale levensverwachting)
 

D. Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid (niet aanwezig voor het trauma) zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende:

 
   
  1. moeite met inslapen of doorslapen
  2. prikkelbaarheid of woedeuitbarstingen
  3. moeite met concentreren
  4. overmatige waakzaamheid
  5. overdreven schrikreacties
 

E. Duur van de stoornis (symptomen in B. C en D) langer dan één maand.

 

 

F. De stoornis veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

 

 

Diagnose

 

Het vaststellen van de PTSS gebeurd door het gebruik van de volgende meetinstrumenten, te weten:

 
   
Acute stress-stoornis (ASS) en PTSS bij volwassenen:  
   
  • Posttraumatic Diagnostic Scale (PDS)
  • State Dissociation Questionnaire (SDQ)
 
PTSS bij volwassenen:  

 
  • Impact of Event Scale (IES)
  • Spielberger's State Anxiety (STAI)
  • Peritraumatic Dissociative Experiences Questionnaire (PDEQ)
  • Mississippi Rating Scale for Combat relatet PTSS, civilian version (MISS)
  • Trauma Screening Questionnaire (TSQ)
  • RISK(10)
 
Andere symptomen dan PTSS bij volwassenen:  
   
  • Impact of Event Scale (IES)
  • Beck Depressiona Inventory (BDI)
  • Beck Anxiety Inventory (BAI)
  • General Health Questionnaire (GHQ)
 
PTSS bij kinderen (en hun ouders):  
   
  • Screening Tool for Early Predictors of PTSS (STEPP)
 
PTSS-symptomen en andere psychische klachten bij kinderen en adolescenten:  
   
  • Clinician-Administered PTSD for Children and Adolescents (CAPS-CA)
  • Child Abuse and Trauma Questionnaire (CATS)
  • Multidimensional Anxiety Scale for Children 10 (MASC-10)
  • Children's Depression Inventory - S (CDI-S)
  • Schok Verwerkings Lijst voor Kinderen
  • Schok Verwerkings Lijst voor Jonge Kinderen
 

Behandeling

 

Er bestaan verschillende manieren om PTSS te behandelen. Variërend van de Korte Eclectische Psychotherapie (KEP) en Eye Movement Desentization and Reprocessing (EMDR) tot exposure-therapie en zelfinstructietraining (SIT) maar ook de cognitieve verwerkingstherapie. Dit alles eventueel in combinatie met medicatie.

 

 

Voor meer informatie

 

Kenniscentrum PTSS Noord-Nederland

 

Stichting Impact, Landelijk Kenniscentrum Psychosociale Zorg na rampen

 

Startpagina Trauma

 

Angst, Dwang en Fobie stichting (ADF)

 

 

 

Bron: Folder: In gesprek over: Posttraumatische stress-stoornis - Als verwerking niet lukt van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.

 

 
   
 
   
   
Dissociative stoornissen, doorgaans de dissociatieve amnesie, de dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) en de dissociatieve stoornis Niet Anderszins Omschreven (DSNAO)  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere soorten dissociatieve stoornissen kent, is het doorgaans de dissociatieve amnesie, de dissociatieve identiteitsstoornis en de dissociatieve stoornis Niet Anderszins Omschreven die soms samen worden gezien met zelfbeschadiging.  
   
Dissociatieve stoornissen  
Onder dissociatie wordt het volgende onder verstaan, namelijk het ontbreken van eenheid van het bewustzijn, het in zekere mate onafhankelijk van elkaar bestaan van meerdere bewustzijnsinhouden meestal ten gevolge van heftige, traumatiserende, emotionele gebeurtenissen (in het verleden) die een integratie van geheugen, gedachten, handelingen of persoonlijke identiteit verhinderen.  
   
Er worden vijf verschillende dissociatieve symptomen onderscheiden die per type dissociatieve stoornis in meerdere of mindere mate aanwezig kunnen zijn. Het kan ook voorkomen dat een bepaald dissociatief symptoom volledig afwezig is. Het gaat om vijf verschillende dissociatieve symptomen, te weten:  
   
  1. Amnesie;
  2. Depersonalisatie;
  3. Derealisatie;
  4. Identiteitsverwarring;
  5. Identiteitswijziging.
 
Amnesie  
Wanneer iemand zich incidenten of ervaringen van gebeurtenissen uit een bepaalde periode niet kan herinneren, of wanneer iemand zich bepaalde belangrijke persoonlijke informatie niet kan herinneren.  
   
Depersonalisatie  
Een bewuste ervaring waarbij iemand het eigen lichaam als vreemd, niet vertrouwd of niet echt ervaart.  
   
Derealisatie  
Een bewuste ervaring waarin iemand zijn vertrouwde omgeving als vreemd en onvertrouwd ervaart.  
   
Identiteitsverwarring  
Wanneer iemand zich onzeker voelt over wie hij is of moeite heeft zichzelf te omschrijven.  
   
Identiteitswijziging  
Wanneer er zich een verschuiving plaatsvindt in de identiteit die het gedrag op een dusdanige manier verandert dat het anderen opvalt.  
   
Ontstaansgeschiedenis  
De meest voorkomende oorzaak die kan lijden tot het ontstaan van een dissociatieve stoornis is het overleven van chronisch psychotrauma. Bij een ander klein gedeelte van de cliëntengroep die een dissociatieve stoornis heeft ontwikkeld zijn er andere oorzaken. Factoren die de mate van dissociatie kunnen bepalen zijn: het soort trauma (als trauma de oorzaak is); de intensiteit en de duur van het trauma; de leeftijd waarop het trauma heeft plaatsgevonden; aanleg om te dissociëren en de eigen draagkracht.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over de dissociatieve amnesie, de dissociatieve identiteitsstoornis en de dissociatieve stoornis Niet Anderszins Omschreven:  
   
Dissociatieve amnesie (vroeger Psychogene amnesie)  
A. De belangrijkste stoornis uit één of meer episodes van onvermogen zich belangrijke persoonlijke gegevens te herinneren, meestal van traumatische of stressveroorzakende aard, die te uitgebreid is om verklaard te kunnen worden door gewone vergeetachtigheid.  
   
B. De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een 'dissociatieve identiteitsstoornis', 'dissociatieve fugue', 'posttraumatische stress-stoornis', 'acute stress-stoornis' of 'somatisatiestoornis'en is niet het gevolg van directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een neurologische of andere lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld amnestische stoornis als gevolg van een schedeltrauma).  
   
C. De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.  
   
   
Dissociatieve identiteitsstoornis, afgekort DIS (vroeger Meervoudigepersoonlijkheidsstoornis)  
A. De aanwezigheid van twee of meer scherp van elkaar te onderscheiden identiteiten of persoonlijkheidstoestanden (elk met een eigen betrekkelijk langdurig patroon van het waarnemen van, het omgaan met en het denken over de omgeving en zichzelf).  
   
B. Ten minste twee van deze identiteiten of persoonlijkheidstoestanden bepalen geregeld het gedrag van betrokkene.  
   
C. Onvermogen zich belangrijke persoonlijke gegevens te herinneren dat te uitgebreid is om verklaard te kunnen worden door gewone vergeetachtigheid.  
   
D. De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld black-outs of chaotisch gedrag tijdens een alcoholvergiftiging) of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld epilepsie). N.B.: Bij kinderen zijn de symptomen niet toe te schrijven aan denkbeeldige speelkameraadjes of andere fantasiespelletjes.  
   
   
Dissociatieve stoornis Niet Anderszins Omschreven  
Deze categorie is opgenomen voor stoornissen waarbij het belangrijkste kenmerk een dissociatief symptoom is (dat wil zeggen een verstoring van de gewoonlijk geïntegreerde functies van bewustzijn, geheugen, identiteit of waarneming van de omgeving) dat niet voldoet aan de criteria voor een specifiek stoornis.
Tot de voorbeelden horen:
 
   
  1. Beelden die lijken op de dissociatieve identiteitsstoornis maar die niet voldoen aan alle criteria van deze stoornis. Tot de voorbeelden horen beelden waarbij a) er geen twee of meer scherp van elkaar te onderscheiden identiteiten of persoonlijkheidstoestanden zijn of b) amnesie voor belangrijke persoonlijke gegevens niet voorkomt.
  2. Derealisatie niet vergezeld door depersonalisatie bij volwassenen.
  3. Dissociatieve toestanden, die voorkomen bij personen die langdurig en intensief onderworpen waren aan gedwongen intense beïnvloeding (bijvoorbeeld hersenspoeling, heropvoeding of indoctrinatie als gevangene).
  4. Dissociatieve trancetoestand: eenmalig of episodische stoornissen in het bewustzijn, identiteit of geheugen die op bepaalde plaatsen en culturen inheems zijn. Bij dissociatieve trance is er sprake van een vernauwing van het besef van de directe omgeving of stereotype gedragingen of bewegingen die beleefd worden als buiten de eigen controle te liggen. Bij bezetenheidstrance is er sprake van de vervanging van het normale besef van de eigen identiteit door een nieuwe identiteit, hetgeen toegeschreven wordt aan de invloed van een geest, macht, godheid, of een ander persoon en gaat samen met stereotype 'onwillekeurige' bewegingen of amnesie. Tot de voorbeelden horen amok (Indonesië), bebainan (Indonesië), latah (Maleisië), pibloktoq (Noordelijke poolstreken), ataque de nervios (Latijns-Amerika) en bezetenheid (India). De dissociatieve stoornis of trancestoornis is niet een normaal fenomeen van een geaccepteerde collectief cultureel of religieus gebruik.
  5. Verlies van bewustzijn, stupor of coma en niet te schrijven aan een lichamelijke aandoening.
  6. Ganser-syndroom: het geven van 'er-net-naast-antwoorden' (bijvoorbeeld 2 plus 2 is 5), voor zover het niet samengaat met dissociatieve amnesie of dissociatieve fugue.
 
Diagnose  
Voor het vaststellen van een dissociatieve stoornis wordt gebruik gemaakt van een aantal meetinstrumenten en een interviewtechniek. Daarnaast wordt de dissociatie op zich weer onderverdeeld in psychologische dissociatie en lichamelijke dissociatie.  
   
Psychologische dissociatie:  
   
  • Adolescent Dissociative Experiences Scale-II (A-DES)
  • Dissociative Experiences Scale (DES)
  • Dissociation Questionnaire (DIS-Q)
  • Cambridge Depersonalization Scale (CDS)
  • Child Dissociative Checklist (CDC)
  • Steinberg Depersonalization Questionnaire
  • Structured Clinical Interview for DSM-IV Dissociative disorders (SCID-D)
 
Lichamelijke dissociatie:  
   
  • Somatoform Dissociation Questionnaire (SDQ-20)
 
Meetinstrumenten die in staat zijn om 'kern' - symptomen van een stoornis te onderscheiden van cultureelbepaalde symptomen zijn:  
   
  • Schedules for Clinical Assessment in Neuropsychiatry (SCAN)
  • Composite Diagnostic Interview (CIDI)
 
Behandeling  
Helaas is het in Nederland op dit moment nog altijd slecht gesteld met de hulpverlening aan cliënten met een dissociatieve stoornis en beschikken de GGZ instellingen maar zelden over een behandelaanbod in de vorm van bijvoorbeeld een zorgprogramma. Door deze situatie zijn er zelfs cliënten die uitwijken naar het buitenland voor een second-opinion. Wanneer een GGZ instelling wel een zorgprogramma of een behandelaanbod heeft ontwikkeld, dan wel probeert te ontwikkelen zijn deze doorgaans nogal eenzijdig.  
   
Behandeling algemeen  
Ondanks de vele overeenkomsten tussen de vijf bestaande dissociatieve stoornissen, kunnen cliënten met een dissociatieve stoornis verscheidene klachten en symptomen hebben. Ook de hulpvraag kan sterk variëren dus ook de aard van de behandeling. Dat de hulpvraag sterk kan variëren is afhankelijk van vele factoren waarvan ik de twee meest belangrijke nu even uitlicht, zoals:  
   
  1. Het type dissociatieve stoornis die de cliënt heeft. De ene dissociatieve stoornis is de andere niet en vereist daarom zo zijn eigen aanpak;
  2. De oorzaak die tot het ontstaan van een dissociatieve stoornis heeft geleid verschillend kan zijn.
 
Behandeling specifiek  
Net zoals dat nu bij persoonlijkheidsstoornissen het geval is, is ook de behandeling aan cliënten met een dissociatieve stoornis in grote lijnen in te delen in twee categorieën:  
   
  1. Klachtgerichte behandeling;
  2. Op de dissociatieve stoornis gerichte behandeling.
 
Klachtgerichte behandeling  
Deze behandeling richt zich voornamelijk en primair op het leren omgaan met de dissociatieve symptomen zelf. Dit gebeurt door het aanbieden van een dagstructuur en het ontwikkelen van basale oplettendheidsvaardigheden zoals het technisch leren waarnemen van de omgeving. Ook de symptomen en klachten leren zien als gevolg van chronische traumatisering (in de jeugd) in plaats van als een 'eigen tekortkoming'. Het verkrijgen van inzicht in de problematiek door psycho-educatie vormt een belangrijk onderdeel van de behandeling net als het eventuele gebruik van medicatie.  
   
Op de dissociatieve stoornis gerichte behandeling  
Een behandeling op de dissociatieve stoornis zelf, richt zich vooral op de achterliggende oorzaak die kan verschillen.  
   
De behandeling van een dissociatieve stoornis waar trauma de oorzaak van is, bestaat doorgaans uit drie fasen waarvan de laatste niet altijd worden doorlopen (hiervoor kunnen vele redenen voor zijn):  
   
  1. Stabilisatie en symptoomreductie;
  2. Behandeling van traumatische herinneringen;
  3. Reïntegratie en rehabilitatie.
 
   
Het verdient de voorkeur om de klachtgerichte behandeling en de op de dissociatieve stoornis gerichte behandeling te combineren, afhankelijk van de ernst van de dissociatieve symptomen en de fase waarin de cliënt zich bevindt.  
   
Voor meer informatie  
Startpagina Dissociatie I  
Startpagina Dissociatie II  
Caleidoscoop, Landelijke vereniging voor mensen met een dissociatieve stoornis  
Dissociatieve stoornis Niet Anderszins Omschreven  
Stichting Empty Memories  
   

 

Top

 
   
   
Stemmingsstoornissen, doorgaans depressie, dysthymie en de bipolaire stoornis  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere soorten stemmingsstoornissen kent, is het doorgaans de depressie, de dysthymie en de bipolaire stoornis die soms samen worden gezien met zelfbeschadiging.  
   
Depressie  
Iedereen kan zich wel eens somber en lusteloos voelen maar doorgaans is dat van korte duur. Bij sommige mensen houden deze klachten langere tijd aan en is er vaak ook sprake van andere klachten. Zo kan men nergens plezier aan beleven, heeft men minder belangstelling voor dingen en mensen die je anders wel interesseren. Het concentreren gaat moeilijker maar ook het nemen van beslissingen. Men voelt zich moe, traag en futloos of juist snel geïrriteerd. De eetlust kan minder zijn of je eet juist heel veel. Ook het slaappatroon kan anders zijn dan normaal. Zo kun je moeite hebben met inslapen, doorslapen of je slaapt extra veel. Dit alles kan het leven zo zwaar maken, dat je soms wel eens gaat denken van: 'was ik er maar niet meer'. Je verlangt zelfs naar de dood en je bent daar plannen voor aan het maken. In dat geval spreekt men over een depressie.  
   
Dysthymie  
Dysthymie en depressie zijn zeer nauw verwant. Het onderscheid is in sommige gevallen nauwelijks te maken. Dysthymie wordt beschouwd als een minder ernstige stemmingsstoornis dan depressie (2 tot 5 symptomen in plaats van minimaal 5), maar kan door het chronisch verloop ernstige gevolgen hebben.  
   
Bipolaire stoornis  
De bipolaire stoornis wordt ook wel manisch-depressieve stoornis genoemd. De term bipolair is een samenvoeging van de Latijnse term 'bis' (twee) en het Griekse woord 'polos' (draaipunt, eindpunt van de as van een bol). De term geeft aan dat iemands stemming extreem kan variëren: iemand is van tijd tot tijd extreem uitgelaten (manisch) of juist extreem neerslachtig (depressief).  
   
Ontstaansgeschiedenis  
De oorzaak van het ontstaan van een depressie is niet aan te wijzen. Bij bijna iedereen gaat het om een combinatie van eigenschappen en omstandigheden die tot een depressie lijden. Vaak is het helemaal niet mogelijk een oorzaak aan te wijzen, een depressie lijkt dan zomaar te ontstaan. Eigenschappen en omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een depressie zijn: erfelijkheid, ziekte, medicijnen, karakter en persoonlijkheid, ingrijpende jeugdervaringen, verlies en/of stress.  
   
Bij de bipolaire stoornis is het niet mogelijk om te voorspellen wie wel of niet deze stoornis zal ontwikkelen. Er is niet 1 oorzaak aan te wijzen. Er zijn weliswaar verschillende risicofactoren, maar ieder op zich zijn deze niet voldoende om het ontstaan van de stoornis te verklaren.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over de depressie(ve episode), dysthymie, manische-, gemengde- en hypomane episode:  
   
Depressie(ve episode)  
A. Vijf (of meer) van de volgende symptomen zijn binnen dezelfde periode van twee weken aanwezig geweest en wijzen op een verandering ten opzichte van het eerdere functioneren; ten minste een van de symptomen is ofwel 1. depressieve stemming, ofwel 2. verlies van interesse of plezier.  
   
  1. depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen (bijvoorbeeld voelt zich verdrietig of leeg) ofwel observatie door anderen (bijvoorbeeld lijkt betraand). N.B.: Kan bij kinderen of adolescenten ook prikkelbare stemming zijn
  2. duidelijke vermindering van interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag (zoals blijkt uit subjectieve mededelingen of uit observatie door anderen)
  3. duidelijke gewichtsvermindering zonder dat dieet gehouden wordt of gewichtstoeneming (bijvoorbeeld meer dan 5 procent van het lichaamsgewicht in één maand), of bijna elke dag afgenomen of toegenomen eetlust. N.B.: Bij kinderen moet gedacht worden aan het niet bereiken van de te verwachten gewichtstoeneming
  4. moeite met inslapen of doorslapen, bijna elke dag
  5. lichamelijke onrust of remming (waarneembaar door anderen, en niet alleen maar subjectief gevoel van rusteloosheid of vertraagdheid), bijna elke dag
  6. moeheid of verlies van energie, bijna elke dag
  7. gevoelens (die waanachtig kunnen zijn) van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens (niet alleen maar zelfverwijten of schuldgevoel over het ziek zijn), bijna elke dag
  8. verminderd vermogen tot nadenken of concentratie of besluiteloosheid (ofwel subjectief vermeld ofwel geobserveerd door anderen), bijna elke dag
  9. terugkerende gedachten aan de dood (niet alleen de vrees dood te gaan), terugkerende suïcidegedachten zonder dat er specifieke plannen gemaakt zijn, of een suïcidepoging of een specifiek plan om suïcide te plegen
 
B. De symptomen voldoen niet aan de criteria voor een 'gemengde episode'. Dat wil zeggen dat er naast een depressie ook wel eens een manische episode optreedt. Wat betekent dat je in die episode overdreven vrolijk en druk bent, jezelf heel geweldig vindt en de hele wereld aankan.  
   
C. De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.  
   
D. De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende schildklier).  
   
E. De symptomen zijn niet eerder toe te schrijven aan een rouwproces, dat wil zeggen na het verlies van een dierbaar persoon zijn de symptomen langer dan twee maanden aanwezig of zijn zij gekarakteriseerd door duidelijke functionele beperkingen, ziekelijk bezig zijn met gevoelens van waardeloosheid, suïcide-gedachten, psychotische symptomen of lichamelijke remming.  
   
   
Dysthymie  
A. Depressieve stemming het grootste deel van de dag, meer dagen wel dan niet, zoals blijkt uit ofwel subjectieve mededelingen ofwel uit observatie door anderen, en gedurende ten minste twee jaar N.B.: Bij kinderen en adolescenten kan de stemming prikkelbaar zijn en ten minste één jaar duren.  
   
B. Indien depressief, aanwezigheid van twee (of meer) van de volgende:  
   
  1. slechte eetlust of teveel eten
  2. moeite met inslapen of doorslapen
  3. weinig energie of moeheid
  4. gering gevoel van eigenwaarde
  5. slechte concentratie of moeilijkheden om tot een besluit te komen
  6. gevoelens van hopeloosheid
 
C. Gedurende de periode van twee jaar (één jaar bij kinderen en adolescenten) van de stoornis is betrokkene nooit langer dan twee maanden achtereen zonder de symptomen van criterium A en B geweest.  
   
D. Er is in de eerste twee jaar (één jaar bij kinderen en adolecenten) van de stoornis geen depressieve episode geweest; dat wil zeggen de stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een chronische depressieve stoornis, of aan depressieve stoornis, gedeeltelijk hersteld.  
   
E. Er is nooit een manische episode, een gemengde episode of een hypomane episode gweest en er is nooit voldaan aan de criteria voor een cyclothyme stoornis. Met cyclothymie wordt bedoeld, een langdurige stemmingsstoornis die wordt gekenmerkt door sterke stemmingswisselingen met perioden van vrolijkheid en levendigheid en perioden van verdriet en zwaartillendheid (zonder dat er sprake is van een depressie in engere zin).  
   
F. De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een chronische psychotische stoornis zoals 'schizofrenie' of 'waanstoornis'.  
   
G. De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende schildklier).  
   
H. De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.  
   
   
Manische episode  
A. Een duidelijk herkenbare periode met een een abnormale en voortdurend verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, gedurende ten minste een week (of elke duur indien opneming in een ziekenhuis noodzakelijk is).  
   
B. Tijdens de stemmingsstoornis zijn drie (of meer) van de volgende symptomen (vier indien de stemming alleen geprikkeld is) voortdurend en in belangrijke mate aanwezig:  
   
  1. opgeblazen gevoel van eigenwaarde of grootheidsideeën
  2. afgenomen behoefte aan slaap (bijvoorbeeld voelt zich uitgerust na slechts drie uur slaap)
  3. spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang
  4. gedachtenvlucht of de subjectieve beleving dat de gedachten jagen
  5. verhoogde afleidbaarheid (dat wil zeggen de aandacht wordt te gemakkelijk getrokken door onbelangrijke of niet terzake doende van buiten komende prikkels)
  6. toeneming van doelgerichte activiteit (ofwel sociaal, op het werk of op school ofwel seksueel) of psychomotore onrust
  7. zich overmatig bezig houden met aangename activiteiten waarbij een grote kans op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld betrokkene houdt zich intens bezig met een ongeremde koopwoede, seksuele indiscreties, of zakelijk onverstandige investeringen)
 
   
C. De symptomen voldoen niet aan de criteria voor een 'gemengde episode'.  
   
D. De episode is voldoende ernstig om duidelijke beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren te veroorzaken of een opneming in een ziekenhuis noodzakelijk te maken om schade voor zichzelf of anderen te voorkomen, of er zijn psychotische verschijnselen.  
   
E. De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende schildklier).  
   
   
Gemengde episode  
A. Er wordt voldaan aan de criteria van zowel een manische episode als aan die van een depressieve episode (behalve in duur), bijna elke dag gedurende ten minste een week.  
   
B. De stemmingsstoornis is voldoende ernstig om duidelijke beperkingen in werk, gewone sociale activiteiten of relaties met anderen te veroorzaken, of opneming in een ziekenhuis noodzakelijk te maken om de schade voor zichzelf of anderen te voorkomen, of er zijn psychotische kenmerken.  
   
C. De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende schildklier).  
   
   
Hypomane episode  
A. Een duidelijk herkenbare periode met voortdurend verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming, die ten minste vier dagen duurt en die duidelijk verschilt van de gebruikelijke niet-depressieve stemming.  
   
B. Tijdens de periode van de stemmingsstoornis zijn drie (of meer) van de volgende verschijnselen (vier als de stemming alleen prikkelbaar is) voortdurend en in belangrijke mate aanwezig:  
   
  1. opgeblazen gevoel van eigenwaarde of grootheidsideeën
  2. afgenomen behoefte aan slaap (bijvoorbeeld voelt zich uitgerust na slechts drie uur slaap)
  3. spraakzamer dan gebruikelijk of spreekdrang
  4. gedachtenvlucht of de subjectieve beleving dat de gedachten jagen
  5. verhoogde afleidbaarheid (dat wil zeggen de aandacht wordt te gemakkelijk getrokken door onbelangrijke of niet terzake doende van buiten komende prikkels)
  6. toeneming van doelgerichte activiteit (ofwel sociaal, op het werk of op school ofwel seksueel) of psychomotore onrust
  7. zich overmatig bezig houden met aangename activiteiten waarbij een grote kans op pijnlijke gevolgen (bijvoorbeeld betrokkene houdt zich intens bezig met een ongeremde koopwoede, seksuele indiscreties, of zakelijk onverstandige investeringen)
 
   
C. De episode gaat gepaard met een onmiskenbare verandering in het functioneren die niet karakteristiek is voor betrokkene, wanneer deze symptoomvrij is.  
   
D. De stemmingsstoornis en de veranderingen in functioneren kunnen door anderen worden waargenomen.  
   
E. De episode is niet ernstig genoeg om duidelijke beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren te veroorzaken of een opneming in een ziekenhuis noodzakelijk te maken, en er zijn geen psychotische verschijnselen.  
   
F. De symptomen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel) of een lichamelijke aandoening (bijvoorbeeld een traagwerkende schildklier).  
   
Diagnose  
   
Depressie en dysthymie  
Het vaststellen van een depressie en dysthymie gebeurd in grote lijn op twee manieren:  
   
  1. De descriptieve diagnostiek;
  2. Met behulp van meetinstrumenten.
 
De descriptieve diagnostiek  
Aan de hand van de criteria uit de DSM-IV wordt vastgesteld:  
   
  • of er sprake is van een depressie of dysthymie
  • zo ja, de indeling in licht, matig, ernstig, psychotisch, (gedeeltelijk) hersteld (bij depressie)
  • zo ja, de indeling vroege dysthymie, late dysthymie en dysthymie met atypische kenemerken
 
Deze vorm van diagnostiek wordt classificeren genoemd en is vooral van belang voor een eerste screening en voor onderzoeksdoeleinden. De criteria richten zich veelal op gedragskenmerken.  
   
Met behulp van meetinstrumenten  
   
  • Hamilton Depressieschaal (HDRS-6)
  • Beck Depressieschaal (BDI)
  • Symptomen Checklist (SCL-90)
  • Medical Outcomes Scale (MOS-SF-36)
  • Personality Disorder Questionnaire -4+ (PDQ-4+)
 
Bipolaire stoornis  
Een vermoeden van een bipolaire stoornis wordt getoetst door de klachten uit te vragen en te classificeren volgens een diagnostisch systeem (bijvoorbeeld de DSM-IV). In deze fase vindt ook de differentiële diagnostiek plaats en worden bijkomende stoornissen nagevraagd. Wanneer de diagnose eenmaal is gesteld, kan vervolgens worden gekeken naar het beloop en de ernst van de stoornis.  
   
Classificatie volgens diagnostisch systeem  
Op basis van een kort ongestructureerd diagnostisch gesprek, waarin de belangrijkste klachten en het beloop worden nagevraagd, kan een diagnose worden gesteld. Als hulpmiddel zijn gestructureerde interviews ontwikkeld. De volgende diagnostische instrumenten zijn in het Nederlands beschikbaar en op kwaliteit getoetst:
 
   
  • Structured Clinical Interview for DSM-IV (SCID)
  • Composite International Diagnostic Interview (CIDI)
  • Mini-International Neuropsychiatric Interview (MINI)
 
Bij een aantal cliënten is een klinisch oordeel nodig voor het identificeren en classificeren van de symptomen. Op het gebied van psychotische stoornissen en de bipolaire stoornis zijn de validiteit en betrouwbaarheid van de SCID beter dan de CIDI. Op andere gebieden ontlopen ze elkaar niet veel. De interviewlijsten mogen uitsluitend afgenomen worden door mensen die een specifieke training hebben gevolgd (CIDI) en klinische ervaring hebben in de psychiatrie (SCID en MINI).  
   
Bepalen van de ernst van de bipolaire stoornis  
De polariteit (manie of depressie) en de ernst van de symptomen bepalen uiteindelijk welke behandeling en begeleiding iemand nodig heeft. Hiervoor zijn verschillende interview- en observatieschalen ontwikkeld. Voorbeelden zijn:
 
   
  • Hamilton Rating Scale for Depression (HRSD)
  • Montgomery-Asberg Depression Scale (MADRS)
  • Inventory for Depressive Symptomatology (IDS-C)
 
Daarnaast bestaan er zelfinvulvragenlijsten. De cliënt wordt gevraagd een oordeel te geven over de symptomen die hij of zij ervaart. Voorbeelden zijn:  
   
  • Inventory for Depressive Symptomatology (IDS-SR)
  • Self-Rating Depression Scale (SDS) van Zung
 
Een hypomane episode is moeilijk te diagnosticeren. De cliënt zelf heeft doorgaans weinig last van de symptomen. Mensen in de omgeving kunnen aangeven of iemand zich anders gedraagt. Een gesprek met een familielid kan in zo'n geval doorslaggevend zijn.  
   
Voor het bepalen van de ernst van (hypo)manische symptomen zijn 2 instrumenten bruikbaar:  
   
  • Young Mania Rating Scale (YMRS)
  • Bech-Rafaelsen Mania Scale (BR-MAS)
 
Behandeling  
   
Overeenkomsten behandeling depressie en dysthymie  
Wat ze gemeen hebben is dat beide stemmingsstoornissen behandeld kunnen worden door bijvoorbeeld de Cognitieve Gedragstherapie (CGT), Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT) zowel individueel als groepsgewijs en non-verbale therapieën (ergotherapie en psychomotorische therapie). Ook lichttherapie en looptherapie kunnen een gunstige uitwerking hebben. Dit alles eventueel in combinatie met medicatie. In enkele gevallen kan de depressie en dysthmie behandeld worden met Electro Convulsie Therapie (ECT).  
   
Verschil behandeling depressie en dysthymie  
De behandeling bij een depressie wordt op een gegeven moment afgesloten terwijl de behandeling van dysthymie langdurig is vanwegen het chronisch karakter dat dysthymie heeft.  
   
Behandeling bipolaire stoornis  
De bipolaire stoornis is een ernstige ziekte. Het heeft vaak een chronisch verloop. Als iemand een bipolaire stoornis heeft, dan wordt behandeling in de gespecialiseerde GGZ aangeraden. De stoornis kan niet genezen worden. Ook kan de aanleg voor deze stoornis niet weggenomen worden. Wel kunnen specifieke symptomen met medicatie verminderen of zelfs verdwijnen en kan worden voorkomen dat iemand opnieuw een episode meemaakt.  
   
De behandeling bestaat meestal uit een combinatie van medicijnen en voorlichting of psycho-educatie, eventueel aangevuld met cognitieve therapie en sociaal-maatschappelijke steun of rehabilitatie. Medicatie vormt een essentieel onderdeel van de behandeling. De psychiater speelt daarom een belangrijke rol in de diagnostiek en behandeling. Er zijn medicijnen die de ernst en/of duur van een episode verminderen en medicijnen die voorkómen dat iemand opnieuw een manische en depressieve episode krijgt. Voorlichting of psycho-educatie kunnen tijdens een relatief rustige periode of vlak na een acute episode worden gegeven. Cognitieve therapie en andere psychologische interventies zijn dan ook bruikbaar. Doel is om te werken aan acceptatie van de stoornis en aan het besef dat levenslang medicijnen gebruikt zullen moeten worden. Bij minder ernstige episodes kunnen deze psychologische interventies ook eerder starten.  
   

Voor meer informatie

 
Kenniscentrum Bipolaire Stoornissen  

Kenniscentrum Nederlandse Studie naar Depressie en Angst

 
Startpagina Depressie  
Depressie Centrum van het Fonds Psychische Gezondheid  
Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen (VMDB)  
   
   
Bron: Depressie Centrum van het Fonds Psychische Gezondheid en het Trimbos instituut.  
   
   
 
   
   
Somatoforme stoornissen, doorgaans de somatisatiestoornis  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere somatoforme stoornissen kent, is het doorgaans de somatisatiestoornis die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging.  
   
Somatisatiestoornis  
Het centrale kenmerk van de somatisatiestoornis is een patroon van terugkerende, meervoudige, klinisch belangrijke lichamelijke klachten. Een lichamelijke klacht wordt beschouwd als klinisch belangrijk als deze klachten leiden tot medische behandeling (bijvoorbeeld het gebruik van medicijnen) of als deze klachten aanmerkelijke beperkingen geeft op belangrijke gebieden van het functioneren, zoals het persoonlijk, sociaal of beroepsmatig functioneren. De meervoudige lichamelijke klachten moeten [...] optreden over een periode van meerdere jaren. De meervoudige lichamelijke klachten worden niet volledig verklaard door een bekende medische aandoening. Met andere woorden de lichamelijke klachten zijn wel echt, maar de arts vindt geen lichamelijke oorzaak.  
   
Ontstaansgeschiedenis  
De precieze oorzaak die tot het ontstaan van een somatisatiestoornis kunnen leiden is niet bekend. Wel wordt veelvuldig kindermishandeling (psychische-, fysieke mishandeling en/of seksueel misbruik) gezien.  
   
Voorbeelden en kenmerken  

Het DSM-IV zegt het volgende over de somatisatiestoornis:

 
   

A. Een voorgeschiedenis van vele lichamelijke klachten, beginnend voor het dertigste jaar, een aantal jaren aanwezig, die geleid hebben tot het zoeken van behandeling of tot duidelijke beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

 
   

B. Aan elk van de volgende kenmerken moet zijn voldaan, waarbij de afzonderlijke symptomen op elk moment in het beloop van de stoornis kunnen voorkomen:

 
   
  1. vier pijnklachten: een voorgeschiedenis van pijn die verband houdt met ten minste vier verschillende lokalisaties of functies (bijvoorbeeld hoofd, buik, rug, gewrichten, ledematen, borst, anus, tijdens de menstruatie, tijdens de geslachtsgemeenschap of tijdens het plassen)
  2. twee maag-darm klachten: een voorgeschiedenis van ten minste twee maag-darm klachten en anders dan pijn (bijvoorbeeld misselijkheid, opgeblazen gevoel, braken buiten de zwangerschap, diarree of intolerantie voor een aantal voedingsmiddelen)
  3. één seksuele klacht: een voorgeschiedenis met tenminste één klacht op het gebied van de seksualiteit of voortplanting en anders dan pijn (bijvoorbeeld seksuele onverschilligheid, problemen bij erectie of zaadlozing, onregelmatige menstruatie, overvloedige menstruele bloedingen, braken tijdens de gehele duur van de zwangerschap)
  4. één pseudoneurologisch symptoom: een voorgeschiedenis met ten minste één symptoom of uitvalsverschijnsel dat doet denken aan een neurologische aandoening en niet beperkt is tot pijn (conversiesymptomen zoals stoornissen in de coördinatie of evenwicht, verlamming of gelokaliseerde spierzwakte, slikproblemen of brok in de keel, stem kwijt zijn, vasthouden van urine, hallucinaties, verlies van de tast- of pijnzin, dubbelzien, blindheid, toevallen; dissociatieve verschijnselen zoals geheugenverlies; of bewustzijnsverlies anders dan flauwvallen)
 
C. Ofwel 1 of 2:  
   
  1. na adequaat medisch onderzoek is geen van de symptomen van kenmerk B. eerder toe te schrijven aan een bekende lichamelijke aandoening of het directe effect van een middel (bijvoorbeeld drug, geneesmiddel)
  2. indien er een lichamelijke aandoening is die hiermee verband houdt, zijn de lichamelijke klachten of de hieruit volgende sociale of beroepsmatige beperkingen ernstiger dan verwacht zou worden op grond van de voorgeschiedenis en wat de patiënt/cliënt kan mededelen aan de arts, lichamelijk onderzoek of laboratoriumuitslagen
 
D. De symptomen worden niet met opzet veroorzaakt of voorgewend (zoals bij de nagebootste stoornis of simulatie).  
   
Diagnose  
Voor de somatisatiestoornis bestaat er geen meetinstrument. Men stelt de diagnose dus vast aan de hand van de door de DSM-IV gestelde criteria.  
   
Behandeling  
De behandeling van de somatisatiestoornis bestaat uit Cognitieve Gedragstherapie (CGT). Voor mensen met somatoforme stoornissen met name voor mensen met een somatisatiestoornis, is er geen medicamenteuze behandeling beschikbaar. Hoewel mensen met een somatisatiestoornis wel vaak een medicamenteuze behandeling zoeken voor de verschillende symptomen en dan het risico lopen om onnodige medicatie voorgeschreven te krijgen, zoals benzodiazepinen en pijnstillers. Behandeling met SSRI (=anti-depressivum) kan worden overwogen indien de zorgen over de lichamelijke klachten gepaard gaan met angst en deze voorop staat.  
   
Voor meer informatie  
Psychiatrienet  
PubMed National Library of Medicine (Engelstalig)  
 
   
Bron: American Psychiatry Association (APA).  
   
   
 
   
   
Eetstoornissen met name anorexia nervosa, boulimia nervosa (vooral) en de Binge-eating disorder  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere eetstoornissen kent, zijn het met name anorexia nervosa, boulimia nervosa (vooral) en de Binge-eating disorder die soms samen worden gezien met zelfbeschadiging.  
   
Anorexia nervosa  
Anorexia Nervosa betekent letterlijk: Gebrek aan eetlust door nerveuze oorzaken. Die naam is eigenlijk niet juist, want het gaat er niet om dat je geen honger zou hebben. Het probleem is juist dat iemand met anorexia wel degelijk een hongergevoel heeft, maar zijn uiterste best doet het onder controle te krijgen en ondanks de honger niet te eten.  
   
Vermageren wordt een soort verslaving. Zo iemand eet dus heel weinig, soms zelfs zo goed als niets. Maar hij of zij is wel geobsedeerd door voedsel, is bang om dik te worden en kan eigenlijk aan niets anders denken. Iemand die anorexia heeft, stelt heel hoge eisen aan zichzelf. Ga maar eens na hoe sterk je moet zijn om jezelf uit te hongeren. Maar dat uithongeren is vaak een eenzame strijd, waarover je met niemand kunt praten. Mensen met anorexia verliezen door hun problemen soms de meeste sociale contacten en zijn dikwijls erg alleen.  
   
Als je anorexia hebt val je af, maar hoe mager je ook wordt en hoe mager anderen je ook vinden, zelf blijf je het gevoel hebben dat je te dik bent.  
   
Boulimia nervosa  
Boulimia Nervosa betekent letterlijk: Honger als een os door nerveuze oorzaken. Als je boulimia hebt, krijg je bij vlagen een vreselijke drang zo'n drang om te eten, dat je echt niet meer kunt stoppen. Het gekke is dat boulimia toch een aandoening is die te maken heeft met de drang om slank te worden, net als anorexia. Je bent geobsedeerd door voedsel en door je gewicht en lichaamsomvang. Misschien zie je er al heel gewoon uit, misschien ook ben je mager of juist dik. Meestal vind je jezelf veel te dik en probeer je op allerlei manieren slanker te worden. Maar tussendoor verval je steeds in ongebreidelde eetbuien, waarbij je -honger of geen honger- zoveel mogelijk voedsel naar binnen propt. Na zo'n eetbui ga je misschien opzettelijk overgeven of je slikt laxeermiddelen om het eten weer kwijt te raken. Je drang om zoveel te eten, lijkt op een verslaving. Iemand die boulimia heeft, stelt vaak hoge eisen aan zichzelf en vindt zichzelf slap of zwak als het niet lukt om het ideale lichaamsgewicht te handhaven. Veel mensen met boulimia leiden soms jarenlang een geheim dubbelleven.  
   
Niemand weet van hun eetbuien. Zelfs niet hun ouders of partner of beste vriendin. Het is erg eenzaam om boulimia te hebben en bovendien wordt het een probleem om je gedachten bij andere dingen dan bij voedsel te houden. Het maken van afspraken is moeilijk, omdat je nooit weet wanneer je weer een eetaanval zult krijgen. Al dat eten en de laxeermiddelen kosten overigens veel geld. Vaak komen cliënten met boulimia in financiële problemen. Soms loopt het zo uit de hand dat ze voedsel gaan stelen. Daar voelen ze zich dan weer erg schuldig over.  
   
Binge-eating disorder  
Binge-eating disorder, afgekort BED, valt onder de categorie eetstoornis Niet Anderszins Omschreven. Het is een eetstoornis waarbij je last hebt van steeds terugkerende periodes van (vr)eetbuien. Het wordt ook wel eetbuienstoornis genoemd. Tijdens deze (vr)eetbuien eet je veel sneller dan normaal, eet je grote hoeveelheden zonder dat je echt honger hebt, eet je stiekem omdat je je schaamt over de grote hoeveelheden die je eet, eet je door tot je een ongemakkelijk vol gevoel krijgt. Tijdens een (vr)eetbui kan het eten je heel even een gevoel van troost geven, maar daarna voel je je nog rottiger dan daarvoor. Na een (vr)eetbui walg je vaak van jezelf en voel je je depressief en/of schuldig. Bij Binge-eating disorder compenseer je een (vr)eetbui niet door te laxeren of te braken. Doordat je veel (vr)eetbuien hebt, krijg je last van (ernstig) overgewicht, wat veel lichamelijke gevolgen kan hebben. Binge-eating disorder kan onder andere leiden tot gebrek aan essentiële stoffen (zoals vitamines en mineralen), en het uit balans raken van de natrium/kalium huishouding. Dit zijn heel gevaarlijke effecten. Maar ook kunnen er problemen ontstaan met de gewrichten, de bloedsuikerspiegel en de bloeddruk. Binge-eating disorder is veel meer dan alleen frustratie "wegeten".  
   
Ontstaansgeschiedenis  
De oorzaak van het ontstaan van een eetstoornis is niet aan te wijzen. Vaak gaat het om een combinatie van factoren, te weten: cultureel-maatschappelijke-, psychologische- en sociale factoren. Hierbij dient opgemerkt te worden dat geen van de factoren op zichzelf de doorslag geeft. Het gaat altijd om een samenspel, waarbij de invloed van de specifieke factoren bij elke cliënt weer enigszins anders kan liggen.  
   
Cultureel-maatschappelijke  
Zo speelt de veranderde rol van vrouwen in de westerse samenleving een grote rol. Aan de ene kant moeten vrouwen nog steeds het ideaal van de zorgende, zachtaardige en aantrekkelijke echtgenote en moeder naleven, aan de andere kant worden ook steeds meer traditioneel 'mannelijke' activiteiten van hen verwacht, zoals een studie en een loopbaan. Een andere cultureel-maatschappelijke factor is de eis van slank zijn die aan vrouwen in de westerse samenleving gesteld wordt.  
   
Psychologische  
Het aanwezig zijn van een zekere kwetsbaarheid en het zich aantrekken van allerlei meningen van anderen. Alles erg goed willen doen, maar er in eigen ogen bijna nooit in slagen. Wat tot gevolg kan hebben is dat succes of falen in verband wordt gebracht met het lichaamsgewicht. 'Alleen als ik tien kilo afval, zullen mensen mij aardig vinden'. Een vertekend lichaamsbeeld, lage zelfwaardering en extreem perfectionisme zijn dan ook kenmerkend voor cliënten met anorexia en boulimia. Andere psychologische factoren die tot het ontstaan van een eetstoornis kunnen leiden zijn: een verbroken relatie, het overlijden van een dierbare, het huis uit gaan, seksueel misbruik, een zwaar examen moeten doen of moeder worden.  
   
Sociaal  
De invloed van het westerse slankheidsideaal dat niet alleen via de media doordringt, maar zich ook manifesteert in de sociale omgeving. Herhaalde kritische opmerkingen over lichaamsomvang, uiterlijk en gewicht door familieleden, partners, vrienden, klasgenoten, medestudenten of collega's kunnen aanleiding geven tot onnodig lijngedrag, dat zich weer kan ontwikkelen tot een eetstoornis. Andere sociale factoren die tot een eetstoornis kunnen leiden is niet voldoende geleerd hebben om gevoelens te uiten of met conflicten om te gaan. Maar ook traumatische ervaringen, zoals incest en lichamelijk of geestelijk geweld, kunnen leiden tot het ontstaan van een eetstoornis.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over anorexia nervosa, boulimia nervosa en de eetstoornis Niet Anderszins Omschreven:  
   
Anorexia nervosa  
A. Weigering het lichaamsgewicht te handhaven op of boven een voor de leeftijd en lengte minimaal normaal gewicht (bijvoorbeeld gewichtsverlies dat leidt tot het handhaven van het lichaamsgewicht op minder dan 85 procent van het te verwachten gewicht; of het in de periode van groei niet bereiken van het te verwachten gewicht, hetgeen leidt tot een lichaamsgewicht van minder dan 85 procent van het te verwachten gewicht).  
   
B. Intense angst in gewicht toe te nemen of dik te worden, terwijl er juist sprake is van ondergewicht.  
   
C. Stoornis in de manier waarop iemand zijn of haar lichaamsgewicht of lichaamsvorm beleeft, onevenredig grote invloed van het lichaamsgewicht, of lichaamsvorm op het oordeel over zichzelf of ontkenning van de ernst van het huidige lage lichaamsgewicht.  
   
D. Bij meisjes, na het begin van de eerste menstruatie in de puberteit, blijft de menstruatie uit, dat wil zeggen de afwezigheid van ten minste drie achtereenvolgende menstruele cycli. (Bij een vrouw wordt geacht dat de menstruatie wegblijft als de menstruatie alleen volgt na toediening van hormonen (bijvoorbeeld oestrogenen).  
   
   
Boulimia nervosa  
A. Terugkerende episodes van vreetbuien. Een episode wordt gekarakteriseerd door beide volgende:  
   
  1. het binnen een beperkte tijd (bijvoorbeeld twee uur) eten van een hoeveelheid voedsel die beslist groter is dan wat de meeste mensen in eenzelfde periode en onder dezelfde omstandigheden zouden eten
  2. een gevoel de beheersing over het eten tijdens de episode kwijt te zijn (bijvoorbeeld het gevoel dat men niet kan stoppen met eten of zelf kan bepalen wat of hoeveel men eet)
 
B. Terugkerende inadequaat compenserend gedrag om gewichtstoename te voorkomen zoals zelfopgewekt braken; misbruik van laxeermiddelen, plaspillen of klysma's of andere geneesmiddelen; vasten of overmatige lichaamsbeweging.  
   
C. De vreetbuien en de inadequate compenserende gedragingen komen beide gemiddeld ten minste tweemaal per week gedurende drie maanden voor.  
   
D. Het oordeel over zichzelf wordt in onevenredige mate beïnvloed door de lichaamsvorm en het lichaamsgewicht.  
   
E. De stoornis komt niet uitsluitend voor tijdens episodes van anorexia nervosa.  
   
   
Eetstoornis Niet Anderszins Omschreven  
De categorie 'eetstoornis Niet Anderszins Omschreven' dient voor eetstoornissen die niet vol doen aan de criteria van enige specifieke eetstoornis. Tot de voorbeelden horen:  
   
  1. Bij vrouwen wordt voldaan aan alle criteria van anorexia nervosa behalve dat betrokkene regelmatig menstrueert
  2. Aan alle criteria van anorexia nervosa wordt voldaan, behalve dat, ondanks duidelijk gewichtsverlies, het huidige lichaamsgewicht van betrokkene binnen de normale grenzen ligt
  3. Aan alle criteria van boulimia netvosa wordt voldaan behalve dat de vreetbuien en de inadequate compensatie mechanismen voorkomen in een frequentie van minder dan tweemaal per week of met een duur van korter dan drie maanden
  4. Het geregeld tonen van inadequate compensatoire gedragingen na het eten van kleine hoeveelheden voedsel bij iemand met een normaal lichaamsgewicht (bijvoorbeeld zelfopgewekt braken na het eten van twee koekjes)
  5. Herhaald kauwen op en uitspugen van, maar niet doorslikken van grote hoeveelheden voedsel
  6. Vreetbuien stoornis ('Binge-eating disorder'): terugkerende episodes van vreetbuien in afwezigheid het geregeld tonen van inadequate compensatoire gedragingen die karakteristiek zijn voor boulimia nervosa
 
Aanvullende kenmerken anorexia nervosa  
   
  • Je denkt de hele dag aan eten en aan calorieën
  • Je sport veel
  • Als je afvalt, heb je het gevoel dat je sterk bent en dat je controle over je lichaam hebt
  • Als je aankomt raak je in paniek. Je hebt het gevoel dat je de controle over je lichaam verliest
  • Je hebt een bijzonder eetgedrag: je wilt bijvoorbeeld alleen eten als er niemand bij is; of je kookt uitgebreid voor anderen maar eet zelf niet mee, of je eet alleen 's nachts, of je wilt alleen eten wat je zelf hebt klaargemaakt
  • Je denkt dat alles beter zal gaan als je maar afvalt
  • Iedereen zegt dat je mager bent, maar je gelooft het niet. Of misschien denk je: dat zal dan wel, maar binnenkort kom ik vast weer aan
  • Je bent zo bang om aan te komen, dat je je verzet tegen iedereen die je probeert te dwingen om te eten
  • Je eetgedrag is je houvast in het leven geworden: het betekent voor je dat je sterk bent en jezelf onder controle hebt
  • Bij meisjes: Je menstruatie is erg onregelmatig of verdwenen
 
Aanvullende kenmerken boulimia nervosa  
   
  • Slank worden is je grootste wens. Je denkt dat alles beter zal gaan als je slank bent
  • Je probeert op alle mogelijke manieren om slank te worden en zo weinig mogelijk te eten
  • Je denkt de hele dag aan eten en aan calorieën
  • Je hebt vaak enorme vreetbuien en verliest dan alle controle over jezelf. Het kan best gebeuren dat je tijdens die vreetbuien allerlei dingen naar binnen werkt waarover je anders niet zou piekeren ze te eten. Misschien eet je gewoon alles wat je in de keuken kunt vinden of je gaat naar de winkel en koopt tien zakken snoep, die je vervolgens allemaal achter elkaar opeet
  • Het feit dat je geen honger hebt of misselijk wordt van al dat eten, maakt niets uit. Je kunt gewoonweg niet stoppen
  • Na een vreetbui ben je doodsbang om er dik van te worden. Je gaat vasten, lijnen, braken of laxeermiddelen slikken
  • Je schaamt je voor je vreetbuien en verbergt ze voor anderen. Tijdens de maaltijd met anderen eet je zo gewoon mogelijk. Misschien krijg je de neiging voedsel of andere dingen te gaan stelen
  • Wat de mensen uit je omgeving ook zeggen, je blijft jezelf te dik vinden. Je bent geobsedeerd door je gewicht en doodsbang er de controle over te verliezen (wat dus wel steeds weer gebeurt)
  • Je ervaart je afwijking als een afschuwelijk probleem. Je probeert van alles om eraf te komen, maar dat blijkt heel moeilijk te zijn. Je gaat jezelf haten omdat het je niet lukt
 
Aanvullende kenmerken Binge-eating disorder  
   
  • Je wilt graag slank worden en maakt dagelijks voornemens over wat je mag eten van jezelf
  • Je onderscheidt 'goed' voedsel en 'slecht' voedsel, en probeert 'slecht', dat wil zeggen calorierijk, voedsel te vermijden
  • Je weegt jezelf veelvuldig, vaak wel een paar keer per dag
  • Je stemming wordt grotendeels bepaald door wat je weegt en wat je eet
  • Wanneer je je rot voelt of wanneer je voor je gevoel toch al 'te veel' hebt gegeten, krijg je een eetbui, waarin je heel veel, vaak juist 'slecht' voedsel naar binnen werkt
  • Je probeert niet door 'compenserend gedrag' je eetbuien teniet te doen (zoals door laxeren, braken, vasten, overmatig sporten)
  • Je schaamt je voor je eetgedrag en je voelt je een slappeling, maar je kunt er toch niet mee stoppen, hoe je het ook probeert
  • Je houdt je eetproblemen voor de buitenwereld verborgen, en eet in gezelschap daarom vaak zo gewoon mogelijk
  • Je bezoekt, om onopvallend aan eten te komen, vaak verschillende winkels, en geeft daarbij soms veel geld uit
  • Je hebt lichamelijke verschijnselen, zoals vermoeidheid, lusteloosheid, slapeloosheid, hoge bloeddruk, vochtophoping in de benen, last van je gewrichten enzovoort
 

Lichamelijke gevolgen anorexia nervosa

 
   
  • Slaapstoornissen
  • Gebitsaantasting
  • Verminderde borstontwikkeling
  • Lage lichaamstemperatuur
  • Storing in de temperatuursregeling
  • Menstruatie houdt op of wordt onregelmatig
  • Bij mannen: verminderde testosteronproductie
  • Spierslapte, verlies van spiermassa
  • Onderhuidse vochtophoping (oedeem)
  • Haaruitval
  • Slecht humeur, depressies
  • Duizeligheid
  • Laag bloedsuikergehalte
  • Trage hartslag
  • Verstopping
  • Nierbeschadiging
  • Donshaar (lanugo)
  • Droge huid
  • Blauwe en koude voeten en handen
 

Lichamelijke gevolgen boulimia nervosa

 
   
  • Gebitsaantasting
  • Beschadigde slokdarm
  • Hartritmestoornissen
  • Maagpijn
  • Darmproblemen, diarree/verstopping
  • Menstruatie stoornissen
  • Bij mannen: verlaagde testosteronproductie
  • Haaruitval
  • Slecht humeur, depressies
  • Pijn in de mondholte
  • Ontsteking en zwelling van de speekselklieren
  • Spierslapte
  • Diffuse pijnen
  • Nierbeschadiging/urineweginfecties
  • Pijnlijke handen
  • Droge en schilferige huid
 
Lichamelijke gevolgen Binge-eating disorder  
   
  • Gewrichtspijn
  • Rugpijn
  • Slechtere conditie
  • Sneller transpireren
  • Slecht slapen
  • Kans op hart-, vaatziekten en suikerziekte
 
Diagnose  
Het vaststellen van een eetstoornis kan met behulp van de volgende meetinstrumenten worden vastgesteld:  
   
  • Eating Disorder Examination (Questionnaire) (EDE)(-Q)
  • Eating Disorder Evaluation Scale (EDES)
  • Eating Disorder Inventory (II) (EDI)(-II)
  • Nederlandse Vragenlijst voor Eetgedrag (NVE)
  • Anorectic Behaviour Observation Scale (ABOS)
 
Daarnaast kan er ook gebruik gemaakt worden van de BMI index. BMI (of ook Quetelet index) staat voor Body Mass Index en is een maat voor je gewicht, gegeven je lengte.  
   
Behandeling  
De behandeling van eetstoornissen kan heel verschillend zijn. Met name rondom de behandeling van anorexia zijn er nog maar weinig grootschalige gecontroleerde studies gedaan over het effect van de behandeling. De behandeling van anorexia en boulimia zijn op een aantal punten identiek.  
   
Overeenkomsten behandeling anorexia en boulimia  
Wat ze gemeen hebben is dat beide eetstoornissen behandeld kunnen worden door bijvoorbeeld de Cognitieve Gedragstherapie (CGT), Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT) en Eye Movement Desentization and Reprocessing (EMDR), aangevuld met non-verbale therapieën (creatieve therapie en psychomotorische therapie), voedingsmanagement en sociale vaardigheidstraining/assertiviteitstraining. Dit alles eventueel in combinatie met medicatie.  
   
Verschil behandeling anorexia en boulimia  
Bij het behandelen van anorexia wordt ook gebruik gemaakt van andere methoden, zoals: de psychodynamische therapie, cognitieve analytische therapie en gezinsgesprekken.  
   
Behandeling Binge-eating disorder  
De behandeling van Binge-eating disorder kan uit een aantal onderdelen bestaan, te weten: medicatie, voedingsmanagement, creatieve therapie, sociale vaardigheidstraining en psychomotorische therapie. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van psychologische interventies, zoals: Cognitieve Gedragstherapie (CGT), Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT), psycho-educatie, motiverende interventies en cue exposure.  
   
Voor meer informatie  
Kenniscentrum Eetstoornissen Nederland  
Startpagina Eetstoornis  
Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa (SABN)  
   
   
Bron: Folder: "In gevecht met je lichaam over anorexia en boulimia nervosa" van de Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa en de website binge-eating-disorder.is onbekend.nl  
   
   
 
   
   
Verslaving  
   
   
Inleiding  
De meeste mensen gebruiken wel eens middelen, zoals alcohol, tabak, cannabis, kalmerende medicijnen of slaapmiddelen. Hierdoor kan men zich prettiger, zelfverzekerder of meer ontspannen voelen. Ook kan men het gevoel hebben er meer bij te horen of het samen gezelliger te hebben. Zo lang er sprake is van matig gebruik, hoeft er nog niets ernstigs aan de hand te zijn. Signalen van een beginnende verslaving zijn: bij herhaling meer gebruiken dan voorgenomen, drang hebben om te gebruiken en gebruiken om problemen te verlichten. Als men meer gebruikt dan men wil, niet kan stoppen, het gebruik niet meer in de hand heeft, als men een groot deel van de dag bezig is met het gebruik, dan spreken we van verslaving.  
   
Fasen van verslaving  
Aan verslaving gaat een proces vooraf, dat wordt gekenmerkt door een viertal fasen. Hoe snel de fasen doorlopen worden is onder andere afhankelijk van het middel en van de leefomstandigheden waarin iemand verkeert. Bij heroïne gaat dit in het algemeen sneller dan bij alcohol. Ook gaat het sneller wanneer men verkeert in een omgeving waarin middelengebruik normaal is. Het proces van verslaving wordt in vier fasen beschreven, te weten:  
   
  1. Experimenteerfase;
  2. Fase van sociaal of geïntegreerd gebruik;
  3. Fase van overmatig en schadelijk gebruik;
  4. De verslavingsfase.
 
Experimenteerfase  
Meestal begint het, vaak op jonge leeftijd met experimenteel gebruik: uit nieuwsgierigheid probeert men een bepaald middel uit.
 
   
Fase van sociaal of geëntegreerd gebruik  
De gebruiker zoekt de positieve effecten van het middel en weet dit in zijn leven in te passen zonder dat men er last van heeft.  
   
Fase van overmatig en schadelijk gebruik  
Het gebruik krijgt een steeds grotere rol in het dagelijks leven. Men gebruikt niet alleen om zich lekker te voelen, maar ook om spanningen en onlust te verdrijven.
 
   
De verslavingsfase  
In deze fase wordt vrijwel het hele leven door gebruik beheerst. Er zijn schadelijke gevolgen op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied.  
   
Verschijnselen  
De verschijnselen hebben betrekking op drie gebieden, te weten:
 
   
  1. Psychisch;
  2. Lichamelijk;
  3. Sociaal.
 

Psychisch

 
Er bestaat een onweerstaanbare behoefte aan het middel (hunkering of zucht). Men heeft het gevoel dat men het middel nodig heeft en verlangt terug naar het effect. Men is in denken en doen continu bezig met het middel. Tegelijkertijd wordt het overmatige gebruik nogal eens ontkend en verheimelijkt. Naast deze directe verschijnselen gaat verslaving regelmatig gepaard met symptomen als angst, depressie en verwardheid. Steeds sterker naar een middel verlangen en zich eigenlijk niet meer prettig kan voelen zonder, wijst op het bestaan geestelijke afhankelijkheid.  
   
Lichamelijk  
De gebruiker kan tolerantie ontwikkelen ten opzichte van het middel. Dit betekent dat men steeds meer nodig heeft om eenzelfde effect te bereiken. Het lichaam kan zo gewend raken aan het regelmatige gebruik dat het niet meer zonder kan. Bij staken van het middel ontstaan onaangename onthoudings- of ontwenningsverschijnselen: trillen, transpireren, misselijkheid, spierpijn, angst, prikkelbaarheid en rusteloosheid. Deze verschijnselen verdwijnen als opnieuw gebruikt wordt. Onttrekkingsverschijnselen wijzen op het op het bestaan van een zogenaamde lichamelijke afhankelijkheid. Tolerantie en onthoudingsverschijnselen treden met name op bij overmatig gebruik van alcohol en opiaten. Het willen vermijden van die verschijnselen vormt vaak een belangrijke reden om met het gebruik door te gaan.  
   
Sociaal  
Omdat de gebruiker niet meer goed functioneert, kunnen problemen met de omgeving (partner, gezin, familie en vrienden) en op het werk ontstaan. Aan de ene kant beperkt de gebruiker zijn bestaan steeds meer tot die personen en die situaties die direct te maken hebben met het verkrijgen van het middel; aan de andere kant nemen mensen uit de omgeving vaak veroordelend afstand van de gebruiker.  
   
Ontstaansgeschiedenis  
Er is niet één oorzaak aan te wijzen voor het ontstaan van een verslaving. Meerdere factoren spelen daarbij een wisselende rol:
 
   
Biologisch  
Erfelijkheid kan een rol spelen. Dat betekent dat sommige mensen door hun erfelijke aanleg een verhoogde kans hebben verslaafd te worden.
 
   
Psychologisch  
Bepaalde psychische problemen maken iemand kwetsbaarder voor het ontwikkelen van een verslaving. Door het gebruik van een middel kan iemand het gevoel krijgen een ingewikkelde situatie beter de baas te kunnen, hetgeen de verslaving in de hand werkt.
 
   
Sociaal  
De situatie of omgeving zoals het gezin of de werkplek kan het gebruik van middelen sterk beïnvloeden. Bij mensen uit een gezin waar fors gebruik van middelen normaal is, is de kans groter dat zij zelf ook eerder tot overmatig gebruik komen. Jongeren spiegelen zich in hun middelengebruik vaak aan die leeftijdgenoten bij wie zij graag willen horen. Zo is XTC-gebruik sterk verbonden met jongeren, die houseparty's bezoeken.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV-TR zegt het volgende over de stoornissen die ontstaan ten gevolge van verslaving:  

 
1. De stoornissen in het gebruik van een middel:  
  • afhankelijkheid
  • misbruik
 
2. De stoornissen door het gebruik van een middel:  
  • intoxicatie/vergiftiging
  • onthouding
  • delirium
  • volhardende dementie
  • volhardende amnestische stoornis (geheugenstoornis)
  • stemmingsstoornis
  • angststoornis (opvallende angst, paniekaanvallen, dwanggedachten of dwanghandelingen door een middel)
  • seksuele stoorissen
  • slaapstoornis
 
Afhankelijkheid van een middel  
Een patroon van onaangepast gebruik van een middel dat duidelijke beperkingen of lijden veroorzaakt zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende, die zich op een willekeurig moment in dezelfde periode van twaalf maanden voordoen:  
   
1.Tolerantie gedefinieerd door ten minste één van de volgende:  
   

a. een behoefte aan duidelijk toenemende hoeveelheden van het middel om een intoxicatie of de gewenste werking te bereiken
b. een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid van het middel

 
2. Onthouding zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:  
   

a. het voor het middel karakteristieke onthoudingssyndroom
b. hetzelfde (of een nauw hiermee verwant) middel wordt gebruikt om onthoudingsverschijnselen te verlichten of te vermijden

 
3. Het middel wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende een langere tijd gebruikt dan het plan was  
   
4. Er bestaat de aanhoudende wens of er zijn weinig succesvolle pogingen om het gebruik van het middel te verminderen of in de hand te houden  
   
5. Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten nodig om aan het middel te komen (bijvoorbeeld verschillende artsen bezoeken of grote afstanden afleggen), het gebruik van het middel (bijvoorbeeld kettingroken), of aan het herstel van de effecten ervan  
   
6. Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd vanwege het gebruik van het middel  
   
7. Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een hardnekkig of terugkerend sociaal, psychisch of lichamelijk probleem is dat waarschijnlijk veroorzaakt of verergerd wordt door het middel (bijvoorbeeld actueel cocaïne gebruik ondanks het besef dat een depressie door cocaïne veroorzaakt wordt of doorgaan met het drinken van alcohol ondanks het besef dat een maagzweer verergerde door het alcoholgebruik)  
   
Misbruik van een middel  
A. Een patroon dat het onaangepaste gebruik van een middel dat duidelijke beperkingen of lijden veroorzaakt, zoals in een periode van twaalf maanden blijkt uit ten minste een (of meer) van de volgende:  
   
  1. Herhaaldelijk gebruik van het middel met als gevolg dat het niet meer lukt om in belangrijke mate verplichtingen op het werk, school of thuis (bijvoorbeeld herhaaldelijk absent of slecht werk afleveren in samenhang met het gebruik van het middel; met het middel samenhangende absentie, schorsing of verwijdering van school; verwaarlozing van kinderen of het huishouden)
  2. Herhaaldelijk gebruik van het middel in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is (bijvoorbeeld autorijden of bedienen van een machine als men onder invloed van het middel is)
  3. Herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking komen met justitie (bijvoorbeeld aanhouding wegens verstoring van de openbare orde in samenhang met het middel)
  4. Voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal of intermenselijk terrein veroorzaakt of verergert door de effecten van het middel (bijvoorbeeld ruzie met de echtgenoot over de gevolgen van de intoxicatie/vergiftiging, vechtpartijen)
 
B. De verschijnselen hebben nooit voldaan aan de criteria van afhankelijkheid van een middel uit deze groep middelen  
   
Intoxicatie/vergiftiging door een middel  
A. Het ontstaan van een omkeerbaar middel-specifiek syndroom als gevolg van recent gebruik van (of blootstelling aan) een middel NB: Verschillende middelen kunnen vergelijkbare of identieke syndromen veroorzaken
 
   
B. Gedrags- of psychische veranderingen  
   
C. De symptomen zijn niet het gevolg van een lichamelijke aandoening en zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis  
   
Onthouding van een middel  
A. De ontwikkeling van een middel-specifiek syndroom als gevolg van het staken (of verminderen) van het gebruik van het middel dat daarvoor aanzienlijk en van lange duur is geweest.  
   
B. Het middel-specifieke syndroom veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
 
   
C. De symptomen zijn niet het gevolg van een lichamelijke aandoening en zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis.  
   
Diagnose  
Verslavingsproblematiek stelt men vast aan de hand van de door de DSM-IV gestelde criteria.  
   
Behandeling  
Hoe langer de verslaving duurt, hoe moeilijker de behandeling is. Vaak mislukken een aantal behandelpogingen. De belangrijkste voorwaarde voor een geslaagde behandeling is de eigen wens om het gebruik te veranderen. Omdat een verslaving hardnekkig is, is volhouden van de behandeling moeilijk. Omdat een verslaving meestal gepaard gaat met lichamelijke, psychische en sociale problemen, moeten die problemen ook worden behandeld. Meestal worden belangrijke mensen uit de omgeving (partner,familie) bij de behandeling betrokken. Een dergelijke gecombineerde behandeling geeft het beste resultaat. Bij een verslaving begint de behandeling vaak met een detoxificatie ofwel ontgifting. Dit is het onder begeleiding staken van het middel. Waar nodig worden onthoudingsverschijnselen en andere klachten beperkt met behulp van medicijnen. Vaak is pas na ontgifting goede diagnostiek mogelijk, met name ten aanzien van bijkomende andere psychische aandoeningen. Tevens kan, meestal pas na ontgifting, bekeken worden hoe de verdere behandeling er uit moet zien. Specialisten op het gebied van verslavingszorg werken in instellingen voor ambulante verslavingszorg (voorheen Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs (CAD)) en klinieken voor verslavingszorg. Tevens zijn er voor diverse verslavingen zogenaamde zelfhulpgroepen zoals de Alcohol Anonymous (AA) en Gambling Anonymous (GA). Kern van de boodschap van deze groepen is dat je verslaafd bent en verslaafd blijft, ook al drink je geen druppel alcohol meer of gooi je geen euro meer in de gokkast. Het enige dat je kunt doen is gewoon totaal stoppen met gokken of het drinken van alcohol. Deelnemers aan deze groepen leren dat ze nooit meer, op welke wijze ook, de 'genoegens' van alcohol drinken of gokken kunnen ervaren, omdat zij daar nooit meer mee om zullen kunnen gaan.
 
   
Voor meer informatie  
Kenniscentrum Verslaving  
Startpagina Verslaving I  
Startpagina Verslaving II  
   
   
Bron: Hulpgids  
   
   
 
   
   
Pervasieve ontwikkelingsstoornissen (autismespectrumstoornis)  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere soorten pervasieve ontwikkelingsstoornissen (autismespectrumstoornis) kent, springt niet een specifieke autistische stoornis eruit waarbij zelfbeschadiging bij voorkomt. Zelfbeschadiging wordt soms bij het hele spectrum gezien.  
   
Autismespectrumstoornis  
Een autismespectrumstoornis wordt beschouwd als een ontwikkelingsstoornis met een neurobiologische oorzaak. De hersenen van mensen met autisme functioneren daardoor anders.  
   
Bij autisme wordt vaak gesproken over mensen die passen binnen het ‘spectrum van autisme’. Hiermee wordt bedoeld dat elk mens en kind met autisme uniek is. Zo bestaan er dus niet twee personen met deze stoornis die precies hetzelfde ziektebeeld hebben. Wel hebben zij een aantal overlappende gedragskenmerken, die binnen de waaier vallen van wat we autisme noemen.  
   
Soms wordt ook gesproken van een zogenaamde Pervasieve Ontwikkelingsstoornis. Dit betekent dat de stoornis invloed heeft op de gehele ontwikkeling van de mens of het kind. Wanneer iemand binnen het spectrum valt van autistische stoornissen zijn er bijzonderheden in het gedrag op drie gebieden:
 
   
  • Minder goed sociaal contact kunnen maken
  • Minder goed kunnen praten of communiceren
  • Minder de fantasie gebruiken
  • Een star patroon van zich herhalende, typische bezigheden
 
Ontstaansgeschiedenis  
De oorzaken van een autismespectrumstoornis zijn nog niet volledig bekend. Er wordt verondersteld dat erfelijkheid een rol speelt en dat er meerdere genen betrokken zijn. Ook zijn er aanwijzingen voor structurele afwijkingen in de hersenen van mensen met autisme.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over pervasieve ontwikkelingsstoornissen (autistische spectrum stoornissen):  
   
Autistische stoornis  
A. Een totaal van zes (of meer) items van (1), (2) en (3) met ten minste twee van (1), en van (2) en (3) elk één:  
   
1. kwalitatieve beperkingen in de sociale interacties zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende:
 
   

a. duidelijke stoornissen in het gebruik van verschillende vormen van nonverbaal ge drag, zoals oogcontact, gelaatsuitdruk king, lichaamshoudingen, en gebaren om de sociale interactie te bepalen
b. er niet in slagen met leeftijdgenoten tot re laties te komen, die passen bij het ontwik kelingsniveau
c. tekort in het spontaan proberen met ande ren plezier, bezigheden of prestaties te de len (bijvoorbeeld het niet laten zien, bren gen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn)
d. afwezigheid van sociale of emotionele we derkeringheid

 
2. kwalitatieve beperkingen in de communicatie zoals blijkt uit ten minste één van de volgen de:  
   

a. achterstand in of volledige afwezigheid van de ontwikkeling van de gesproken taal (niet samengaarnd met een poging dit te compenseren met alternatieve communicatiemiddelen zoals gebaren of mimiek)
b. bij individuen met voldoende spraak duidelijke beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen te beginnen of te on derhouden
c. stereotiep en herhaald taalgebruik of eigenaardig woordgebruik
d. afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel (doen-alsof spelletjes’) of sociaal imiterend spel (nadoen’ spelletjes) passend bij het ontwikkelingsniveau

 
3. beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:
 
   

a. sterke preoccupatie met één of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is ofwel in intensiteit ofwel in richting
b. duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen
c. stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen (bijvoorbeeld fladderen of draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam)
d. aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen

 
   
B. Achterstand in of abnormaal functioneren op tenminste één van de volgende gebieden met een begin voor het derde jaar: (1) sociale interacties, (2) taal zoals te gebruiken in sociale communicatie, of (3) symbolisch of fantasiespel.  
   
C. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan de stoornis van Rett of een desintegratiestoornis van de kinderleeftijd.
 
   
Stoornis van Rett  
A. Alle volgende:  
   
  1. duidelijk normale prenatale en perinatale ontwikkeling
  2. duidelijk normale psychomotore ontwikkeling gedurende de eerste vijf maanden na de geboorte
  3. normale schedelomvang bij de geboorte
 
B. Begin van alle volgende, na de periode van normale ontwikkeling:  

 
  1. afname van de schedelgroei tussen de leeftijd van vijf maanden en 48 maanden
  2. verlies van eerder verworven doelgerichte handvaardigheden tussen de leeftijd van vijf maanden en dertig maanden met de hierop volgende ontwikkeling van stereotiepe handbewegingen (bijvoorbeeld handen wringen of ‘handenwassen’)
  3. verlies van sociale betrokkenheid vroeg in het beloop (hoewel sociale interactie zich later wel ontwikkelt)
  4. optreden van een slechte coördinatie van het lopen of de bewegingen van de romp
  5. ernstige beperkingen in de ontwikkeling van de expressieve en receptieve taal met ernstige psychomotorische achterstand
 
Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd  
A. Een duidelijk normale ontwikkeling gedurende ten minste de eerste twee jaar na de geboorte, zo als blijkt uit de aanwezigheid van bij de leeftijd passende verbale en nonverbale communicatie, sociale relaties, spel en aanpassingsgedrag.  
   
B. Aanzienlijk verlies van voorheen verworven vaar digheden (voor het tiende jaar) op ten minste twee van de volgende terreinen  
   
  1. expressieve en receptieve taal
  2. sociale vaardigheden en aanpassingsgedrag
  3. zindelijkheid voor urine en ontlasting
  4. spel
  5. motorische vaardigheden
 
C. Afwijkingen in het functioneren op ten minste twee van de volgende terreinen:  
   
  1. kwalitatieve beperkingen in sociale interacties (bijvoorbeeld beperkingen van het nonverbale gedrag, er niet in slagen relaties met leeftijd genoten te ontwikkelen, gebrek aan sociale en emotionele wederkeringheid)
  2. kwalitatieve beperkingen van de communica tie (bijvoorbeeld achterstand in of afwezigheid van gesproken taal, onvermogen een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden, stereotiep en zich herhalend taalgebruik, af wezigheid van fantasiespel (‘doen-alsof’ spelletjes))
  3. beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten, waartoe ook behoren motorische stereotypieën en maniërismen
 
D. De stoornis is niet eerder toe te schrijven aan een andere specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie.  
   
Stoornis van Asperger  
A. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende:  
   
  1. duidelijke stoornissen in het gebruik van veel voudig nonverbaal gedrag zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshoudingen en ge baren om de sociale interactie te bepalen
  2. er niet in slagen met leeftijdgenoten tot bij het ontwikkelingsniveau passende relaties te komen
  3. tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bij voorbeeld het niet laten zien, brengen of aan wijzen van voorwerpen die van betekenis zijn)
  4. afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid
 
B. Beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:  
   
  1. sterke preoccupatie met één of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is in ofwel intensiteit of aan dachtspunt
  2. duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet functionele routines of rituelen
  3. stereotiepe en zich herhalende motorische maniërismen (bijvoorbeeld fladderen of draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam)
  4. aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen
 
C. De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.  
   
D. Er is geen duidelijke algemene achterstand in taalontwikkeling (bijvoorbeeld het gebruik van enkele woorden op de leeftijd van twee jaar, communicatieve zinnen op de leeftijd van drie jaar).  
   
E. Er is geen duielijke achterstand in de cognitieve ontwikkeling of in de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden om zichzelf te helpen, gedragsmatig aanpassen (anders dan bin nen sociale interacties) en nieuwsgierigheid over de omgeving.  
   
F. Er is niet voldaan aan de criteria van een andere specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie.  
   
Pervasieve ontwlkkelingsstoornis Niet Anderszins Omschreven  
Deze categorie moet gebruikt worden als er een ernstige en pervasieve beperking is in de ontwikkeling van de wederkerige sociale interactie of van de verbale en nonverbale communicatieve vaardigheden, of als stereotiep gedrag, interesses en activiteiten aanwezig zijn, terwijl niet voldaan wordt aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkellingsstoornis, schizofrenie, schizotypische persoonlijkheidsstoornis of ontwijkende persoonlijkheids stoornis. Zo behoren tot deze categorie ook de ‘atypische autisme’ beelden die niet voldoen aan de criteria van de autistische stoornis vanwege een begin op latere leeftijd, atypische symptomatologie of te weinig symptomen of deze allemaal.  
   
Diagnose  
De diagnose ‘autismespectrumstoornis’ (een verzamelnaam voor alle vormen van autisme) wordt niet zomaar gesteld. Hiervoor wordt een diagnostisch onderzoek doorlopen, waarbij alle stadia van de volwassenen of kinds ontwikkeling aan bod komen.
 
   
Diagnostisch onderzoek bij kinderen en jeugdigen  
  • Anamnesegesprek
  • Spelkameronderzoek
  • Schoolobservatie
  • Intelligentieonderzoek/niveaubepaling
  • Psychiatrischonderzoek
  • Psychologisch onderzoek
  • Neuropsychologisch onderzoek
  • Lichamelijk onderzoek
 
Diagnostisch onderzoek bij volwassenen  
  • Ontwikkelingsanamnese
  • Individuele gesprekken en tests
  • Heteroanamnese bij partner of goede bekende
  • Psychiatrisch onderzoek
  • Psychologisch onderzoek
  • Neuropsychologisch onderzoek
  • Lichamelijk onderzoek
 
Behandeling  
Autisme is een aandoening die niet te genezen is. Wel zijn er gerichte behandelingen mogelijk. Hiermee worden de symptomen van de stoornis beperkt.  
   
Het behandelaanbod varieert van intensieve behandelmethodes die zijn gericht op het verminderen van gedragsproblemen, tot behandelingen om nieuwe vaardigheden aan te leren. De eerste stap in de behandeling is het optimaliseren van de omgeving van de cliënt. Daarna worden vaardigheden geoefend en aangeleerd.  
   
Algemeen behandelingsbeleid  
  1. Vermindering van de draaglast van het gezin. Vroegtijdige onderkenning is van essentieel belang. In elk behandelingsplan moeten de ouders worden betrokken. Informatie over de stoornis is belangrijk, zodat ouders het gedrag van hun kind leren begrijpen om er goed mee om te kunnen gaan. Ouderbegeleiding en hometraining spelen hier op in;
  2. Verbetering van het algehele functioneren van het kind. Communicatie, socialisatie, spel, motoriek e.a. behoeven specifieke en individuele aandacht;
  3. Vermijden sociale druk. Een cliënt met autisme wordt vaak rustiger als ze kunnen ontsnappen aan sociale druk, op geregelde tijden alleen kunnen zijn.
 
Er is nog weinig bekend over de effecten van behandelingsmethoden, van lange termijn onderzoek is nog nauwelijks sprake. Evaluaties van diverse onderzoeken hebben (nog) geen succesvolle behandelingsmethode opgeleverd. Wel is bekend dat een behandeling in het leven van alledag, de meeste vooruitgang bewerkstelligt. Een aangepast leefmilieu waarin structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid centraal staan, leidt tot verbetering van zowel het gedrag als de ontwikkeling. In gezinnen, in dagverblijven, op scholen voor speciaal onderwijs, in internaten enzovoort, worden de principes van structuur en voorspelbaarheid middels visualisering sterk doorgevoerd. Een kind, adolescent of volwassene met een autismespectrumstoornis moet "blindelings" zijn weg kunnen vinden. Hij moet de voorspelbaarheid uit zijn omgeving kunnen putten. In het reguliere zorgaanbod kunnen verschillende behandelingen of trainingen worden geboden.
 
   
De rol van de medicatie bij de behandeling van autisme is beperkt. Er zijn geen geneesmiddelen bekend die belangrijke verbeteringen teweegbrengen of de basale tekorten bij autisme aanpakken. Wel kunnen ze sommige symptomen verlichten of gedragingen verbeteren. Het onderzoek naar de effectiviteit van geneesmiddelen bij autisme is moeilijk te beoordelen, omdat geen eenduidige gedragsschalen worden gebruikt ter evaluatie, de onderzochte groepen weinig overeenstemmen en gering van omvang zijn.  
   
Alternatieve vormen van therapie  
Vanuit een visie op de autistische stoornis zelf of op het kind met een autistische stoornis:  
  • Holding therapie
  • Son-Rise Programma (Kaufmanmethode of Optionmethode)
 
   
Therapieën gericht op bepaalde gedragsaspecten:  
  • Auditieve Integratie Therapie (AIT)
  • Tomatistherapie
  • Facilitated Communication
 
   
Therapieën gericht op stimulering van de hersenen:  
  • Doman en Delcatio therapie
  • Brain Stimulated Method (BSM)
  • Neuro Emotionele Integratie (NEI)
  • Zintuiglijke Hiërarchie (van Soest therapie)
 
Voor meer informatie  
Startpagina Autisme  
Autismefonds  
Autisme info centrum  
Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA)  
Personen uit het Autisme Spectrum (PAS)  
   
   
 
   
   
Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD)  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere soorten aandachtstekortstoornissen kent, is het doorgaans de Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging.  
   
Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder  
ADHD is de afkorting van de Engelse term voor aandachtstekort-stoornis met hyperactiviteit (Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder). Kinderen met ADHD zijn rusteloos, impulsief en kunnen zich moeilijk concentreren.Vroeger werd ADHD ook wel MBD (Minimal Brain Dysfunction) genoemd.
 
   
Men onderscheid drie groepen:  
  1. Bij het onoplettende type is er vooral sprake van ernstige en aanhoudende aandachtszwakte;
  2. Bij het hyperactief/impulsieve type is er vooral sprake van ernstige en aanhoudende impulsiviteit en hyperactiviteit;
  3. Bij het gecombineerde type komen beide soorten problemen samen voor. Dit type ADHD komt het meeste voor.
 
ADHD komt het meest voor bij kinderen tussen 4 en 16 jaar. Lange tijd werd ADHD gezien als een psychische stoornis van kinderen. Maar ook volwassen hebben ADHD. Dat zijn dan volwassenen hebben ook in hun jeugd verschijnselen van ADHD gehad. Deze volwassenen hebben minder last van hyperactief gedrag, maar vooral last van concentratieproblemen en innerlijke onrust. Ze kunnen chaotisch en rusteloos zijn, komen nogal eens te laat op afspraken, praten druk en veranderen vaak van baan.  
   
ADHD komt vaak samen voor met opstandig of agressief gedrag, waardoor het soms lastig is om ADHD vast te stellen. Bij jongens is dat vaker het geval dan bij meisjes.
 
   
Ontstaansgeschiedenis  
De oorza(a)k(en) van AD(H)D is/zijn nog steeds niet helemaal bekend. Aan het begin van de 21e eeuw wordt AD(H)D evenwel meestal als een neurobiologische stoornis beschouwd: er zijn steeds sterker aanwijzingen dat genetisch/biologische factoren een sleutelrol spelen, met name een tekort aan (en/of onevenwicht in de aanwezigheid van) twee neurotransmitters in de hersenen: dopamine en noradrenaline.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder :  
   
A. Ofwel (1), ofwel (2):  
   
1. zes (of meer) van de volgende symptomen van aandachtstekort zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
 
   
Aandachtstekort  

a. slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details of maakt achteloos fouten in schoolwerk, werk of bij andere activiteiten
b. heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel te houden
c. lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct aangesproken wordt
d. volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in schoolwerk, karweitjes af te maken of verplichtingen op het werk na te komen (niet het gevolg van .oppositioneel gedrag of van het onvermogen om aanwij zingen te begrijpen)
e. heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten
f. vermijdt vaak, heeft een afkeer van of is onwillig zich bezig te houden met taken die een langdurige geestelijke inspanning vereisen (zoals school- of huiswerk)
g. raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden (bijvoorbeeld speelgoed, huiswerk, potloden, boeken of gereedschap)
h. wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uit wendige prikkels
i. is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezig heden

 
2. zes (of meer) van de volgende symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:  
   
Hyperactiviteit  

a. beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn stoel
b. staat vaak op in de klas of in andere situaties waar verwacht wordt dat men op zijn plaats blijft zitten
c. rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is (bij adolescenten of volwassenen kan dit beperkt zijn tot subjectieve gevoelens van rusteloosheid)
d. kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende activiteiten
e. is vaak ‘in de weer’ of ‘draaft maar door’
f. praat vaak aan een stuk door

 
Impulsiviteit  

g. gooit het antwoord er vaak al uit voordat de vragen afgemaakt zijn
h. heeft vaak moeite op zijn/haar beurt te wachten

i. verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich op (bijvoorbeeld mengt zich zomaar in gesprekken of spelletjes)

 
B. Enkele symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit of onoplettendheid die beperkingen veroorzaken waren voor het zevende jaar aanwezig.
 
   
C. Enkele beperkingen uit de groep symptomen zijn aanwezig op twee of meer terreinen (bijvoorbeeld op school [of werk] en thuis).
 
   
D. De symptomen veroorzaakt duidelijk lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.  
   
E. De symptomen komen niet uitsluitend voor in het beloop van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie of een andere psychotische stoornis en zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld stemmingsstoornis, angststoornis, dissociatieve stoornis of een persoonlijkheidsstoornis).
 
   
Diagnose  
De diagnose ADHD wordt in de dagelijkse praktijk vastgesteld met behulp van een kort gestructureerd diagnostisch gesprek met de ouders en het kind waarin de belangrijkste klachten worden doorgenomen. In het algemeen wordt gesteld dat voor de diagnostiek van ADHD zowel medische als psychosociale deskundigheden vereist zijn.
 
   
Vragenlijsten kunnen behulpzaam zijn bij het vaststellen van ADHD. In de praktijk worden 2 typen vragenlijsten gebruikt: algemene vragenlijsten gericht op psychische problemen bij kinderen en adolescenten, en vragenlijsten specifiek gericht op ADHD.  
   
Het vaststellen van ADHD kan met behulp van de volgende meetinstrumenten worden vastgesteld:  
   
  • Diagnostic Interview Schedule for Children (DISC)
  • Child Behavior Checklist (CBCL)
  • Conners Rating Scales-Revised (CRS-R)
 
Behandeling  
Voor ADHD bestaan verschillende soorten behandeling. In Behandeling met medicijnen en psychologische methoden worden ze nader beschreven. Op grond van deze informatie kunnen de volgende samenvattende conclusies worden getrokken:
 
  • Alleen de behandeling met medicijnen - met name de zogenaamde psychostimulantia - is bewezen werkzaam. De onderlinge verschillen tussen de psychostimulantia doen daarbij niet ter zake
  • Psychostimulantia leiden niet tot genezing. Na het stoppen met de medicatie treedt doorgaans snel terugval op
  • Er is onvoldoende goed opgezet vergelijkend onderzoek naar stimulantia en antidepressiva
  • Medicatie helpt over het algemeen beter dan gedragstherapie
  • Gedragstherapie waarbij de ouders en leerkrachten van het kind worden betrokken werkt beter dan de overige psychologische behandelingen
  • Er is onvoldoende bewijs dat medicatie in combinatie met gedragstherapie altijd beter helpt tegen de kernsymptomen van ADHD dan alleen medicatie.Wel heeft de combinatietherapie een groter effect op de sociale vaardigheden en is de tevredenheid van de ouders groter
 
Voor meer informatie  
Kenniscentrum ADHD bij volwassenen  
Startpagina ADHD  
Balans, Landelijke organisatie van ouders van kinderen met leer-, opvoedings- en gedragsstoornissen  
Impuls, Landelijke vereniging voor volwassenen met ADHD en aanverwante stoornissen  
   
   
 
   
   
Stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven  
   
   
Inleiding  
Hoewel het DSM-IV meerdere soorten stoornissen in de impulsbeheersing kent, is het doorgaans de Stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven die soms samen wordt gezien met zelfbeschadiging.  
   
Stoornissen in de impulsbeheersing  
Stoornissen in de impulsbeheersing zijn een groep psychische aandoeningen waarbij de persoon geen of weinig beheersing heeft van zijn natuurlijke impulsen. Dit houdt in dat de persoon zijn woede niet kan beheersen, niet kan stoppen met winkelen of gokken, diefstal pleegt of zich de haren uittrekt. Het is van belang om hierbij het verschil tussen dwang en drang te zien. Er is bij stoornissen in de impulsbeheersing primair geen sprake van dwangmatig gedrag (zoals bijvoorbeeld bij een obsessief-compulsieve stoornis), maar van een gebrek aan beheersing van eigenlijk alledaagse vormen van aandrang of lust. Iedereen wordt wel eens kwaad, waagt wel eens een gokje, vertoont agressie of is een beetje jaloers op het bezit van een ander. Iedereen heeft echter een ingebouwde 'rem' om te voorkomen dat er problemen ontstaan door al te impulsief gedrag. Wie een stoornis van de impulsbeheersing heeft, mist deze rem en is niet in staat zijn impulsen in goede banen te leiden. Dit kan zich uiten in een breed scala van symptomen.

 
   
Het DSM beschrijft de volgende aandoeningen in deze categorie:  
   
  • Kleptomanie
  • Pathologisch gokken
  • Pyromanie
  • Periodieke explosieve stoornis
  • Trichotillomanie
 
Stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven  
Verder vermeldt het DSM de restgroep Stoornis van de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven. Hieronder vallen stoornissen die wel afwijkingen van de impulsbeheersing betreffen, maar niet onder de bovenstaande ziektebeelden vallen.  
   
Ontstaansgeschiedenis  
Over de precieze oorzaken van het ontstaan van de stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven is nog maar weinig bekend en geschreven. Voor zover men weet speelt een afwijking van het serotonerge systeem een belangrijke rol in het ontstaan van impulsief gedrag met daarnaast de opvoeding van het kind.  
   
Voorbeelden en kenmerken  
Het DSM-IV zegt het volgende over de stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven:  
   
Deze categorie dient voor de stoornissen in de impulsbeheersing die niet voldoen aan de criteria van enige specifieke stoornis in de impulsbheersing of van een andere psychische stoornis met kenmerken van impulsbeheersing.  
   
Aanvullende kenmerken stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven  
  • Onvermogen om weerstand te bieden aan een impuls, ‘drive’of drang tot een handeling die schadelijk is voor iemand of anderen. Misschien of misschien niet is er bewuste weerstand aan de impuls. De handeling is misschien of misschien niet gepland
  • Een toenemend gevoel van spanning/ arousal (zowel lichamelijk als psychologisch) voor het uitvoeren van de handeling
  • Een ervaring of een gevoel van lust, voldoening of opluchting bij het uitvoeren van de handeling. De handeling is niet in tegenspraak met de primaire, bewuste wens van het individu. Direct na de handeling volgt er misschien of misschien niet oprechte spijt, zelfverwijt of schuld
 
Diagnose  
De stoornis in de impulsbeheersing Niet Anderszins Omschreven stelt men vast aan de hand van de door de DSM-IV gestelde criteria.  
   
Behandeling  
De behandeling bestaat meestal uit cognitieve gedragstherapie en medicijnen. Bij gevaarlijke situaties kan opname in een instelling voor de geestelijke gezondheidszorg nodig zijn.
 
   
Voor meer informatie  
Op dit moment bestaat er nog geen specifiek kenniscentrum die zich richt op stoornissen in de impulsbeheersing. Dit hangt nauw samen omdat er soms veel overlap bestaat met andere psychiatrische aandoeningen waarbij het slecht functioneren van impulsen als een begeleidend symptoom wordt gezien. De psychiatrische aandoeningen die het betreffen zijn: de antisociale- en de borderline persoonlijkheidsstoornis, de manische depressie, de psychotische stoornis, verslaving, boulimia nervosa en ADHD. Daarnaast wordt het slecht functioneren van impulsen ook gezien bij de ziekte van Alzheimer en het premenstrueel syndroom.  
   
   
 
 

"Een van de vele vormen van eenzaamheid is een herinnering hebben en er niet over kunnen praten."

Brigitte Bardot

"Dromen is erg belangrijk. Je kunt alleen iets realiseren als je je er een voorstelling kunt van maken."

George Lucas

"Geluk sluipt naar binnen langs een deur waarvan je niet wist dat je die opengelaten had."

John Barrymore