Brandwonden
Inleiding
Een brandwond is een acute wond. Bij een chronische wond is er sprake
van korrelig bindweefsel, infectie, littekenweefsel en/of onderliggend
lijden, zoals suikerziekte en vaatlijden. Een acute wond heeft deze
complicaties niet waardoor de wond makkelijker te behandelen is.
Dat neemt niet weg dat brandwonden, indien deze niet adequaat behandeld
worden, op een gegeven moment met complicaties gepaard kunnen gaan.
Brandwonden
ontstaan door invloed van hitte op de huid gedurende een bepaalde
tijd en boven een bepaalde kritische temperatuur. Boven deze kritische
temperatuur (+/- 40 Celsius) treedt beschadiging van de huid op.
De
diepte van de brandwond hangt af van:
- De
temperatuur
-
De tijd dat de hitte inwerkt op de huid
-
De oorzaak van de verbranding (bijvoorbeeld hete vloeistof, vuur)
Brandwonden
in relatie tot zelfbeschadiging
Zelfbeschadiging door het toebrengen van brandwonden staat in Nederland
als methode tot zelfbeschadiging op de tweede plaats. In tegenstelling
tot het toebrengen van snijwonden waar nog geen cijfers over bestaan,
zijn hier wel cijfers over. Statistisch onderzoek heeft aangetoond
dat 14% (Brandwondencentrum Beverwijk) van de cliënten boven
de 16 jaar en ouder brandwonden hebben die het gevolg zijn van een
poging tot zelfdoding of zelfbeschadiging.
In
de Verenigde Staten is een demografisch onderzoek gedaan naar zelfbeschadiging.
Dit onderzoek liet eveneens de cijfers zien van de methoden die
werden toegepast.
Snijwonden:
72%
Brandwonden: 35%
Jezelf slaan: 30%
Het zelf stagneren van de wondgenezing: 22%
Je haar uittrekken: 10%
Het zelf breken van je botten: 8%
Meerdere methoden: 78% (inclusief bovenstaande methoden)
Soorten
brandwonden
Er bestaan verschillende soorten brandwonden. De soort brandwond
wordt bepaald door de diepte:
- Eerstegraads
verbranding
-
Oppervlakkige tweedegraads brandwond
-
Diepe tweedegraads brandwond
-
Derdegraads brandwond
- Vierdegraads
brandwond
Oorzaken
Brandwonden kunnen ontstaan door bijvoorbeeld: een vlam/vuur, een
sigaret, strijkijzers, een chemisch product zoals zoutzuur of elektriciteit.
Symptomen/kenmerken
Eerstegraads
verbranding
Bij een eerstegraads verbranding is de (opper)huid nog niet beschadigd.
Bij een eerstegraads verbranding is de huid:
- Rood
-
Droog
-
Pijnlijk
-
Soms wat opgezwollen
- Geen
blaren
Let
op: Blaarvorming kan na 1 dag of zelfs later optreden!
Deze
verschijnselen zijn het beste te vergelijken met die van een ontsteking.
Een typisch voorbeeld van een eerstegraads verbranding is verbranding
door de zon. Na een paar dagen zijn de onaangename verschijnselen
van een eerstegraads verbranding verdwenen.
Oppervlakkige
tweedegraads brandwond
Bij een oppervlakkige tweedegraads brandwond is de huid beschadigd.
Het gaat hier om een oppervlakkige tweedegraads brandwond. Bij een
oppervlakkige tweedegraads brandwond is de wond:
Bovendien
kan er blaarvorming optreden.
Diepe
tweedegraads brandwond
Bij een diepe tweedegraads brandwond is de lederhuid aangetast.
De hitte heeft langer kunnen doordringen in het huidweefsel. Bij
een diepe tweedegraads brandwond is er duidelijk sprake van een
wond. De wond is:
- Roodachtig/wit
-
Nat
-
Zeer pijnlijk
Derdegraads
brandwond
Bij een derdegraads brandwond is de huid verwoest tot aan het onderhuids
bindweefsel. De huid ziet er aangetast uit. Bij een derdegraads
brandwond is de wond:
- Wit/zwart
-
Droog en leerachtig
-
Nauwelijks pijnlijk (bij diepe brandwonden zijn ook de zenuwen
in de huid aangetast)
Vierdegraads
brandwond
Bij een vierdegraads brandwond reikt het dode weefsel tot voorbij
het onderhuids bindweefsel, tot op de fascie of nog dieper. De
fascie is een stevig omhullend vlies van vezelig bindweefsel waarin
het gehele lichaam verpakt is. Er kan sprake zijn van verkoling.
Diagnostiek
De diepte van de brandwond
In de eerste plaats vormt het uitvragen van de voorgeschiedenis
een aanwijzing voor de te verwachten diepte van de verbranding.
Bij brandwonden door hitte gaat het om de temperatuur, de hoeveelheid
van het oorzaak/middel, de inwerkingsduur en de intensiteit van
het contact met de huid. Hierbij spelen ook bijkomende factoren
een rol zoals het toepassen van koeling. Tevens is de huid van kinderen
en bejaarden dun, waardoor er makkelijker weefselschade op kan treden.
Pijn is een ander belangrijk gegeven. Tweedegraads brandwonden zijn
zeer pijnlijk. Derdegraads brandwonden, waarbij de zenuwuiteinden
in de wond beschadigd zijn, zijn toch enigszins pijnlijk, omdat
rondom een derdegraads brandwond zich altijd een zone tweedegraads
verbrande huid bevindt.
Voor
de beoordeling van de brandwonden zijn het wondaspect, de capillaire
refill, hier (het opnieuw aanvullen van bloed in de fijnste vertakkingen
van de bloedvaten) en het betasten van het wondoppervlak eenvoudige
hulpmiddelen. Alle andere methoden, zoals kleurreacties, thermografie,
laser-Doppler stroommeting en weefsel onderzoek blijken in de praktijk
omslachtig en onbetrouwbaar voor routinegebruik.
Het
fysisch diagnostisch onderzoek is beperkt en onnauwkeurig op het
moment van de eerste opvang. De gebruikte onderzoeksmethode toont
slechts een momentopname en is door het dynamisch karakter van de
brandwond weinig betrouwbaar. Ook kan in de loop van de behandeling
ten gevolge van circulatiestoornissen aan de buitenzijde, uitdroging
van de wond, infectie en mechanische beschadiging een tweedegraads
verbranding ‘verdiepen’ tot een derdegraads huiddefect.
Kijken
naar de brandwond leert al veel. Bij een eerstegraads of oppervlakkige
verbranding bestaat slechts roodheid van de huid. De inwerking van
de hitte of de chemische stof heeft niet tot weefselverval geleid,
maar tot een ontstekingsreaktie. Bestaat er blaarvorming, dan gaat
het om tenminste een tweedegraads of huid verbranding. Bij loslating
van blaren komt de lederhuid in het zicht. Een roze, glanzend wondoppervlak
duidt op een oppervlakkig tweedegraads huiddefect; een dof roze
of bleek oppervlak past bij een diep tweede- tot derdegraads wond.
Een bruine of gele doffe wond duidt meestal op een derdegraads brandwond.
Na wondinspectie volgt het betasten met een steriele handschoen.
Oppervlakkige wonden voelen zacht en soepel aan, als normale huid,
de capillaire refill is positief. Bij een diepe verbranding is de
huid stug en voelt leerachtig aan de capillaire refill is afwezig.
De
uitgebreidheid van de verbranding
Het oppervlak van de verbranding bepaald de morbiditeit en mortaliteit.
Bij een verbranding groter dan 15 % van het lichaamsoppervlak (bij
kinderen en bejaarden bij meer dan 10%) treden dermate grote stoornissen
in het orgaansysteem op, dat een te laag volume van circulerend
bloed kan optreden, hetgeen tot shock kan leiden. Het percentage
verbrand lichaamsoppervlak kan eenvoudig berekend worden met behulp
van de regel van negen. Bij jonge kinderen moet echter bedacht worden
dat het lichaam anders geproportioneerd is, met name het hoofd neemt
een relatief groot deel van het lichaamsoppervlak voor zijn rekening.
Het percentage kan ook geschat worden door gebruik te maken van
het oppervlak van de hand van de patiënt. Eén zijde
van de hand met gesloten gestrekte vingers is ongeveer één
procent van het lichaamsoppervlak.
Eerste
Hulp
Met de juiste hulp bij brandwonden kun je levens redden en onnodige
pijn en problemen voorkomen. Het belangrijkste is dat je de brandwond
koelt met lauw zacht stromend leidingwater. Bij (kleine) kinderen
is het belangrijk dat je de wond koelt en niet het hele lichaam
van het kind. Onderkoeling is levensgevaarlijk. Neem bij twijfel
over de juiste eerste hulp altijd contact op met een arts of bel
112.
Is
er sprake van verbranding door vuur:
- Ga
nooit rennen. Zuurstof wakkert de vlammen aan. Probeer niet in
paniek te raken
-
Doof de vlammen door over de grond te rollen
-
Gebruik eventueel stevig en zwaar stuk textiel, een jas of een
grote (blus)deken) om het vuur te doven. Werk vanaf het gezicht
naar de voeten, zodat vlammen het gezicht niet kunnen bereiken
Daarna
geldt voor alle verbrandingen:
- Begin
direct met het koelen van de wond
-
Koel het liefst met zacht stromend, lauw leidingwater. (Koelen
met bijvoorbeeld slootwater kan ook, zeker als er geen andere
koelmogelijkheden zijn. Het is altijd beter dan niets doen!)
-
Koel +/- 10 minuten. Maar let vooral bij kinderen en ouderen op
het gevaar van onderkoeling
-
Verwijder tijdens het koelen de kleding, tenzij deze aan de huid
gekleefd zit
-
Verwijder luiers altijd bij een hete vloeistofverbranding. Een
luier zal hete vloeistof opnemen en ernstige wonden kunnen veroorzaken
-
Waarschuw de huisarts als: er blaren zijn, de huid er aangetast
uitziet, de brandwond veroorzaakt is door een chemisch product
en de brandwond veroorzaakt is door elektriciteit
-
Smeer niets op de wond
-
Verzorg de wond door deze af te dekken met steriel verband, schonen
doeken of lakens
-
Neem niets te eten of te drinken
-
Zorg ervoor dat het slachtoffer zittend wordt vervoerd. Het hoofd
moet altijd hoger zijn dan de rest van het lichaam in verband
met mogelijke oedeemvorming (vochtophoping)
Behandeling
25 jaar geleden lag de nadruk van de behandeling vooral op het in
leven houden van brandwondenslachtoffers. Door de betere behandelingsmethoden
van tegenwoordig blijven brandwondenslachtoffers eerder in leven.
De nadruk van de behandeling ligt de laatste jaren dan ook steeds
op de kwaliteit van het uiteindelijke resultaat, de littekenvorming
Of
de brandwonden behandeld kunnen worden in een algemeen ziekenhuis
is afhankelijk van de kennis die daar al of niet aanwezig is. Hieronder
staat wel een opsomming van patiënten met brandwonden die doorverwezen
moeten worden naar een brandwondencentrum. Maar in principe kunnen
alle patiënten, ook degenen die niet voldoen aan de verwijzingscriteria,
ingestuurd worden. Bovendien kunnen alle patiënten voor een
consultatie worden aangeboden.
Criteria
voor verwijzing naar een brandwondencentrum zijn:
- Brandwonden
> 10% van het lichaamsoppervlak
-
Brandwonden > 5% van het lichaamsoppervlak bij kinderen
-
Derdegraads brandwonden > 5% van het lichaamsoppervlak
-
Brandwonden over functionele gebieden (gezicht, handen, genitalia,
gewrichten)
-
Circulaire brandwonden aan hals, romp en ledematen
-
Brandwonden gecombineerd met een trauma van de ademhalingswegen
of ander begeleidend letsel
-
Brandwonden ten gevolge van elektriciteit
-
Chemische verbrandingen
-
Brandwonden bij slachtoffers met een preëxistente ziekte
-
Brandwonden bij kinderen en ouderen
-
Bij twijfel aan de vermelde ongevalstoedracht
Zonder
helemaal volledig te kunnen zijn worden hier enkele aspecten van
de medische behandeling uiteengezet:
- Algemene
principes bij de wondbehandeling
-
Open wondbehandeling
-
Gesloten wondbehandeling
Algemene
principes bij de wondbehandeling
Het doel van de behandeling van brandwonden is:
- Het
zo snel mogelijk sluiten van de huid
-
Voorkomen van infectie
-
Vermindering, c.q. voorkomen van pijn
-
Voorkomen van mechanische beschadiging van de vitale huid en vitale
epitheel/granulatieweefsel
-
Beperken van littekenvorming
Open
wondbehandeling
Voordelen:
- Lokale
middelen met een anti-bacteriële of necrose-vervloeiende
werking kunnen worden toegepast (het infectierisico wordt zo beperkt)
-
De patiënt is minder beperkt in zijn bewegingen en ziet niet
steeds zijn wonden
Nadelen:
-
Pijnlijke verbandwisselingen
Brandwonden
kunnen ‘open’ of ‘gesloten’ worden behandeld,
dat wil zeggen zonder of met bedekkend verband.
Gesloten
wondbehandeling
Voordelen:
- Besparing
van pijnlijke verbandwisselingen, waardoor minder tijd en materiaal
nodig is
-
Als er een droge afsluitende korst is gevormd, al of niet met
lokale desinfectantia, is het vochtverlies uit de wond beperkt
Nadelen:
- Door
de afsluitende korst kan verdere diagnostiek moeilijk zijn
-
De korst kan defecten gaan vertonen (dit kan een toegangsweg zijn
voor een infectie)
-
Voor de patiënt en het bezoek is de confrontatie met de wonden
vervelend
-
Bij een open behandeling worden hoge eisen gesteld aan de isolatie
en de temperatuur- en vochtigheidsregulatie van de patiëntenkamer
Verbandmiddelen
De keuze voor het gebruiken van een bepaald verbandmiddel is afhankelijk
van de diepte van de brandwond.
- Eerstegraads:
Vette gazen
-
Tweedegraads oppervlakkig: Vette gazen, Hydrocolloïden, anti-bacteriële
zalf, biologische verbanden en transparante wondfolies
-
Tweedegraads diep: Anti-bacteriële zalf en vette gazen
-
Derdegraads: Anti-bacteriële zalf tot huidtransplantatie
- Vierdegraads:
Anti-bacteriële zalf, huidtransplantatie tot het wegsnijden
van spierweefsel of amputatie van het beschadigde bot
Vette
gazen
Deze gazen kunnen in principe enkele dagen blijven zitten. Bij dagelijkse
verbandwisselingen is de kans op beschadiging van de wond groter
dan bij minder frequente wisseling.
Hydrocolloïde
verbanden
Deze verbandmiddelen vormen een geleilaag op de wond. Dit middel
kan enkele dagen blijven zitten. Bij lekkage, door overvloedige
geleivorming, wordt het vernieuwd. De gelei heeft een onaangename
geur. Dit hoeft echter niet op infectie te duiden. Douchen en baden
is mogelijk met het verband.
Anti-bacteriële
middelen
Deze middelen dienen dagelijks te worden vernieuwd. Zalfresten kunnen
door middel van baden en douchen worden verwijderd. Inspectie van
de wond is dan mogelijk. Bij toepassing van onder andere zilversulfadinecremes
kan het aspect/uiterlijk van de wond veranderen waardoor het moeilijk
te beoordelen is.
Biologische
verbanden
Biologische verbanden, zoals bijvoorbeeld menselijke donorhuid van
iemand die is overleden kunnen enkele dagen blijven zitten. Donorhuid
droogt geleidelijk in en valt als een korst van de genezen brandwond.
Wanneer donorhuid niet met de wond verkleefd blijft, is de brandwond
waarschijnlijk toch dieper of kan geïnfecteerd zijn.
Transparante
wondfolies
Dit zijn doorzichtige, gas en waterdamp doorlatende folies. Zij
worden toegepast bij donorplaatsen en oppervlakkige brandwonden.
Als er geen tekenen van infectie zijn kan de folie blijven zitten
tot de wond genezen is.
Huidtransplantie
Bij diepe brandwonden, groter dan een gulden/euro wordt in het algemeen
overgegaan tot huidtransplantatie. Spontane genezing duurt weken
en de kwaliteit van de genezen huid is slecht. Bij een transplantatie
wordt huid afgenomen van een niet-verbrand lichaamsgedeelte van
de patiënt zelf, meestal de binnenkant van een been of een
arm. Dit wordt op de wond gelegd en kan hier ingroeien. Dit in tegenstelling
tot donorhuid van iemand die is overleden, dat alleen een tijdelijke
bedekking vormt.
Huidtransplantie
Voor
een huidtransplantatie komen wonden in aanmerking met een doorsnee
van meer dan drie centimeter. Het kan gaan om wonden die door traumata
zijn ontstaan, decubituswonden, brandwonden, operatiewonden en ulcera
cruris.
Granulatieweefsel
is noodzakelijk
De wond moet een rode kleur hebben. Die duidt erop dat zich granulatieweefsel
(korreligweefsel) heeft gevormd en dat is nodig als basis voor het
transplantaat. Het is niet verstandig op een gele wond een transplantaat
te leggen: meestal zal de doorbloeding te kort schieten. Bij twijfel
kan de chirurg een proeftransplantatie met donorhuid uitvoeren.
Die kan de aanmaak van korreligweefsel bevorderen, en bij verwijdering
na een week blijkt vanzelf of de donorhuid is ingegroeid. In dat
geval kan de chirurg een transplantatie met huid van de patiënt
zelf uitvoeren. Als er maar een klein gebiedje geel is (kleiner
dan 1 cm2) kan de chirurg, na debridement (chirurgische reiniging),
toch proberen een fullthickness transplantaat aan te brengen. Dat
zal dan meestal volledig ingroeien.
Voorbereiding
Meestal zijn wonden besmet met micro-organismen, maar dat hoeft
geen belemmering voor de genezing na transplantatie te zijn. Dat
hangt af van de hoeveelheid bacteriën en de mate waarin ze
pathogeen zijn. Een infectie (roodheid, zwelling, pijn, warmte,
functieverlies) is wel een contra-indicatie voor transplantatie.
Bij infectie met de streptococcus haemolyticus zal de arts de patiënt
met systemisch toegediende antibiotica behandelen; bij pseudomonas-infectie
zal hij lokale behandeling met azijnzuur 1% voorschrijven.
Bot,
pees en kraakbeen zijn niet geschikt om te bedekken met huidtransplantaat
en zullen eerst met granulatieweefsel bedekt moeten zijn. Bij infectie
zullen bot, pees en kraakbeen eerst zelf moeten demarkeren (een
afgrenzing maken tussen dood en levend weefsel) en de buitenste
geïnfecteerde of uitgedroogde laag afstoten. Dit proces kan
de chirurg versnellen door gaatjes in het bot te boren of een laagje
af te frezen; beide behandelingen bevorderen de groei van korreligweefsel.
Keuze
uit transplantaat
De chirurg kan kiezen uit drie verschillende soorten huidtransplantaat.
- Full
thickness graft (FTG);
-
Splitt skin graft (SSG);
-
Punch grafts.
Full
thickness graft
Full thickness graft (FTG) is een huidlap met de volledige huiddikte
en bevat haarzakjes, zweetklieren, talgklieren en zenuwcellen. De
dikte hangt af van de plaats, zo is de huid van de rug veel dikker
dan de huid van de bovenoogleden. De chirurg zal een FTG gebruiken
als contractie ongewenst is. Dit is het geval bij wonden in functionele
gebieden, zoals rond gewrichten, in het hoofd-halsgebied en in de
peri-anaalstreek. Bij kinderen in de groei zal een FTG beter meegroeien
dan een split skin graft. Verder komt een FTG in aanmerking als
pigmentering om cosmetische redenen niet gewenst is.
Split
skin graft
Split skin graft (SSG) bestaat alleen uit het bovenste laagje van
de huid. Het kan in dikte variëren van 0,30 tot 0,45 mm. Naarmate
een SSG dunner is, treedt meer contractie op in de ontvangende wond.
Vanwege de snelle genezing van de donorplaats en de snelle ingroei
in de ontvangende wond is de SSG het meest gebruikte huidtransplantaat
Punch
grafts
Punch grafts zijn huidbiopten met volle huiddikte en een diameter
van 4 mm. De chirurg zal ze gebruiken voor ulcera cruris en voor
gebieden die moeilijk te verbinden zijn, zoals de peri-anaalstreek.
Doordat ze diep in het korreligweefsel worden ingebracht, verschuiven
ze namelijk moeilijk van hun plaats.
Bij
infectie speelt drainage een belangrijke rol: het transplantaat
gaat verloren als er zich weefsel- en bloedresten, een bloeduitstorting
of pus onder bevindt. Dit gebeurt minder snel bij punch grafts.
Genezing
in drie fasen
Voordat een transplantaat definitief is ingegroeid, doorloopt het
drie fasen.
- Het
transplantaat kleeft aan de wond met het door de wond uitgescheiden
fibrine. Stoffen die uitgescheiden worden door bacteriën,
met name de streptococcus en pseudomonas, kunnen deze verkleving
tegengaan. De eerste 48 uur leeft het transplantaat op een anaëroob
metabolisme door diffusie. Als het van het wondbed loslaat, kan
het tot vier dagen drijvend op het serum overleven. Tijdens deze
fase kan het gewicht van het transplantaat met veertig procent
toenemen. Dit ‘oedeem’ kan door een drukverband gedurende
de eerste dagen beperkt blijven.
-
Na 48 uur komt het doorgroeien van bloedvaten op gang. Hoe dit
precies gebeurt is niet duidelijk. Er bestaan drie theorieën
hierover:
- er ontstaan directe anastomosen (verbindingen) tussen wondbed
en graft;
- de vaten van het wondbed groeien in het transplantaat;
- de dode vaten in het transplantaat dienen als geleider voor
de ingroeiende vaten; daarbij zouden vasoactieve stoffen werkzaam
zijn.
-
Na de vijfde dag neemt het gewicht van het transplantaat af en
beginnen celdelingen in de huid van het transplantaat.
Drukverband
Een van de belangrijkste oorzaken voor afstoting van het transplantaat
is een bloeduitstorting onder het transplantaat. Daarom krijgt de
patiënt na transplantatie een drukverband op de wond. Dat voorkomt
ook dat er dode ruimte ontstaat tussen het transplantaat en de wond,
waardoor het transplantaat niet zou overleven, en het beperkt het
vocht. Het verband moet verder schuifkrachten voorkomen en het transplantaat
immobiliseren totdat de bloedvaten ingegroeid zijn.
Als
de wond na de transplantatie door blijft bloeden, zal de chirurg
in eerste instantie laten bijverbinden. Blijft de wond dan nog doorbloeden,
dan moet het verband verwijderd en vervangen worden.
Wondverband
Direct na transplantatie bedekt de chirurg de wond met zogenoemd
wondcontactmateriaal. Dit lijkt op vette (vaseline- of paraffine-)
gazen, maar is gemaakt van kunstvezel. In tegenstelling tot vette
gazen drogen deze gazen niet in en verkleven niet met de wond. Terwijl
vette gazen dagelijks vervangen moeten worden, kunnen de wondcontactgazen
meerdere dagen op de wond blijven.
Wondinspectie
De eerste wondinspectie verricht men samen met de chirurg tussen
de derde en de vijfde dag, afhankelijk van de mate van besmetting
van micro-organismen. De chirurg zal letten op de ingroei van het
transplantaat, het vasthouden van bloed, vocht, soms van pus bij
een geïnfecteerde bloeduitstornting. Verder zal hij stukjes
transplantaat die over normale huid heen liggen, wegknippen.
Gedurende
tien tot veertien dagen, totdat het transplantaat goed is ingegroeid,
moet je de wond met een drukverband blijven verbinden vanwege het
gevaar voor late bloeduitstortingen en oedeem. Dit geldt des te
meer voor FTG’s, die tot tien dagen na transplantatie nog
kunnen loslaten en dan afsterven.
Tot
ongeveer tien dagen kan men de wond na inspectie met wondcontactgaas
verbinden, en dat afdekken met hydrofiel gaas. Op vlakke lichaamdelen
kan men het verband fixeren en druk uitoefenen met een breed fixatiepleister.
Op andere plaatsen gebruikt men een zwachtel waaronder men eventueel
synthetische watten aanbrengt om de druk te verdelen. Om de drie
tot vijf dagen inspecteert en verbindt men de wond opnieuw.
Als
bestrijding van bacteriële besmetting of infectie nodig is,
kan de chirurg de wond laten verbinden met een alginaatverband en
Furacine. Bij een overvloedige vorm van korrelig weefsel kan hij
zilvernitraat voorschrijven. Bij besmetting met stafylokokken is
behandeling met Furacine nodig; nadeel daarvan is wel dat dagelijkse
verbandwisseling noodzakelijk is en dat het jonge bovenste laag
van de huid verwijderd wordt.
De
verschillende voordelen op een rij
Een full thickness graft heeft ten opzichte van een split skin graft
als voordelen dat het:
- Beter
bestand is tegen mechanisch letsel
-
Minder littekencontractie bij de ontvangende wond veroorzaakt
-
Een beter cosmetisch resultaat geeft
-
Minder de neiging heeft te pigmenteren
-
In beperkte mate in staat is te groeien
-
Leidt tot beter herstel van de sensibiliteit
Ten
opzichte van een full thickness graft heeft een split skin graft
als voordelen dat het:
- Sneller
ingroeit, doordat door de sterke vertakking van bloedvaatjes in
de graft een snelle herstel van bloedvaten in het transplantaat
kan optreden
-
De donorwond spontaan geneest
-
Met expansietechnieken vergroot kan worden, tot negen keer de
oorspronkelijke grootte
De
voordelen van punch grafts zijn:
- Snelle
genezing van de donorplaats
-
Pijn van de wond waarop het transplantaat wordt aangebracht verdwijnt
meteen na de transplantatie
-
Bij toepassing op ulcera cruris is de nieuwe huid die vanuit biopten
uitgroeit over het wondbed goed bestand tegen druk van compressietherapie
-
Geschikt voor wonden in lastig te verbinden gebieden omdat ze
moeilijk van hun plaats verschuiven
Second-opinion
Wanneer je twijfels hebt over de behandeling van je brandwonden
bij de huisarts of het ziekenhuis, kun je terecht op het spreekuur
van de brandwondenpoli van het brandwondencentrum.
Je
kunt contact opnemen met het ziekenhuis om een afspraak te maken
voor de brandwondenpoli:
Brandwondencentrum
Beverwijk
Rode Kruis Ziekenhuis
Vondellaan 13
1942 LE Beverwijk
Telefoon: (0251) 26 55 55
Brandwondencentrum
Groningen
Martini Ziekenhuis, locatie Van Swieten
Van Swietenlaan 2
9728 NZ Groningen
Telefoon: (050) 524 52 45
Brandwondencentrum
Rotterdam
Medische Centrum Rijnmond Zuid, locatie Zuider
Groene Hilledijk 31
3075 EA Rotterdam
Telefoon: (010) 290 37 18
De
kosten
De kosten van verbandmiddelen worden in sommige aanvullende verzekeringen
gedekt. Je kunt dit checken in de polisvoorwaarden.
Top
|