Zelfbeschadiging bij verstandelijk gehandicapten
Inleiding
Het
opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel en pijn aan zichzelf
komt bij verstandelijk gehandicapten erg veel voor. Met name bij
zeer ernstig verstandelijk gehandicapten of bij verstandelijk gehandicapten
die tussen de 20 en 50 jaar oud zijn of 10 tot 30 jaar in een instelling
wonen. Er is een verband tussen het niveau van communicatie, de
taalontwikkeling, de zelfredzaamheid en zelfbeschadiging. Nu mensen
met een verstandelijke handicap in toenemende mate buiten de instellingen
gaan wonen, krijgt ook de huisarts met deze groep cliënten
te maken.
De
agressie is op zichzelf gericht en niet op andere of voorwerpen,
dus niet op het voorwerp waar tegen de cliënt bijvoorbeeld
bonkt. De plek waar de cliënt zich verwond is vaak niet toevallig
die plek op het lichaam maar
deze plaats valt vaak samen met de accupunctuur punten vooral in
het gezicht.
Zelfbeschadigend
gedrag en verstandelijke handicaps
Mensen met ernstige psychische problemen, zoals GGZ cliënten,
vormen een risicogroep voor zelfbeschadigend gedrag. Ook bij verstandelijk
gehandicapten komt zelfbeschadigend gedrag meer dan incidenteel
voor, meestal in combinatie met ander probleemgedrag en in samenhang
met een genetische aandoening en/of psychiatrische stoornis. Het
gedrag zelf is vaak stereotiep.
Vormen
De
vormen van zelfbeschadiging bij verstandelijk gehandicapten zijn:
- Slaan/stoten/stompen/schoppen
- Met
het hoofd hard tegen meubels en muren slaan (bonken)
- (Lip)bijten
-
Het tot bloedens toe krabben en peuteren aan oneffenheden op de
huid (skin-picking)
- Krabben/knijpen
- Trekken/plukken
- Schuren/wrijven
- Knijpen/afknellen
- Prikken/duwen
- Peuteren/pulken
- Snijden/krassen
- Springen/zich
laten vallen
- Het
uittrekken van haren
- Voorwerpen
eten/slikken
- Voorwerpen
in lichaamsopeningen stoppen
- Rumineren
(oprispen, uitspugen en herkauwen van voedsel)
- Hard
met de vingers of voorwerpen op de ogen drukken
Vormen
die minder voorkomen
- Eigen
vingers opeten
- Huid
tot op het bot stuk krabben
- Neus
dichtknijpen en zodoende druk op de oren uitoefenen
-
Op de blaas drukken (hard)
-
Stoten met ellebogen tegen voorwerpen
-
Stoten met hiel tegen scheenbeen
-
Fixeren zodat er een slechte doorbloeding is
-
Het uittrekken van nagels aan vingers en tenen
-
Tanden strekken bij zichzelf
-
In ogen prikken
-
Met voorwerpen in de mond prikken
Oorzaken
Waarom
cliënten zichzelf verwonden is niet altijd even duidelijk.
Het gaat gepaard met pijn, dus er moet wel een sterke prikkel zijn
dat cliënten zichzelf dit aan doen.
Zelfbeschadiging
komt bij cliënten veel voor, in tegenstelling tot niet-verstandelijk
gehandicapten. Dit heeft te maken met het feit dat de meeste verstandelijk
gehandicapten niet weten wat de consequenties van hun handelen zijn.
Cliënten reageren direct op hun gevoelens van lust en onlust
en hebben niet door als zij zichzelf ernstig beschadigen, zij na
een tijdje nog last zullen hebben van de zelfbeschadiging.
Er
zijn vier oorzaken voor zelfbeschadiging:
- Het
is een uiting van frustratie die op de persoon zelf gericht is.
De cliënt zit in de sociaal-emotionele ontwikkelingsfase
(laag niveau). Er bestaat geen onderscheid tussen de cliënt
zelf en de buitenwereld en frustraties worden op zichzelf afgereageerd.
Dus om frustratie van buitenaf of zichzelf te uiten zou de cliënt
zichzelf kunnen gaan beschadigen;
- Het
is een uiting van onduidelijkheid of onbegrip van de cliënt.
Als een cliënt iets duidelijk wil maken maar dit lukt niet,
door zichzelf te beschadigen wordt hij wel begrepen. Het gevolg
hiervan is dat als een cliënt aandacht wilt hij zich bij
voorbaat al gaat beschadigen;
- Het
is een uiting van verveling. Er is een tekort aan prikkels uit
de omgeving dus om aandacht te krijgen gaat de cliënt over
tot zelfbeschadiging. Door verveling kan een cliënt ook tics
aanleren zoals ergens tegen aanslaan, deze kunnen zo erg uit de
hand gaan lopen, dat hierdoor zelfbeschadiging ontstaat;
- Door
pijn kan een cliënt ook zichzelf beschadigen. Vaak wordt
hier gemakkelijk aan voorbij gegaan. Zo kan bijvoorbeeld maag-darmstoornissen,
middenoorontsteking, tand- en kiespijn, urineweginfecties of hoofdpijn
een verklaring zijn voor het zelfbeschadigend gedrag;
-
Een plotselinge verandering in de frequentie en intensiteit van
zelfbeschadigend gedrag kan op een lichamelijke aandoening duiden.
Bekende voorbeelden zijn menstruatie, obstipatie en epileptische
activiteit. Ook kan zelfbeschadigend gedrag een bijverschijnsel
zijn van behandeling met medicijnen waaronder anti-epileptica
of psychofarmaca.
Andere
oorzaken kunnen ook zijn:
- Door
het zeer negatieve zelfbeeld en het gevoel van 'slecht' te zijn
gaat de cliënt zichzelf bestraffen
- Ontsnappen
aan gevoelens van afwezigheid en vervreemding
- Om
te laten zien dat je iets waard bent omdat je pijn verdraagt
- Innerlijke
leegte vervullen of eenzaamheidsgevoelens verdrijven
- Door
hormoon veranderingen, bijvoorbeeld bij de menstruatie
- Het
is een vaste gewoonte geworden en 'hoort' bij iemand
Naast
de zojuist genoemde oorzaken, hebben verschillende onderzoeken uitgewezen
dat zelfbeschadigend gedrag functioneel gerelateerd kan zijn aan
de volgende factoren:
- Sociale
consequenties (uitingen van medeleven of troost, waarschuwingen
of afkeurende opmerkingen, vasthouden, afleiden, enzovoort)
-
Toegang tot voorwerpen en activiteiten
-
Prettige lichamelijke gewaarwordingen (zelfstimulering)
-
Het met succes ontsnappen aan of vermijden en uitstellen van opdrachten
of bedreigende situaties
-
Het bewerkstelligen van een reductie in stress of spanning die
de cliënt ervaart
N.B.: Bij
verstandelijk gehandicapten waarbij zelfbeschadiging een nieuw verschijnsel
is moet gedacht worden aan seksueel misbruik.
Syndromen
geassocieerd met zelfbeschadiging
Syndromen
met een bekende genetische oorsprong en zelfbeschadigend gedrag
als kernsymptoom:
- Smith-Magenissyndroom
- Lesch-Nyhansyndroom
- Prader-Willisyndroom
- Aicardisyndroom
(agenesie van het corpus callosum)
- Cornelia-De-Langesyndroom
- Lowesyndroom
- Onbehandelde
phenylketonurie (PKU)
- Rettsyndroom
- Fragiele-X-syndroom
Bij
andere syndromen komt zelfbeschadiging minder voor.
Naast
de zojuist genoemde syndromen komt zelfbeschadiging ook voor bij
bepaalde stoornissen:
-
Tubereuse sclerose (Spectaculair Reactie Patroon, afgekort S.R.P.)
-
Ontwikkelingsdepressie (S.R.P.)
-
Hechtingspsychose (S.R.P.)
-
Inrichtingssyndroom
Bij
de zojuist volgende beschreven stoornissen kan zelfbeschadigend
gedrag voorkomen in het Spectaculair Reactie Patroon (S.R.P.). Het
Spectaculair Reactie Patroon wordt volgens G. Burger als volgt beschreven:
Niveau
De regel geldt: hoe lager het niveau, des te moeilijker is het probleem
vast te stellen. Om bijvoorbeeld te bepalen of een ernstig verstandelijk
gehandicapte cliënt hallucineert, zal de begeleider/hulpverlener
heel goed op de hoogte moeten zijn van het gedragsrepertoire van
de cliënt en scherp moeten kunnen observeren. Een ander belangrijk
kenmerk van ernstige problematiek, namelijk de waan, doet zich bij
deze groep cliënten soms voor op aparte manieren, onder andere
in de vorm van een soort angstaanval. Bij alle verstandelijk gehandicapten
zijn wanen eenvoudiger opgebouwd en minder rijk van inhoud dan bij
andere mensen. Het is belangrijk dit soort mechanismen te onderkennen.
Het heftig reageren zouden we kunnen omschrijven met de term: Spectaculair
Reactie Patroon.
Het
Spectaculair Reactie Patroon
Vooral bij diep verstandelijk gehandicapten treffen we
een serie opvallende uitingen vaak in combinatie aan:
- Zelfbeschadigend
gedrag
-
Gillen
-
Huilen
-
Beschadigen van de materiële omgeving
-
Slaan en schoppen van anderen
Dit
zogenoemde Spectaculair Reactie Patroon kan in verband staan met
psychische problematiek. Het kan de bijzondere vorm zijn waarin
zich een psychisch probleem uit. Je kunt dit soort gedrag beschouwen
als een primaire reactie op ervaren onlust. Het is te vergelijken
met de manier waarop baby's en peuters op onlust reageren. Daarbij
kun je van geen enkel afzonderlijk psychisch probleem zeggen dat
het bij een bepaald niveau verstandelijke handicap op een specifieke
manier tot uiting komt. Daarom mag je nooit uitsluitend afgaan op
de verschijnselen.
Het
voorbeeld van zelfbeschadigend gedrag maakt dit duidelijk. Het kan
zijn dat deze vorm van gedrag veroorzaakt wordt door een depressie.
Maar dat is niet de enige mogelijkheid: zelfbeschadigend gedrag
kan ook nog ontstaan door onder andere emotionele verwaarlozing,
verveling, middenoorontsteking, gewoontevorming en een zelfverwonding
uitlokkend syndroom. Wanneer cliënten gedragingen van het S.R.P.
vertonen, wil dat niet zeggen dat ze bij voorbaat zelfbeschadigend
gedrag vertonen.
Voorkomen
Schattingen
over het voorkomen van zelfbeschadigend gedrag bij verstandelijk
gehandicapten lopen uiteen van 4% tot 40%. Een belangrijke verklaring
voor dit grote verschil is het ontbreken van een eenduidige en heldere
definitie van het begrip zelfbeschadigend gedrag, wat leidt tot
onduidelijkheid over de operationalisering. Zo is het niet duidelijk
of bepaalde gedragingen bij jonge kinderen – bijvoorbeeld
zachtjes met de handen tegen de slapen van het hoofd wrijven of
met de vingers in de mond pulken – als beginnende vormen van
zelfbeschadigend gedrag moeten worden gezien. Naast de ‘voorlopers’
van zelfbeschadigend gedrag zijn ook de ernst en frequentie niet
goed omschreven. Kortom: het is niet duidelijk hoe ernstig het toegebracht
letsel moet zijn en hoe vaak het gedrag zich moet voordoen om van
zelfbeschadiging te kunnen spreken en moeten personen met een verstandelijke
handicap die zichzelf geen lichamelijk letsel kunnen toebrengen
door beschermende maatregelen zoals fixatie (bijvoorbeeld armen
in kokers), wel of niet meegeteld worden?
Diagnostiek
Om
de zelfbeschadiging goed in kaart te kunnen brengen wordt gebruik
gemaakt van een aantal meetinstrumenten, te weten:
-
Motivation Assessment Scale (MAS)
-
Vragenlijst Functie Probleemgedrag
-
Self-injury Traumata (SIT) Scale
Visie
Jaques Heijkoop
In de visie van Jaques Heijkoop, ontwikkelingspsycholoog,
heeft een eigen theorie ontwikkeld, die veel gebruikt worden in
instituten waar cliënten zijn die zijn ‘vastgelopen’.
Vastgelopen
Jaques Heijkoop ziet mensen met probleemgedrag, dus ook zelfbeschadigend
gedrag, als vastgelopen mensen. De reden van deze keuze is dat je
niet voor alle problemen een oplossing moet zoeken en om te voorkomen
dat je gaat stigmatiseren. Je suggereert waarom een bewoner probleemgedrag
vertoont, bijvoorbeeld doordat hij een organische stoornis heeft,
of dat hij in het opgroeien negatieve ervaringen heeft meegemaakt.
Wanneer je aan deze oorzaken denkt, wordt er maar één
kant van de problemen belicht. Je voorkomt daarmee ook dat je jezelf
beperkt in de kijk op en het begrip voor de persoon om wie het gaat.
De term vastgelopen kun je ook gebruiken bij niet-verstandelijk
gehandicapte mensen. Daarom kan een ieder zich er wel wat bij voorstellen.
Het gaat in dit geval dan over verstandelijk gehandicapten, maar
de problemen hoeven niet wezenlijk anders te zijn dan onze eigen
problemen.
Als
je door de verstandelijk handicap heen kijkt, zie je mensen die
niet wezenlijk anders voelen dan wijzelf voelen. Als er in hun leven
geen ruimte is voor hun eigen gevoelens en hun eigen wensen, dan
reageren ze net zo als wij dat zelf zouden doen. Het zijn reacties
op gevoelens van onveiligheid, ze vertrouwen zichzelf en anderen
niet. Het zijn reacties op het onvermogen om de dingen om hen heen
te begrijpen en op het onbegrip van de mensen om hen heen. Hun lichaam
dwingt ze tot bewegingen en handelingen waarvoor ze bang zijn en
de angst daarvoor zuigt hen naar een voortdurende, onbedwingbare,
herhaling van die bewegingen en handelingen.
Jaques
Heijkoop vindt dat niet raar. Zelf reageren wij ook zo als we ons
onveilig voelen, als we de mensen om ons heen niet kunnen vertrouwen.
We raken in paniek als we niet begrijpen wat er om ons heen gebeurt
of als de mensen om ons heen niet willen begrijpen wat we bedoelen.
Als het ons overkomt noemen we het ‘stress’. Wanneer
men naar mensen in hun omgeving gaan kijken, zie je dat ook normaal
begaafde mensen zichzelf verwonden. Het kan in het klein, maar ook
in een ernstiger vorm. Nagels bijten voor een sollicitatiegesprek,
korstjes krabben bij spanningen zoals het maken van een scriptie
of je onzeker voelen bij een bepaald persoon. Iemand die een dierbaar
persoon heeft verloren wil die pijn niet voelen en slaat zichzelf
tegen het hoofd.
Verstandelijk gehandicapten zijn extra kwetsbaar voor stress, omdat
ze nu eenmaal langzamer denken en begrijpen en zich moeilijker kunnen
uiten, omdat ze minder en soms heel weinig invloed hebben op hun
eigen leven. Ze zijn gedwongen om op anderen te vertrouwen en dat
lukt niet altijd.
Als
we erin slagen om door iemands bizarre gedrag heen te kijken, zien
we dat het probleemgedrag niet op zichzelf staat: er is nog meer
aangetast. Meestal zijn ook gevoelens verstoord, is er iets mis
in de relatie met andere mensen, slaagt hij er niet in bevredigende
contacten te leggen met anderen, kan hij zich niet duidelijk maken
aan anderen, heeft hij lage verwachtingen van zichzelf en van anderen.
Zijn hele functioneren lijkt verstoord te zijn. Als dat maar lang
genoeg duurt wordt zijn algemene ontwikkeling geblokkeerd en uiteindelijk
zal zijn hele persoonlijkheid achteruit sukkelen.
Wanneer je de term ‘vastgelopen mensen’ gebruikt, voorkom
je ook dat je een nutteloos onderscheid gaat maken tussen de problemen
van mensen met een ‘hoog’ en met een ‘laag’
intelligentie- of ontwikkelingsniveau. Dat onderscheid is namelijk
niet wezenlijk als je probeert om de processen te verhelderen die
spelen bij vastgelopen mensen.
Benamingen
als gedragsproblemen, emotionele problemen, psychische problemen
of stoornissen, belichten ieder maar een stukje van de problematiek,
terwijl we voortdurend mensen zien die totaal zijn aangedaan en
vastgelopen. Niet alleen in hun persoonlijkheid, maar ook in hun
relatie met de dingen en de mensen om hen heen.
Want
de omgeving mag niet vergeten worden. Familieleden, en professionele
begeleiders/hulpverleners kunnen net zo in problemen verstrikt raken
als de verstandelijk gehandicapte persoon zelf. Ze zitten gevangen
in hun reacties, hun gevoelens, gedachten en verwachtingen. Soms
lijken ze nog erger vastgelopen dan de verstandelijk gehandicapte
die ze aanmelden in verband met zijn problemen. Gedreven door gevoelens
van medelijden, angst, verdriet, schuld, schaamte, machteloosheid,
woede, kunnen ook zij eraan meewerken dat ze met z’n allen
in een vicieuze cirkel terecht komen en uiteindelijk in een neerwaartse
spiraal. Samenleven met een 'vastgelopen mens' dwingt je om je eigen
persoonlijkheid te leren hanteren. Er wordt een zeer krachtig beroep
op je gedaan en daar kun je twee kanten mee op: je kunt ervan groeien
als persoon, als ouders, als team, familie of organisatie; of je
groeit met gevoelens van mislukking uit elkaar.
Het ‘hoe’ van nu
Zoeken naar het ‘waarom’ is volgens Heijkoop vaak de
wanhoopskreet van de begeleiders/hulpverleners, die hopen dat er
ergens een knop zit die ze kunnen omdraaien, waardoor alles opeens
‘over’ is. Zoeken naar het 'waarom' is vaak eindeloos
en er is niet altijd een antwoord op te vinden. Veel deskundigen
zoeken de stoornissen in afwijkend lichamelijk, biologisch of neurologisch
functioneren, of in de vroege ontwikkeling van het kind. Ze hebben
dan wel een oplossing op het ‘waarom’ gevonden, maar
de oplossing om het probleem op te lossen is er niet. Vaak zijn
het problemen die een gewoonte zijn geworden en waarmee je zou moeten
leren leven.
Eigenlijk
zouden we ons beter moeten verdiepen in de vraag naar het 'hoe'
van nu, in plaats van in de vraag van het ‘waarom’ van
vroeger. Als we goed kijken hoe iemand zich weet te handhaven, ondanks
dat hij diep in de put zit, kom je al snel tot verrassende ontdekkingen.
Er zijn allerlei nare gedragingen, zoals agressie, vernielzucht,
zelfbeschadiging en dwanghandelingen. Maar daarnaast zie je ook
allerlei gedragingen waarmee mensen zichzelf in de hand proberen
te houden. Alsof ze zichzelf willen beschermen tegen iets dat ze
zelf ook liever niet doen of ondergaan. Alsof ze zich willen beschermen
tegen schade aan anderen, schade aan zichzelf en schade aan de dingen
om hen heen. Wie goed kijkt ziet niet alleen dat ze zich proberen
te beschermen tegen het kwaad dat ze zichzelf en anderen kunnen
aandoen, maar dat ze ook gedag vertonen waarmee ze indirect bijdragen
aan het voorkómen van de ellende. Het zijn manieren van waarnemen,
positie bepalen, handelen en denken waarmee ze zichzelf nog net
staande kunnen houden, zich nog net kunnen handhaven.
Wie eenmaal heeft kunnen zien dat vastgelopen mensen zelf ook zoeken
naar manieren om eruit te komen, heeft de sleutel ontdekt waarmee
je oplossingen kunt vinden voor gedragsproblemen. De oplossing zit
hem in het uitbouwen van die zelfhandhavende en zelfbeschermende
krachten. Als je naar die krachten op zoek gaat en niet langer energie
steekt in het zoeken naar een antwoord op de vraag 'waarom' iemand
dit of dat doet, kom je bij ongebruikelijke antwoorden. De gebruikelijke
manier van denken over mensen die in de put raken of die vastlopen
bestaat vooral in het zoeken naar een oorzaak, naar één
motief. Hij of zij doet het omdat... … En dan komt het antwoord
dat suggereert dat er één reden is voor de agressie,
voor de zelfbeschadiging: iemand is gefrustreerd, wordt alleen gelaten,
is verwend, krijgt niet genoeg structuur aangeboden, heeft pijn,
is een aandachttrekker.
Het
zijn vaak onzekere mensen, die zich onveilig voelen, die heen en
weer geslingerd worden tussen wel willen en niet willen, tussen
kunnen en niet kunnen. Er is niet duidelijk aan te wijzen wat hen
drijft tot een bepaalde reactie. Het zijn mensen die maar zelden
duidelijk laten zien wat ze wel en niet willen, zelfs niet als ze
kunnen praten om dat duidelijk te maken. Veel vaker zien we bij
hen krachten die werken als weerstanden, angstaanjagend hoge drempels,
wat leidt tot vermijden, vastklampen en afweren. Dat zijn dieperliggende
krachten dan krachten als “ik wil” of “ik kies”.
Ook vastgelopen mensen bij wie je, gezien hun ontwikkelingsniveau,
zij mogen spreken van een ‘ik’, blijken nauwelijks een
‘ik’ te hebben ontwikkeld. Alleen mensen die een 'ik'
hebben ontwikkeld zijn tot een vrije keuze in staat. Over mensen
die dit stadium niet bereikt hebben, wordt geschreven dat ze weinig
weerbaar zijn.
Toetsen van
Wanneer je dat weet is het extra belangrijk om regelmatig opnieuw
te toetsen of wat je doet echt in het belang van de gehandicapte
is. Toetsen is hard nodig in alle gevallen waarin de ene persoon
uitmaakt wat goed is voor een ander. Bij mensen bij wie dergelijke
krachten spelen komen we er niet uit met de alledaagse psychologie,
waarin we er bijvoorbeeld van uitgaan dat mensen gewoonlijk blijven
doorgaan met zaken die ze plezierig vinden, en dat ze gedragingen
die ze vervelend vinden minder vaak zullen doen. Op deze manier
werkt dat niet. Ze zitten vaak met grote pijn in hun lijf en ziel,
in de vorm van schaamte en schuld en dat kan nog steeds een extra
beweegreden worden om langer en heftiger door te gaan. Ze kunnen
niet stoppen, juist omdat het pijnlijk is. Ze worden als het ware
‘gezogen’ naar een gedrag waarvoor ze zich schamen en
waarover ze zich schuldig voelen. Heijkoop spreekt dan over een
‘obsessie’ of ‘dwang’.
Gedetailleerd kijken
Wie echt probeert om de signalen op te vangen van gedrag waarmee
verstandelijk gehandicapte mensen hun best doen om zichzelf te handhaven
en te beschermen, moet in de eerste plaats zeer gedetailleerd naar
hen kunnen kijken. Dat vergt een bepaalde opstelling: je moet bereid
zijn het eigene van de persoon te willen zien en je moet open staan
voor de inbreng die de persoon zelf kan hebben. En verder vergt
het technische hulpmiddelen om je blik te verscherpen.
Gewoonlijk
kijken wij met vooroordelen naar verstandelijk gehandicapte mensen:
we hebben bepaalde ideeën over één verstandelijk
gehandicapte persoon of over gehandicapte personen in het algemeen,
we hebben vooroordelen die ons worden ingegeven door algemene normen
en doordat taal zo'n gebrekkig communicatiemiddel kan zijn. We vertrouwen
te veel op taal, en daardoor ontnemen we onszelf de mogelijkheid
om aspecten in iemands functioneren te ontdekken waarvoor onze spreektaal
geen woorden heeft. Het gaat om zaken waarvan we ons meestal niet
bewust zijn, maar die, als je er naar zoekt, met behulp van lichaamstaal
wel zijn af te leiden. Want ons lichaam neemt een stroom van reacties
waar en zendt voortdurend reacties uit, zonder dat ons bewustzijn
daar weet van heeft.
Video-analyse
Een technisch hulpmiddel, waarmee onze blik verscherpt kan worden,
is de video. Je kunt dat medium bewust zo gebruiken dat je enerzijds
afstand creëert en anderzijds heel gedetailleerd kunt kijken.
Een video-opname stelt je in staat te zoeken naar acties en reacties,
die je in de dagelijkse omgang met iemand ontgaan, maar die wel
degelijk invloed kunnen hebben op jezelf en op anderen. Vaak ben
je je in het geheel niet bewust van dergelijke invloeden.
Een
video-opname laat zien hoe moeilijk het is om antwoord te geven
op schijnbaar eenvoudige vragen als: “Wat zie ik?”,
“Wat hoor ik?” of “Wat voel ik?” Probeer
maar eens onder woorden te brengen wat je precies gezien, gehoord
of bedoeld hebt, naast of tegenover de totaalindruk die je hebt
gekregen. Pas als je naar een videoband van jezelf en iemand anders
hebt gekeken, zie je hoe je eigen waarneming voortdurend wordt gekleurd
door allerlei verwachtingen en ideeën die je koestert over
die andere persoon. Je bent op zoek naar datgene wat hem bezighoudt;
letterlijk, naar zijn eigen wijze van zijn. Of nog directer: wat
beweegt hem, wat trekt hem aan, wat doet hem zich terugtrekken?
Een
open blik
Een open blik vraagt in de eerst plaats een open houding. Wil je
jezelf in staat stellen iets te vinden bij dit gedetailleerde zoeken,
dan moet je hem in zijn waarde willen laten, ook al voldoet hij
op het eerste oog niet aan onze maatstaven. En ook al is hij niet
in staat op een voor ons verstaanbare manier via taal of gebarentaal
met ons te communiceren.
Bij
het zoeken naar positieve krachten is de videocamera onontbeerlijk.
Hij stelt je in staat om uitvergroot, desnoods tientallen keren
herhaald, te kijken naar wat zich dagelijks om je heen afspeelt.
In het dagelijkse leven is de mens druk, druk met degenen voor wie
hij zorgt en ook druk met zichzelf. Hij vergeet dat zijn eigen gedrag
effect heeft op de mensen om hem heen. Hij vergeet dat de mensen
om hem heen zijn gedrag net zo hard beïnvloeden. Hij is zorgelijk
en misschien te geïrriteerd om nog positieve krachten te ontdekken
in iemand die hij op dat moment liever niet zou willen zien. Of
in zichzelf, want wie zichzelf machteloos voelt, ziet niet veel
‘krachten’ in zichzelf.
Toch
zijn die krachten er. Misschien zijn ze heel klein, misschien is
er alleen een begin. Maar ongeacht het niveau waarop een gehandicapte
functioneert, en ongeacht de ernst van de problematiek, altijd is
ergens een aanzet te vinden van pogingen om de problemen in de hand
te houden.
Dat
is volgens Heijkoop geen blind geloof, dat heeft de ervaring geleerd
in een praktijk van jarenlang met de videocamera kijken naar mensen
die buitengewoon vast waren gelopen. Alleen hij die verwacht dat
hij iets zal vinden, zal ook daadwerkelijk iets vinden. Als we in
staat zijn om genuanceerd naar onszelf te kijken, naar de gehandicapte
te kijken en naar wat er tussen ons gebeurt, is er al een begin
gemaakt met een gunstige ontwikkeling.
Een
klein begin, maar zodra daar gebruik van gemaakt wordt, en zien
dat er iets mee te bereiken is, zal die gunstige ontwikkeling zich
voortzetten. Dat wil niet zeggen dat daarmee alle problemen de wereld
uit zullen zijn. Vaak is dat wel het resultaat, maar soms is het
resultaat niet groter dan dat de bewoner en de mensen om hem heen,
kunnen leven met het probleemgedrag zonder er voortdurend onder
gebukt te hoeven gaan.
Behandeling
Achter het hoe en waarom van zelfbeschadigend gedrag zit
geen eenduidend antwoord of motief. Je denkt vaak, dat er ergens
een knopje omgezet kan worden. “Als we die hebben gevonden
komt alles weer goed”. Je kunt je beter afvragen “hoe
je de cliënt kunt helpen om zijn zelfbeschermende krachten
te ontdekken en vergroten”.
Ieder mens vertoont gedrag dat gericht is op het voorkomen of in
stand houden van probleemgedrag. We hebben er allemaal last van,
als we onszelf en anderen pijn doen, we voelen schuld, schaamte,
onzekerheid en mislukking. Iemand gaat hierin door en kan probleemgedrag
vertonen. Hij is het spoor bijster.
Er
bestaan drie benaderingswijzen, te weten:
-
Zelfbescherming;
-
Vermijden of aangaan;
-
Andere benaderingswijzen.
Zelfbescherming
Zelfbescherming is niet altijd bewust of gepland, om te proberen
te voorkomen dat ze in de knoop raken en allerlei geestelijke en
lichamelijke pijn ervaren.
Van groot belang is het om als begeleiders/hulpverleners aansluiting
te zoeken bij die krachten en handelingen waarmee iemand zelf al
probeert die ellende de baas te blijven.
Je moet weten waar je naar zoekt. Je kunt als hulpmiddel zelfbeschermend
gedrag indelen in categorieën:
-
De situatie: wat speelt zich in de directe omgeving af;
-
Het organisme: de lichamelijke en emotionele gesteldheid;
-
De reacties: het probleemgedrag dat gepaard ging met controleverlies;
-
De consequenties: de gevolgen van het gericht gedrag.
De
reacties van de bewoner kun je in een vijftal categorieën indelen:
Categorie a. Tegenhouden
Iemand probeert zelf heel direct te voorkomen dat het probleemgedrag
zich voordoet door:
- Jouw
hand vast te houden zodat deze niet gaat slaan
-
Op zijn eigen hand gaan zitten
-
Zijn handen onder zijn trui stoppen
Categorie
b. Alternatief
Gedachten en lichaamsdelen die gekoppeld zijn aan het probleemgedrag
vullen met iets anders door:
-
Kledingstukken vasthouden
-
Voorwerpen in de hand nemen
-
Nadrukkelijk iets (met die voorwerpen) doen: breien, haken, manipuleren
Categorie
c. Verandering in het innerlijk aanbrengen
Proberen de stemming, gedachten, aandacht en verwachting een andere
kant op te krijgen, om maar niet met ‘het’ bezig te
zijn. Als fluiten in het donker:
-
Een pop of doek als mascotte overal mee naar toe nemen om het
onheil te bezweren
-
Niet naar de hand kijken die kan slaan
-
De aandacht gevangen houden door luid te gaan praten, geluiden
maken, liedjes te zingen
Categorie
d. Omgevingskenmerken veranderen
Er wordt in de omgeving iets veranderd zodat ‘het’
niet hoeft plaats te vinden bijvoorbeeld:
-
Een pet opzetten zodat de bewoner niet hoeft te bonken
-
Zijn terrein afbakenen zodat hij de ander niet kan raken
Categorie
e. Testen van veiligheid
Dit is door min of meer gecontroleerd met het probleemgedrag zelf
te komen. Het gaat hierbij om het effect dat het bij de begeleiders/hulpverleners
heeft. Gecontroleerd wordt of de geboden bescherming tegen het probleemgedrag
nog deugt: “Wat heb ik aan mijn begeleiders”?:
-
Zo stellen dat anderen het wel moeten zien, “dan letten
ze de volgende keer wel op mij”
-
Een nieuwe begeleider/hulpverlener (gelijk of na een tijdje) flink
aanpakken om zijn stevigheid te testen
-
Tijdens het alleen zijn met spullen gaan gooien, andere cliënten
slaan: dan blijven ze wel bij je
De
hierboven beschreven vormen van zelfbeschermend gedrag zijn vooral
te zien op momenten dat er niet echt iets bijzonders aan de hand
is. Juist dan kun je zien hoe iemand zich in de hand houdt en voorkomt
dat er dingen misgaan. Op deze momenten kun je ideeën opdoen
en uitgangspunten vormen. Het is leerzaam om gebruikte manieren
van zelfbescherming te ontrafelen. Hoe iemand probeert zichzelf
in toom te houden.
Raakt iemand in bepaalde situaties overstuur, dan worden de zogenaamde
vreemde, onverklaarbare gedragingen ineens heel logisch en verklaarbaar.
Je leert zien:
-
Het verband tussen het zomaar weglopen van de begeleider/hulpverlener
en het omgooien van een cliënt
-
Het willen vullen van de handen omdat ze anders gaan slaan
Als
je de betekenis van bepaalde gedragingen kent, word je ook attenter
op de functie ervan. Bijvoorbeeld, als iemand zichzelf vaak hard
tegen het hoofd slaat, moet je niet het negatieve gaan bevestigen
door bijvoorbeeld de bewoner z’n gezicht in te smeren met
zalf.
Vermijden of aangaan
Als je bepaald gedrag accepteert als zelfbescherming maak je mensen
minder kwetsbaar. Soms neemt de wijze van zelfbescherming zulke
ernstige vormen aan dat men uit angst alles gaat vermijden. De boze
wereld wordt dan steeds kleiner en bedreigender. De hulp die je
in zo’n situatie moet bieden, komt neer op voor een (groot)
stuk overnemen van de bescherming en tegelijkertijd laten ervaren
dat de cliënt weer mee kan gaan doen, zonder dat het allemaal
weer mis zal gaan. Bij vastgelopen mensen betekent zo’n wijze
van begeleiden vaak een loskomen van de angst die bijvoorbeeld is
gaan kleven aan armen en benen.
De
geboden hulp bestaat niet alleen uit het accepteren en begrenzen
van de zelfbeschermende handelingen, maar ook uit ondersteuning
bij het opnieuw leren omgaan met momenten, handelingen, houdingen,
posities, contacten, personen, situaties en gedachten die met angst
beladen zijn. De hulp is gericht op het vinden van een nieuwe balans
tussen vermijden en aangaan als strategie in het omgaan met angst.
Andere
benaderingswijzen
Manieren
om zelfbeschadiging te voorkomen zijn:
- Laat
hem niet alleen als hij het moeilijk heeft
- Geef
hem geen alcohol, drugs of cafeïne, dit maakt het hem moeilijker
om zich er tegen te verzetten
- Zorg
dat hij geen voorwerpen onder ogen krijgt waarmee hij zich zou
kunnen beschadigen
- Herken,
vermijd en verlaat risico volle situaties
- Herinner
hem aan een sterk moment van zichzelf
- Laat
hem om hulp vragen
- Laat
hem iets vertellen of hard op tellen
Als
de cliënt toch iets moet doen van zichzelf kun je het volgende
geven of doen:
- Houd
een ijsklontje in de handen totdat het gesmolten is
- Laat
hem een theelepel sambal of rode peper nemen
- Laat
hem een stuk rennen
- Laat
hem op bed liggen en laat hem zijn hoofd vaak en hard tegen een
kussen of matras slaan
- Laat
hem zo hard hij kan schreeuwen, gillen of krijsen in een kussen
- Laat
hem met bijvoorbeeld een stuk hout op een plank slaan ter vervanging
van zelfbeschadiging
Gevolgen
Pijn
is het grootste gevolg van zelfbeschadiging. Pijn hoeft niet altijd
op het moment van de beschadiging te ontstaan maar kan ook later
komen.
Door
de pijn komt er in het lichaam endorfine vrij. Endorfine is een
lichaamseigen pijnstiller en zorgt er voor dat je je rustig en prettig
voelt. Omdat dit een fijn gevoel is kan zelfbeschadiging een verslaving
worden.
Zelfbeschadigend
gedrag dat regelmatig voorkomt kan lichamelijke schade veroorzaken.
Het hangt er wel van af hoe hard het gebeurt en waarmee, maar de
schade kan soms ook fatale gevolgen hebben. De voortdurende slagen
die cliënten zichzelf geven, kunnen doofheid en/of blindheid
tot gevolg hebben.
Andere
bekende gevolgen zijn de zogenoemde bloemkooloren (ontstoken en
opgezwollen oren), het volkomen beurs geslagen gezicht en de grote
littekens op hoofd, benen en handen. Wanneer de littekens herhaaldelijk
opengehaald worden, kan het zijn dat er na verloop van tijd eeltvorming
ontstaat op de plekken.
|
|
"Een van de vele vormen van eenzaamheid is een herinnering hebben en er niet over kunnen praten."
Brigitte Bardot
"Dromen is erg belangrijk. Je kunt alleen iets realiseren als je je er een voorstelling kunt van maken."
George Lucas
"Geluk sluipt naar binnen langs een deur waarvan je niet wist dat je die opengelaten had."
John Barrymore
|