Zelfbeschadiging.info
Een website voor cliënten, hulpverleners en belangstellenden
Home Zelfbeschadiging Medisch/EHBO/SEH Patiëntenrecht Externe bronnen Zelfbeschadiging.info

Behandeling

Inleiding
Het is nog maar kort geleden dat er in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) ten aanzien van de behandeling van zelfbeschadiging een gedeeltelijke cultuuromslag heeft plaatsgevonden. Voorheen werd zelfbeschadiging gezien als een communicatiemiddel en een kreet om aandacht. Het behandelbeleid was dan ook: “Géén aandacht geven, behalve aan de wond en (eventueel) separeren”. Door geen aandacht te geven zou het zelfbeschadigend gedrag vanzelf ‘uitdoven’. Inmiddels is men er achter gekomen dat het veel genuanceerder ligt en blijkt dat bij veel cliënten die zichzelf beschadigen vroege traumatisering een belangrijke rol speelt. Deze nieuwe inzichten of wel deze cultuuromslag heeft mede plaats kunnen vinden onder invloed van cliënten(organisaties) die zich hard inzetten voor de verbetering van de positie van cliënten die zichzelf beschadigen. Er zal helaas zeker nog een hele generatie overheen moeten gaan in de GGZ, maar ook in de andere sectoren van de gezondheidszorg, wil deze cultuuromslag overal zijn intrede doen.

De eerste en de belangrijkste stap die deels al gezet is, als het gaat om de behandeling en bejegening van cliënten die zichzelf beschadigen, is het accepteren dat zelfbeschadiging voor veel mensen een wezenlijke manier is om het leven aan te kunnen en dat men, lees: hulpverleners niet het recht hebben om van cliënten te eisen er mee te stoppen tenzij men iets beters te bieden heeft. Aangezien men dat (nog) niet kan, heeft men de verantwoordelijkheid er voor te zorgen dat er zo gevoelig mogelijk wordt omgegaan met de daad, en dat alles in het werk gesteld moet worden om de lichamelijke schade tot een minimum te beperken net als de geestelijke schade die, helaas, maar al te vaak het gevolg is van de negatieve benadering door hulpverleners.

De vrouwenhulpverlening is tot nu toe de meest vooruitstrevend wat de aanpak van zelfbeschadiging aangaat. Deze probeert vrouwen die zichzelf beschadigen instrumenten aan te reiken waardoor ze het gevoel van schuld, schaamte, machteloosheid op een andere manier de baas kan worden. Ze biedt vrouwen allereerst praktische alternatieven aan om de spanning op de te lossen: ijsblokjes in je handen houden tot ze smelten, week-fles-elastiek om je pols en dat laten springen tegen je hand, heel hard in een zacht balletje knijpen. Ook dansen, hardlopen, racefietsen of op het strand schreeuwen tegen de wind kunnen helpen. Erover praten tegen een vertrouwd iemand is ook een goed idee. Daarnaast moet er natuurlijk aan de achterliggende oorzaken gewerkt worden en dat doet de vrouwenhulpverlening ook.

Algemene inventarisatie zelfbeschadiging

De betekenis van zelfbeschadiging
Het is belangrijk dat de hulpverlener de onderliggende psychodynamiek van het zelfbeschadigend gedrag tracht te begrijpen. Het gaat daarbij om: de wijze waarop de ervaringen van de cliënt in het verleden haar handelen in het heden beïnvloeden, de betekenis of functie die zelfbeschadiging voor de cliënt heeft en wat het effect van dit gedrag op de cliënt is.

Het proces van zelfbeschadiging
Om het goed te kunnen begrijpen, is het van belang het als een proces te zien. De hulpverlener observeert en bespreekt samen met de cliënt het zelfbeschadigend gedrag, de eraan voorafgaande gebeurtenissen, gedachten en gevoelens en tracht samen met de cliënt de potentiële risico’s, oftewel de uitlokkers of spanningsbronnen in het heden, vast te stellen. Daarnaast is het belangrijk om samen met de cliënt te bespreken wat er in de fase voorafgaand aan het zelfbeschadigend gedrag (klimmend stadium) gebeurt. Vervolgens kan de hulpverlener in overleg met de cliënt een analyse maken: op welk punt in de ketting van gebeurtenissen en gedragingen kan een verandering of interventie het meest effect sorteren

Levensgeschiedenis
Het is belangrijk dat de hulpverlener alert is op signalen van de cliënt die
verwijzen naar vroege traumatisering (geweld, alcoholisme, kindermishandeling (psychische-, fysieke mishandeling en/of seksueel misbruik)) en andere bronnen van stress in het verleden. Men kan dan denken aan (langdurig) pesten op school maar ook aan oorlogstrauma’s. Kennis hierover vergroot het inzicht in de betekenis van het zelfbeschadigend gedrag.

Bronnen van stress in het heden
De hulpverlener moet samen met de cliënt de bronnen van stress in het heden onderzoeken die van invloed kunnen zijn op zelfbeschadigend gedrag. Deze kunnen zijn: werk, school, financiën, wonen, echtscheiding, relatieproblemen, overlijden van een belangrijk iemand, ziekte, ongelukken, alcohol- en drugsgebruik in de familie, afwijzing door ouders, disfunctionele (gezins/familie)relaties, psychische-, fysieke mishandeling en/of seksueel misbruik, herbelevingen van trauma’s, bepaalde data waarop traumatische ervaringen hebben plaatsgevonden, triggers in de directe omgeving die gevoelens van onveiligheid oproepen, onrealistische verwachtingen en frustraties in de omgang met anderen. Men mag nooit veronderstellen dat als de cliënt in behandeling is er daarom sprake is van veiligheid. Men dient altijd de huidige (familie)relaties van de getraumatiseerde na te gaan omdat er vaak nog een zekere dwang bestaat in de relatie met de dader van psychische-, fysieke mishandeling en/of seksueel misbruik. Soms vindt de psychische-, fysieke mishandeling en/of seksueel misbruik van tijd tot tijd nog steeds plaats.

Zelfbeschadiging: aard en ernst
De hulpverlener moet informatie verzamelen over de aard en ernst van de zelfbeschadiging: hoe de cliënt zichzelf verwondt, welke lichaamsdelen worden verwond en welke voorwerpen daarbij worden gebruikt. Of de cliënt medische behandeling moet ondergaan op bijvoorbeeld een Spoed Eisende Hulp of dat de cliënt opgenomen moet worden voor een operatie. Om de aard en ernst te kunnen vaststellen is het tevens van belang om te informeren naar zichtbare wonden of littekens. Als de cliënt zich de verwondingen niet kan herinneren, dan heeft ze deze mogelijk in een dissociatieve toestand toegebracht. Als de cliënt zegt dat het ongelukjes zijn, dan is het belangrijk door te vragen om vast te stellen of dit klopt. Veiligheid en vertrouwen van de cliënt is hierbij een voorwaarde. Alertheid op de aard en de ernst van de zelfbeschadiging moet er niet toe leiden dat de hulpverlener zich als een detective gaat opstellen, want dat kan contraproductief werken.

Toename zelfbeschadiging
Als hulpverlener moet men alert zijn op een toename in de ernst of frequentie van het zelfbeschadigend gedrag. Enerzijds vanwege het risico op suïcide, anderzijds omdat zelfbeschadiging een neveneffect van de behandeling kan zijn. Als dit gedrag toeneemt, dient de hulpverlener zich af te vragen of de behandeling niet te zwaar is voor de cliënt of dat de behandeling juist te oppervlakkig is. Het kan zijn dat de behandeling moet worden bijgesteld of dat de cliënt op die specifieke afdeling niet op haar plaats is.

Zelfmisbruik
Zelfmisbruik, een vorm van zelfbeschadigend gedrag die indirect of op termijn schadelijk kan zijn, dient ook beoordeeld te worden. De hulpverlener let daarbij op eetstoornissen, het inslikken van voorwerpen, zelfvergiftiging, medicijn-, alcohol- en drugsgebruik.

Suïcidaliteit
De hulpverlener moet continu alert zijn op het suïciderisico. Cliënten met zelfbeschadigend gedrag kunnen depressief en suïcidaal zijn of zichzelf onbedoeld doden. De hulpverlener dient daarbij te letten op de volgende zaken: verbale en non-verbale signalen, de kans op overlijden als gevolg van (voorgenomen) zelfbeschadigend gedrag, veranderingen in het patroon van zelfbeschadiging, stemming, behoeften, gevoelens, ernst van de depressieve klachten, mate van desorganisatie, externe stressoren waarvan speciaal verlieservaringen. Juist in de vaste contactmomenten moet men het suïciderisico evalueren.

Vaardigheden en beperkingen in kernproblemen
Het is belangrijk dat de hulpverlener samen met de cliënt onderzoekt wat de kernproblemen zijn die aan het zelfbeschadigend gedrag ten grondslag liggen en welke vaardigheden en beperkingen de cliënt heeft op die specifieke gebieden:

  • Het uitdrukken en reguleren van emoties
  • Impulscontrole
  • Interpersoonlijke relaties

Het uitdrukken en reguleren van emoties
Als de cliënt haar gevoelens kan uiten, kan dit het risico op zelfbeschadiging verminderen. De hulpverlener onderzoekt samen met de cliënt of er vaardigheden aanwezig zijn om met angst, frustratie, boosheid en emotionele stress om te gaan. Tevens beoordeelt de hulpverlener samen met de cliënt of deze de vaardigheden heeft om te kunnen communiceren over behoeften en gevoelens.

Impulscontrole
Als de cliënt over probleemoplossingsvaardigheden beschikt en het eigen gedrag kan evalueren, kan de controle over het gedrag toenemen en het risico op zelfbeschadiging verminderen. De diagnostiek richt zich niet alleen op de angst voor controleverlies maar ook op vaardigheden van de cliënt tot zelfcontrole en zelfmanagement.

Interpersoonlijke relaties
De hulpverlener stelt samen met de cliënt de problemen vast met het verwerven van kennis, attitude en vaardigheden voor positieve interacties met anderen.

Zelfbeleving
De hulpverlener informeert bij de cliënt naar het zelfbeeld, hoe ze haar vaardigheden inschat, hoe ze denkt dat ze overkomt op anderen, de lichaamsbeleving, het gevoel van zelfwaarde, de identiteit en stemmingen.

Ervaringen met eerdere hulpverlening bij zelfbeschadiging
Negatieve ervaringen met eerdere hulpverlening kan traumatiserend en/of beschadigend werken en een goede samenwerking belemmeren. Het is belangrijk om herhaling van falende acties te voorkomen. Denk daarbij aan straffen, negeren; dus het niet ingaan op de zelfbeschadiging met de illusie dat het dan uit zou doven, het tekenen van anti-zelfbeschadigings-contracten enzovoort. De hulpverlener informeert bij de cliënt hoeveel aandacht op welke wijze in voorgaande behandelingen is besteed aan het zelfbeschadigend gedrag: Wie heeft hulp geboden en wat deed zij? Wat hielp wel en wat persé niet? Waarin heeft de cliënt zich gerespecteerd gevoeld en waarin niet? Hoeveel dwang en repressie is er toegepast? Heeft ze alternatieven aangeleerd die het zelfbeschadigend gedrag op een gezonde manier vervangen? Zo ja, welke.

Motivatie
De hulpverlener dient de cliënt te vragen naar haar motivatie om het zelfbeschadigend gedrag te verminderen en te onderzoeken waarmee een eventueel gebrek aan motivatie samenhangt.

Steunsysteem
Al naar gelang de aard van de hulpverleningssetting (klinisch of ambulant) kan het ook tot de taak van de hulpverlener behoren om te onderzoeken wat het steunsysteem van de cliënt is waarop kan worden teruggevallen in perioden van stress. Zijn deze personen beschikbaar en hoe reageren ze op de actuele situatie

Vaardigheden ontwikkelen als doel
Het belangrijkste doel is de cliënt helpen bij het controle krijgen over en beheersbaar maken van de symptomen. De cliënt moet vaardigheden c.q. copingmechanisme ontwikkelen om met dissociatieve symptomen, flashbacks, spanningen, frustratie, intense gevoelens zoals woede, paniek, angst en wanhoop om te gaan. Deze opvatting past in de gedachtegang dat door uitbreiding van adequate copingmechanisme de noodzaak tot zelfbeschadiging als overlevingsstrategie afneemt.

Zelfbeschadiging stoppen of verminderen alléén als behandeldoel kiezen indien de cliënt daartoe bereid is. Om zelfbeschadiging te kunnen behandelen moet de cliënt gemotiveerd zijn met dit gedrag te stoppen of te verminderen. Overeenstemming over het doel ‘stoppen of verminderen van zelfbeschadiging’ is belangrijk omdat de hulpverlener terug moet kunnen grijpen als ze de cliënt hulp bieden. De hulpverlener dient zich te realiseren dat de cliënt ambivalent kan zijn over het stoppen van het zelfbeschadigend gedrag omdat zelfbeschadiging voor de cliënt een copingmechanisme is en mogelijk ook voordelen oplevert. De cliënt belooft misschien met het zelfbeschadigend gedrag te stoppen omdat anderen (hulpverlener en verpleegkundigen) het willen. Een positief gevolg kan zijn dat de cliënt ‘omdat ze het anderen beloofd heeft’ ondertussen toch alternatief gedrag aanleert. Teveel druk uitoefenen op de cliënt om het zelfbeschadigend gedrag te stoppen kan echter tot schijnmotivatie en schijnaanpassing leiden. Negatieve gevolgen daarvan kunnen zijn: een toename van het risico op suïcidaliteit en het overstappen naar minder zichtbare vormen van zelfbeschadigend gedrag. Het zelfbeschadigend gedrag zal uiteindelijk pas verminderen als de voordelen van het gedrag afnemen of de voordelen van zichzelf niet verwonden toenemen.

Doelen: anticiperend, specifiek, realistisch en op korte termijn
Behandeldoelen doelen moeten anticiperend, specifiek en realistisch zijn en gericht zijn op de korte termijn. Bovendien moeten er niet teveel doelen tegelijk worden gesteld want dan worden afspraken niet nagekomen of vergeten. Het gevolg is dat de hulpverlener of de cliënt de schuld krijgt. Voorbeelden van behandeldoelen zijn: ‘de cliënt is zich bewust van haar gedragspatroon voor en na het zelfbeschadigend gedrag’, ‘de cliënt kan de uitlokkers benoemen die aan het zelfverwondend gedrag voorafgaan’, ‘de cliënt gaat van het inslikken van objecten over op krassen’. Realistisch en haalbaar betekent dat het doel binnen het vermogen van de cliënt ligt. De cliënt kan zelf ook voorstellen doen voor haalbare stappen. Een voorbeeld van een onrealistisch doel kan zijn: ‘de cliënt roept de hulpverlener te hulp als ze de neiging heeft te gaan snijden of branden’. Als de cliënt zich niet bewust is van haar impulsen en de vaardigheid mist om gevoelens te verbaliseren, ligt dit doel niet binnen het vermogen van de cliënt en kan ze deze doelstelling niet halen. Een ander voorbeeld van een onrealistisch doel kan zijn dat het zelfbeschadigend gedrag moet ophouden.

Eerst stabilisatie, symptoomreductie en vaardigheden aanleren en dan pas traumaverwerking als doel stellen
De laatste jaren ontstaat er steeds meer consensus over het belang van toepassing van een driefasenmodel voor de behandeling van posttraumatische stress.

  1. Stabilisatie en symptoomreductie;
  2. Behandeling van traumatische herinneringen;
  3. Reïntegratie en rehabilitatie.

Ook in de dialectische gedragstherapie (Linehan) voor cliënten met een BPS stelt men dat eerst zelfbeschadiging, suïcidaliteit en andere extreme gedragingen die botsen met de therapie en de kwaliteit van leven van de cliënt veranderd moeten worden. Pas daarna kunnen pogingen gedaan worden om trauma’s op te sporen en op te lossen.

Naast hulpverleners is het van belang dat ook verpleegkundigen op de hoogte zijn van dit driefasenmodel. De toepassing van het driefasenmodel is in de praktijk nog geen gemeengoed en het model wordt ook niet altijd op de juiste wijze geïnterpreteerd. Een gebruikelijke fout die men maakt is dat men juist wel begint met het blootleggen van de traumatische oorzaken van de symptomen nog voordat de cliënt de vaardigheden heeft ontwikkeld om de intense emoties te hanteren die los komen bij de herinneringen aan de traumatische gebeurtenissen. De cliënt wordt zo opnieuw overweldigd en reageert op nieuw op een disfunctionele en destructieve manier. Als de hulpverlener of de cliënt te snel aan de slag gaat met de herinneringen aan het trauma wordt de behandeling te zwaar. Dat uit zich dan in een verergering van symptomen als zelfbeschadigend gedrag, dissociatie, eetstoornis, misbruik van alcohol of drugs of psychotische symptomen.

De hulpverlener dient de cliënt alternatieven aan te leren om gevoelens te tolereren en gedrag te controleren. Als de cliënt nieuwe copingmechanismen aangeleerd heeft om met de symptomen om te gaan, zal de aangeleerde hulpeloosheid verminderen. Daarnaast komt het ook in de praktijk voor dat als cliënten zelf beginnen over traumatische ervaring en men omwille van de stabilisatiefase zegt dat er niet over trauma’s gesproken mag worden. Als de hulpverlener en verpleegkundige vervolgens niet uitlegt waarom er niets aan traumaverwerking gedaan kan worden en niet vertelt dat er in een latere fase (als er voldoende veiligheid en zelfcontrole is) op terug gekomen wordt, voelt de cliënt zich niet serieus genomen. De cliënt krijgt het idee dat het trauma wordt doodgezwegen, waardoor de spanningen en de zelfbeschadiging kunnen toenemen.

Psychotherapie en het kiezen van een (psycho)therapeut
Individuele psychotherapie kan in sommige gevallen nuttig zijn maar het is erg belangrijk om een geschikte (psycho)therapeut te hebben. Hieronder staan een paar aandachtspunten die je kunt gebruiken bij het zoeken van een (psycho)therapeut.

  • Een goede (psycho)therapeut is iemand die je je verhaal laat doen zonder zijn/haar eigen gevoelens op jou te projecteren. Iemand die jou niet in een ‘hokje’ probeert te plaatsen. Wanneer je iemand leert kennen en meteen zegt: “Jij bent zus of zo”, wees achterdochtig
  • Een goede (psycho)therapeut is iemand die je kunt vertrouwen, waarbij het goed voelt om tegen te praten
  • Een goede (psycho)therapeut accepteert de zelfbeschadiging zonder het te veroordelen en is bereid om met jou samen te werken om het te verminderen of te stoppen wanneer jij er klaar voor bent. Zelfbeschadiging is een copingmechanisme dat soms preventief werkt tegen ergere dingen. In dat geval is het goed maar het is een onhandig copingmechanisme dat negatieve consequenties heeft en niet goed werkt. Jouw (psycho)therapeut zal dit moeten begrijpen en kan niet zeggen: “Het is slecht, stop nu”. Dit copingmechanisme is noodzakelijk tenzij je een andere manier vindt om met je crises om te gaan voordat je stopt.

Psychotherapie vormen/vaardigheidstrainingen
Er bestaan verschillende soorten therapeutische benaderingen die bij kunnen dragen om controle te krijgen over de zelfbeschadiging. Om te weten welke benadering het beste bij iemand past, is het van belang om een uitgebreid intake gesprek te hebben. Wanneer je samen met je hulpverlener een benadering hebt uitgekozen, kan het gebeuren dat het aangepast moet worden en een andere benadering uitgeprobeerd moet worden omdat de eerst gekozen benadering toch niet de juiste bleek te zijn en niet goed bij jou past. Hieronder worden enkele benaderingen beschreven die bij kunnen dragen tot het verminderen of stoppen van de zelfbeschadiging.

Benaderingen van cliënten die zichzelf beschadigen in het kader van een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS):

  • Dialectische gedragstherapie (DGT)
  • Vaardigheid emotie regulatiestoornis (VERS)
  • Mentalisation Based Treatment (MBT)
  • Psychodynamische therapie

Benaderingen van cliënten die zichzelf beschadigen niet in het kader van een BPS:

  • Complexe posttraumatische stress-stoornis (CPTSS) benadering
  • Rationele emotieve therapie (RET)

Dialectische gedragstherapie (DGT)
De dialectische gedragstherapie (DGT) is een gestructureerd behandelprogramma waarin wordt behandeld volgens vaste protocollen. Deze gedragstherapeutische interventie is ontwikkeld door Linehan, gebaseerd op de principes van de cognitieve gedragstherapie.

In DGT worden 4 aspecten van cognitieve gedragstherapie benadrukt die in de traditionele cognitieve gedragstherapeutische aanpak minder aandacht krijgen:

  • De nadruk op de acceptatie van het gedrag zoals het op dat moment is
  • De nadruk op het behandelen van met de therapie botsend gedrag van zowel de cliënt als de therapeut
  • De nadruk op het belang van de therapeutische relatie voor de behandeling
  • De nadruk op dialectische processen: het evenwicht tussen verandering en acceptatie

Het belangrijkste uitgangspunt van DGT is dat cliënten met BPS vaardigheden missen op het gebied van het instandhouden van relaties. Ze missen hiervoor belangrijke zelfregulerende en emotieregulerende vaardigheden en hebben een te lage frustratietolerantie. Het gebruik van gedragsvaardigheden die deze mensen wel bezitten wordt hierdoor belemmerd. De dialectische methode richt zich zowel op de onmiddellijke gevolgen van het gedrag en de grotere context waarin dat gedrag plaatsvindt als op de onderlinge samenhang tussen verschillende gedragspatronen.

De cliënt moet sociale vaardigheden aanleren:

  • Een belangrijke factor in de therapie is dat de cliënt zichzelf zal moeten leren accepteren en ondertussen van de noodzaak zal moeten worden doordrongen zichzelf te veranderen
  • De invloed van de omgeving op de cliënt is een belangrijke factor binnen de DGT

Er is enig systematisch onderzoek gedaan naar de effectiviteit van deze behandelmethode. De dialectische benadering van BPS is op de korte termijn succesvol gebleken bij specifieke groepen BPS cliënten, ook in Nederland.

  • Vooral zelfbeschadigend gedrag lijkt te verminderen en ook het aantal suïcidepogingen daalt, evenals het aantal crisisopnames
  • Het aantal mensen dat voortijdig de behandeling afbreekt is lager dan gebruikelijk
  • De effecten op andere aspecten van de stoornis en op de stemming zijn minder overtuigend
  • Het psychosociaal functioneren is een jaar na aanvang van de therapie nog steeds beter dan bij de controlegroepen. Het is nog de vraag of de resultaten op de langere termijn beklijven

Vaardigheid emotie regulatiestoornis (VERS)
De VERS training (Vaardigheid Emotie Regulatie Stoornis) is een vaardigheidstraining ontworpen voor cliënten met een BPS en daarop lijkende problemen. In de training wordt in plaats van BPS vaak over emotie regulatieproblematiek gesproken omdat dit goed beschrijft waar men mee worstelt, namelijk het reguleren van emoties. Behalve mensen met een BPS kunnen in principe ook andere mensen aan de cursus deelnemen, mits zij zich herkennen in het slecht kunnen reguleren van emoties.

Doel
Deelnemers leren:

  • Hun gevoelens, gedachten en gedrag te observeren en te beschrijven
  • Onderkennen hoe zij in situaties terechtkomen die heftige emoties oproepen en welke vaardigheden ze kunnen toepassen om weer in rustiger vaarwater terecht te komen
  • Gedachten die hun gevoelens en gedrag negatief beïnvloeden herkennen
  • Activiteiten die hen rustiger maken doordat ze prettig zijn en aandacht vragen bij de uitvoering ervan
  • Crisissituaties aan te pakken
  • Hun probleemsituaties te analyseren en aan te pakken
  • Een optimaal evenwicht in hun leven aan te brengen
  • Om goed om te gaan met eventueel benodigde medicatie

Methodiek, werkwijze en visie
Het cursusprogramma biedt voorlichting en cognitief gedragstherapeutische technieken waarmee cursisten hun emoties beter kunnen Ieren reguleren. Het gebruikte leermateriaal is levendig en nodigt uit om, naast het brede scala aan vaardigheden dat wordt aangereikt, zelf nog verder te zoeken naar eigen variaties op de geboden thema's.

Steungroep
Het toepassen van de vaardigheden die in de VERS geleerd worden vergt in de praktijk van het dagelijks leven veel oefening. Bij onderzoeken naar het effect van deze vaardigheidstraining blijkt dat cursisten die gesteund worden door mensen uit hun naaste omgeving meer profijt hebben van de cursus. Daarom worden familie, vrienden en hulpverleners nauw betrokken bij de training in de vorm van een steungroep.

Individuele therapie
De cursist dient naast de training nog een individuele therapeut te hebben die enerzijds dieper ingaat op de persoonlijke situatie en anderzijds dient deze therapeut bereid te zijn het in de cursus aangebodene in het contact met de cliënt aan de orde te laten komen. De individuele therapeut blijft de hoofdbehandelaar. Er is uiteraard een goede samenwerking tussen de individuele therapeut en de VERS-trainers.

Verwijzing
De verwijzer, meestal de individuele hulpverlener, verwijst naar de trainers die de cliënt voor een tweetal proefsessies uitnodigen. Tijdens deze proefsessies wordt bekeken of de training op dat moment een goede, adequate, vorm van behandeling kan zijn. De eerste voorlichting over emotionele regulatieproblematiek wordt door de verwijzer gedaan.

Mentalisation Based Treatment (MBT)
MBT is in Engeland ontwikkeld door Bateman en Fonagy en gebaseerd op de gedachte dat cliënten met BPS kenmerken in voor hen stressvolle omstandigheden tekort schieten in hun vermogen tot ‘mentaliseren’. Hierdoor zijn zij kwetsbaar voor stress binnen intermenselijke contacten en in het bijzonder binnen intiemere relaties. Zij hebben onder andere last van intense gevoelens en impulsiviteit waarbij er vaak sprake is van een of meer vormen van zelfdestructief gedrag. Dit wordt volgens deze theorie veroorzaakt door de combinatie van aanlegfactoren en in bepaalde opzichten niet goed functionerende hechtingsrelaties, die vanaf de geboorte tot stand komen en gedurende de hele jeugd van belang zijn voor het leren ‘mentaliseren’.

Wat is mentaliseren?
‘Mentaliseren’ betekent het doen en laten van zichzelf en anderen leren waar te nemen en te begrijpen in termen van gevoelens, gedachten, bedoelingen, verlangens. Hierdoor kunnen mensen meer afstand nemen van het intense gevoel van het moment en uiteindelijk beter met stressvolle situaties omgaan. Achterliggende gedachte is een tekort aan dit vermogen een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van borderline-kenmerken en dat goede hechting belangrijk is voor het ontwikkelen van dit vermogen.

Uitgangspunt
Het uitgangspunt is dat binnen een goede veilige hechtingsrelatie, op een speelse manier moet worden geoefend, om het vermogen tot ‘mentaliseren’ te ontwikkelen. Dat stelt hoge eisen aan ouders en andere hechtingsfiguren, waar deze soms niet aan kunnen voldoen. Vaak speelt daarbij een eigen voorgeschiedenis met hechtingsproblemen en traumatisering.

Doorgemaakte traumatische ervaringen hebben een negatief effect op het vermogen tot mentaliseren en voor het verwerken van trauma’s is dit vermogen juist nodig. MBT richt zich op het alsnog aanleren van ‘mentalisatie’ binnen intensieve relaties met de individuele therapeut, het behandelteam en de groepsgenoten, welke in bepaalde opzichten op de vroege hechtingsrelaties tussen kinderen en ouders lijken.

Methodiek, werkwijze en visie
Meestal is er sprake van de combinatie van individuele therapie en groepstherapie waarbij zowel verbale als nonverbale aspecten van de innerlijke belevingswereld van patiënt en zijn groepsgenoten op een speelse manier kunnen worden gebruikt als “leermateriaal”.

Hierbij wordt er gezocht naar een goed evenwicht tussen serieus en ook wat speels, luchtig naar de zaken kijken, zodat cliënten kunnen leren van de geboden ervaringen zonder overspoelt te worden door emoties en lichamelijke stress-reacties. Er wordt op de ene plek gereflecteerd op de ervaringen die op de andere plek zijn opgedaan. Er bestaan diverse behandelvormen gebaseerd op MBT; zowel klinisch, dagbehandeling als ambulante individuele psychotherapie al dan niet gecombineerd met een groepsaanbod. Daarnaast bestaat er een MBT-behandeling voor kinderen in de vorm van speltherapie.

Eerste doel van de behandeling is het vergroten van het vermogen tot ‘mentaliseren’. Voor cliënten betekent een beter vermogen te ‘mentaliseren’ dat zij minder impulsief, agressief en zelfdestructief gedrag gaan vertonen. Ook zijn zij beter in staat met traumatische ervaringen om te gaan en deze te verwerken. Uiteindelijk zal het beter kunnen mentaliseren ook een positieve invloed hebben op het interpersoonlijk en sociaal functioneren.

Psychodynamische therapie
De behandeling van zelfbeschadiging lijkt sterk verbeterd dankzij gerichte (cognitief-) gedragstherapeutische en/of medicamenteuze behandelingen, maar deze bieden vaak maar een tijdelijke of gedeeltelijke oplossing. Hoewel dit nog niet door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond, lijkt psychodynamische therapie op langere termijn betere resultaten te kunnen bieden doordat de achterliggende persoonlijkheidsproblematiek fundamenteler wordt behandeld.

Nadat in de jaren zestig en zeventig duidelijk was geworden dat de klassieke psychoanalyse weliswaar bijgedragen had tot meer begrip over de achterliggende dynamiek van de cliënt die zichzelf beschadigde, maar als therapievorm tot onvoldoende resultaat had geleid, werden geleidelijk meer steunende technieken geïntroduceerd, zoals die tegenwoordig gebruikelijk zijn. Een klassieke analyse wordt vandaag de dag gecontraïndiceerd geacht voor cliënten met BPS die zichzelf beschadigen. Hoewel ook expressieve therapie vanuit de objectrelatie-theorie nog volop in de belangstelling staat, wordt deze inzichtgevende vorm van psychotherapie (minimaal tweemaal per week, vis-à-vis) weinig toegepast in de hulpverleningspraktijk. Door de meeste psychodynamisch georiënteerde therapeuten worden meer steunende en structurerende technieken gebruikt, in een frequentie van één zitting per week.

Behalve op het hanteren van weerstanden, overdracht en tegenoverdracht, richten zij zich op:

  • Handhaving van een positieve band en therapeutische alliantie met de cliënt
  • Psycho-educatie, geruststelling, bemoediging en hoop, suggesties en advies
  • Verduidelijking en indien gewenst confrontaties, niet zozeer interpretaties
  • Aanmoediging van acceptabele activiteiten
  • Grenzen stellen of bepaalde gedragspatronen zelfs verbieden
  • Benadrukking van sterke kanten en talenten
  • Interventies gericht op de omgeving
  • Een meer objectieve kijk bieden op de levenssituatie van de cliënt

In deze benadering is de therapeut geen neutraal, blank projectiescherm, maar is hij als persoon zichtbaar, actief en aanwezig. In een latere fase van de behandeling, als het zelfdestructieve en acting-out gedrag van de cliënt onder controle zijn gebracht, worden meer expressieve technieken gebruikt, gericht op inzicht en corrigerende emotionele ervaringen. Hierbij wordt gestreefd naar integratie van afgesplitste zelf- en objectrepresentaties en een toename van de ik-sterkte.

Complexe posttraumatische stress-stoornis (CPTSS) benadering
De behandeling van CPTSS bestaat uit drie fasen:

  1. Creëren van veiligheid;
  2. Herinnering en rouw;
  3. Herstel van verbondenheid.

Creëren van veiligheid
De eerste taak bij het herstel is te zorgen voor de veiligheid van de overlevende. Deze taak krijgt absolute voorrang, want de andere therapeutische werkzaamheden kunnen onmogelijk succes hebben als de veiligheid van de cliënt niet voldoende gewaarborgd is. Er dient zelfs geen poging te worden gedaan om andere therapeutische werkzaamheden te verrichten zolang er nog geen redelijke mate van veiligheid tot stand is gebracht. Deze beginfase kan bij acuut getraumatiseerde mensen enkele dagen tot enkele weken in beslag nemen en bij overlevenden van chronische mishandeling enkele maanden tot enkele jaren. Naarmate de mishandeling ernstiger is geweest, langer heeft geduurd of op een vroeger tijdstip is begonnen, neemt de complexiteit van de therapie tijdens de eerste herstelfase toe.

Overlevenden voelen zich onveilig in hun lichaam. Hun emoties en gedachten lijken niet beheerst te kunnen worden. Ze voelen zich ook onveilig in hun relatie tot anderen. Bij de therapie moet rekening worden gehouden met het feit dat de cliënt op al deze gebieden behoefte heeft aan veiligheid. De orgaanneurose die met een posttraumatische stress-stoornis gepaard gaat, kan worden bestreden met behulp van fysieke strategieën. Hiertoe behoren het gebruik van medicijnen om reactiviteit en hyperactivering te verminderen en de toepassing van gedragstechnieken, zoals ontspanningsoefeningen en veeleisende lichaamsoefeningen om de stress in bedwang te houden. De verwarring die een kenmerk van de stoornis is, kan worden bestreden met behulp van cognitieve en gedragsstrategieën. Hiertoe behoren het erkennen en benoemen van de symptomen, het bijhouden van een dagboek waarin de symptomen en de aanpassingsreacties worden genoteerd, het vaststellen van haalbare ‘huiswerktaken’ en het uitwerken van een concreet veiligheidsplan. De ontwrichting van relaties als gevolg van de stoornis moet worden bestreden met behulp van interpersoonlijke strategieën. Hiertoe behoort de geleidelijke ontwikkeling van een vertrouwensrelatie gedurende de behandeling. Tot slot moet de maatschappelijke vervreemding waartoe de stoornis aanleiding geeft worden bestreden met behulp van sociale strategieën. Hiertoe behoren het inschakelen van mensen die de overlevende steunen, zoals gezin, partner of vrienden, het introduceren van de overlevende bij vrijwillige organisaties voor zelfhulp, en dikwijls, als laatste toevlucht, het doen van een beroep op de officiële organen van de geestelijke gezondheidszorg, de maatschappelijke hulpverlening en justitie.

Het verschaffen van veiligheid is in eerste instantie gericht op de lichaamscontrole en wordt vervolgens geleidelijk uitgebreid tot controle over de omgeving. De fysieke aspecten omvatten aandacht voor de basisvoorwaarden van een goede gezondheid, de regulering van lichamelijke functies als slapen, eten en lichaamsbeweging, de beheersing van posttraumatische symptomen en het in bedwang houden van de zelfvernietiging.

De omgevingsfactoren hebben betrekking op het creëren van een veilige leefsituatie, financiële zekerheid, mobiliteit en het uitwerken van een plan voor zelfbescherming dat alle aspecten van het dagelijkse leven van de cliënt omvat.

Herinnering en rouw
De reconstructie van het traumatische verhaal begint met een overzicht van het leven van de cliënt voorafgaand aan het trauma en van de omstandigheden die tot het gebeurde hebben geleid. Het is belangrijk om inzicht in de voorgeschiedenis van de cliënt te krijgen ten einde het leven van de cliënt ‘weer tot een geheel te maken’ en het gevoel van continuïteit tussen heden en verleden te herstellen. De cliënt moet worden aangemoedigd om te praten over belangrijkste relaties, idealen en dromen en de problemen en conflicten die aan de traumatische gebeurtenis vooraf zijn gegaan. Dit schept een context waarbinnen de specifieke betekenis van het trauma kan worden begrepen.

De volgende stap is het reconstrueren van de traumatische gebeurtenis als een opsomming van feiten. Uit de losse fragmenten van verstarde beelden en gewaarwordingen stellen de cliënt en de therapeut gaandeweg een geordend, gedetailleerd, verbaal verslag samen dat is gesitueerd in de tijd en ingebed in een historische context. Het verhaal omvat niet alleen de gebeurtenis zelf, maar ook de reactie van de overlevende en die van belangrijke mensen in het leven van de persoon. Naarmate het verhaal zich toespitst op de meest ondraaglijke momenten, wordt het voor de cliënt steeds moeilijker zich in woorden uit te drukken. Soms schakelt de cliënt spontaan over op non-verbale communicatiemiddelen, zoals tekenen of schilderen.

Trauma’s gaan onvermijdelijk met verlies gepaard. Degenen die fysiek letsel oplopen, verliezen daarnaast ook hun gevoel van lichamelijke integriteit. En degenen die iemand verliezen die in hun leven een belangrijke rol speelde, staan ineens voor een leegte in hun relatie met vrienden, familie of de gemeenschap. Traumatische verliezen brengen een breuk teweeg in de normale opeenvolging van generaties en onttrekken zich aan de normale sociale conventies van het rouwproces. De overlevende wordt dus onvermijdelijk overstelpt door intens verdriet tijdens het vertellen van het traumatische verhaal. Omdat de verliezen zo dikwijls onzichtbaar zijn of niet worden erkend, bieden de gebruikelijke rouwrituelen weinig troost. Een begin maken met het rouwproces is de meest noodzakelijke en tegelijk de meest gevreesde taak in deze fase van het herstel. Cliënten zijn dikwijls bang dat het een onmogelijke opgave is, dat hun verdriet nooit meer ophoudt als ze er eenmaal aan toegeven.

Herstel van verbondenheid
Nadat de overlevende heeft geleerd het traumatische verleden te accepteren, staan ze voor de taak om een toekomst te creëren. Er is gerouwd om het oude zelf dat door het trauma vernietigd is; nu moet er zich een nieuw zelf ontwikkelen. De relaties zijn door het trauma op de proef gesteld en voor altijd veranderd; nu moet er nieuwe relaties tot stand gebracht worden. De vaste waarden die vroeger zin aan het leven gaven, zijn ontoereikend gebleken; nu moet er een nieuw geloofssysteem opgebouwd worden waar op gesteund kan worden. Dat zijn de taken van de derde herstelfase. Door deze taken tot een goed einde te brengen, verovert de overlevende zich weer een plaats in de wereld.

Rationele emotieve therapie
Rationeel Emotieve Therapie (RET) is een vorm van cognitieve gedragstherapie en gaat uit van de veronderstelling dat het denken (gedachten, vaste overtuigingen, interpretaties enzovoort) het gevoel controleert.

Uitgangsprincipe
Het principe van RET komt goed tot uiting in de volgende twee citaten:
"Zoals een mens denkt, zo is hij" - de bijbel. "We maken ons geen zorgen over zaken zelf, maar over onze ideeën daarover. Als we problemen hebben, worden we angstig of boos, laten we niet anderen de schuld geven, maar eerder de schuld bij onszelf zoeken" - Epictetus, Grieks wijsgeer van ± 50AD.

Doel
De wijze waarop iemand tegen allerlei zaken aankijkt heeft zich gedurende zijn gehele leven langzaam ontwikkeld. Hij wordt als het ware gevoed met allerlei opvattingen, ideeën, normen, waarden, (voor)oordelen, enzovoort. Het is te vergelijken met de berichtgeving over een oorlog in twee verschillende kampen. Er wordt een verkeerde voorstelling van zaken gemaakt en veel mensen geloven erin. Het gevolg is dat gedachten bepaalde gevoelens oproepen, die weer een bepaalde handeling tot gevolg heeft. Wanneer gedachten gebaseerd zijn op verkeerde opvattingen, dan zullen de gevoelens en handelingen die daarop volgen dikwijls moeilijkheden en problemen veroorzaken. Het doel van RET is te leren die verkeerde gedachten in te zien en te corrigeren, hetgeen bevrijdend werkt.

ABCDE-model
Men gaat uit van het zogenaamde ABCDE-model:

  • Activating event objectieve - beschrijving van de gebeurtenis
  • Beliefs - irrationele, spanning oproepende gedachte
  • Consequence - emotionele gevolgen (gevoelens) van de gedachte
  • Discussion - vragen om gedachten onder B aan werkelijkheid te toetsen
  • Evaluation - meer rationele gedachten die het gevolg zijn van de toetsing

Voorbeeld
Bijvoorbeeld je 9-jarige zoon raakt tijdens een bezoekje aan de Efteling zijn nieuwe handschoenen kwijt (gebeurtenis), dit roept een gedachte op (kan hij niet beter op zijn dure spullen letten), deze gedachte leidt tot een gevoel (boosheid), hetgeen een handeling tot gevolg heeft (de les lezen, schreeuwen, schelden). Het idee is nu dat je zoon jou boos heeft gemaakt en je hele middag heeft verpest. De aanname in dit geval is dat een 9-jarig kind (tijdens een spannende bezoek aan de Efteling) dezelfde interesses in handschoenen heeft als zijn ouders. Als vader of moeder deze aanname, deze gedachte gaat onderzoeken en zich in het kind verplaatst, blijkt dat hun idee niet klopt.

Veronderstellingen
Een ander kan je geen gevoel geven, een gevoel ontstaat door je eigen gedachten over allerlei zaken. Je raakt niet van streek door een gebeurtenis, maar door de manier waarop er tegen dingen aangekeken wordt, hoe je erover denkt. Verschillende mensen kunnen op een zelfde situatie heel anders reageren doordat ze er heel verschillende gedachten bij hebben.

RET daagt je uit om bewuste veronderstellingen (met name diegene die je leven beroerd maken) te onderzoeken. Wat wil dat zeggen? In plaats van te denken dat het zo is (mannen zijn niet te vertrouwen) of zo hoort het (je hoort aan tafel te eten), kun je die gedachte ter discussie stellen, er over na denken en misschien wel corrigeren. Het gevolg is dat je leert op heel andere wijze tegen je omgeving en tegen gebeurtenissen aan te kijken, je leert verantwoording te nemen voor je eigen gevoel en niet langer een ander daarvoor verantwoordelijk te houden.

Medicatie
Voordat men begint met een medicamenteuze behandeling, is het belangrijk om samen met de cliënt een functionele gedragsanalyse te maken van de zelfbeschadiging die specifiek de zelfbeschadiging uitlokken. Men heeft vastgesteld dat er een aantal subtypen bestaan van cliënten die zichzelf beschadigen, te weten:

  • Verslavend-impulsief 80 %
  • Symbolisch 15 %
  • Dissociatief 5 %

Dit geeft de complexiteit weer van de subtypen van zelfbeschadiging en benadrukt dat iedere cliënt zich anders kan presenteren. Het is dan ook noodzaak om maatwerk te leveren en een afgewogen behandeling. Daarnaast is een medicamenteuze behandeling ter ondersteuning en niet ter vervanging van psychotherapie geboden. Psycho-dynamische, gedragsmatige of een op systeem gebaseerde behandeling zijn belangrijk om de zelfbeschadiging beheersbaar te krijgen. Er dient nadruk gelegd te worden op de verschillende categorieën van zelfbeschadiging.

Daarnaast is het van belang om samen met de cliënt uit te zoeken welke medicatie al gebruikt is met welk resultaat en of die bijwerkingen had. Benzodiazepinen, zoals: Seresta, Temesta, Valium enzovoort, die angst en spanningen verminderen, kunnen waardevol zijn. Er zijn echter ook aanwijzingen dat deze medicatie bij sommige getraumatiseerde cliënten een paradoxaal effect heeft: de cliënt wordt als het ware afgesloten van de buitenwereld waardoor herbelevingen toenemen en als gevolg daarvan ook de zelfbeschadiging. Daarnaast kan deze medicatie ook controleverlies geven.

Zelfbeschadiging in de context van depressie, manie of obsessief compulsief gedrag
Wanneer zelfbeschadiging voorkomt in de context van een depressie, manie of obsessief-compulsief gedrag is een behandeling met een antidepressivum, stemmingsstabilisator of een serotonine remmer aanbevolen.

Zelfbeschadiging in de context van psychose, tics, epileptische aanvallen, motorische onrust of pijn
Wanneer een psychose, tics, epileptische aanvallen, motorische onrust of pijn de zelfbeschadiging bevorderen, is een behandeling met antipsychotica, antiepileptica, kalmeringsmiddel of pijnstiller aanbevolen. Behalve in het geval van tic-gerelateerde zelfbeschadiging, worden atypisch antipsychotische middelen geadviseerd, zoals: Zyprexa (Olanzapine) of Risperdal (Risperidon). Deze hebben serotonerge effecten en minder bijwerkingen. Wanneer er epileptische aanvallen aan de zelfbeschadiging ten grondslag liggen dan is een behandeling met Tegretol (Carbamazepine) en Depakote (Divalproex sodium) aanbevolen. Neurologische pijn zal bestreden moeten worden met pijnstillers.

Restgroepen
De restgroepen van zelfbeschadiging kunnen behandeld worden met serotonine remmers. Er zijn diverse serotonine remmers uitgeprobeerd hoewel er geen garanties zijn als de eerste serotonine remmer ineffectief was.

Wanneer 5-HT (serotonine) remmers inadequaat zijn, kan overwogen worden om het te vervangen door Naltrexon of Narcan (Naloxon). (Revex (Nalmefene) kan op langer termijn een alternatief zijn voor de toekomst.) Het gebruik van een opiaat antagonist vereist zeker een paar maanden voordat het zijn maximale voordeel heeft. Een combinatie behandeling van serotonine remmers en een opiaat antagonist kan theoretisch een voordeel hebben.

Wanneer bovenstaande medicamenteuze behandelingen ineffectief zijn, kan men andere middelen uitproberen, zoals: Lithium (en andere stemmingsstabilisatoren), ß-blockers: Inderal (Propranolol) en Visken (Pindolol), a-agonist: Catapres (Clonidine) en Tenex (Guanfacine) en monoamine oxidase remmers (MAO).

Non-verbale therapie
Non-verbale therapieën kunnen bijdragen om gevoelens te ontdekken en te benoemen. Ook kan men via non-verbale therapieën inzichten leren opdoen als wel het leren stellen van grenzen.

  • Creatieve therapie
  • Kunstzinnige therapie
  • Haptonomie
  • Eurythmietherapie
  • Psycho-motorische therapie (PMT)
  • Dansen
  • Sport

Creatieve therapie
Creatieve therapie is een specialistische vorm van hulpverlening waarbij een creatieve expressievorm (meestal drama, beeldende vorming, muziektherapie, dans of tuinieren) wordt toegepast als middel tot het bewerkstelligen van veranderings-, ontwikkelings- en/of acceptatieprocessen bij cliënten. De doelgroep bestaat uit mensen met psychische klachten of psychiatrische stoornissen, lichamelijke handicaps of cognitieve beperkingen. Vaak wordt de creatieve therapie gezien als een vorm van psychotherapie.

Creatieve expressievormen worden al lange tijd gebruikt als vorm van dagbesteding en bezigheid naast de behandeling van cliënten, maar sinds de jaren twintig werden musici en beeldend kunstenaars voor het eerst ingezet bij de behandeling zelf. Aanvankelijk werden zij uitsluitend als hulpmiddel bij het stellen van een diagnose ingezet. Geleidelijk aan ontwikkelde zich een methodiek die was toegespitst op gerichte behandeling, en in de jaren vijftig was creatieve therapie tot een aparte therapeutische specialisatie ontwikkeld. De muziek-, beeldende vorming en dramatherapeuten waren de eersten, daarna ontstonden de jongere specialisaties dans- en tuintherapie.

Tegenwoordig wordt creatieve therapie in veel verschillende werkvelden ingezet, zoals de geestelijke gezondheidszorg, de jeugdhulpverlening, het speciaal onderwijs, de gehandicaptenzorg, de revalidatie, de forensische zorg en de verslavingszorg. Een relatief jong werkveld is de hulpverlening aan oorlogsslachtoffers en vluchtelingen. Muziek- en dramatherapeuten worden ook buiten Nederland steeds vaker ingezet bij de hulpverlening aan oorlogsvluchtelingen.

Kunstzinnige therapie
Kunstzinnige therapie is een therapievorm die tot doel heeft door diverse kunstvormen (tekenen, schilderen, boetseren of muziek) een veranderingsproces bij een cliënt in gang te zetten. Als onderdeel van de antroposofische gezondheidszorg sluit kunstzinnige therapie aan op de vraagstellingen uit de diverse gebieden van de gezondheidszorg. Doelgroepen zijn bijvoorbeeld zowel de klinische als de huisartsengeneeskunde, de gehandicaptenzorg, psychiatrie, verslavingszorg en recentelijk projecten voor vluchtelingen en het werken met gedetineerden. De vraagstelling kan voortkomen uit de verwijzing van een arts, specialist of psycholoog, maar ook uit de persoonlijke wens van de cliënt naar een therapie die een actieve betrokkenheid bij het genezingsproces bewerkstelligd.

Kunstzinnig therapeuten werken behalve met somatisch zieke cliënten ook met de groeiende groep cliënten die met psychosomatische klachten komt, zoals moeheid, depressie, angst, burn-out en slaapproblemen. Achter een klacht gaat vaak een andere problematiek schuil, want een klacht of ziekte kan een uiting zijn van een soms jarenlang proces. Uitgangspunt is het zoeken en behandelen van de bron van de klacht; stoornissen zullen zich, afhankelijk van de cliënt, in diverse klachtenpatronen uiten. De therapeut bepaalt het middel dat wordt ingezet. Een zo groot mogelijke autonomie van de cliënt is belangrijk. Kunstzinnige therapie wordt zowel bij kinderen als bij volwassenen ingezet.

Haptonomie
Haptonomie is een therapie waarbij aanraking tussen de therapeut en de cliënt een belangrijk aspect is. In de therapie staat de gevoelsbeleving van de cliënt en hoe hij omgaat met zichzelf en anderen, centraal. Letterlijk betekent het woord: "de leer van het menselijk gevoel en gevoelsleven".

De haptotherapeut leert de cliënt woorden geven aan gevoelens. In een haptonomische ontmoeting kan men ervaren hoe de ander omgaat met zijn tast- en gevoelensmogelijkheden, zodat men op een tactvolle wijze kan omgaan met zichzelf en met anderen.

Haptonomie kan iemand ook beter leren omgaan met het lichamelijke gevoel. Als een cliënt in een cirkel van stress gerelateerde lichamelijke pijn zit, kan haptonomie helpen bij het beter leren omgaan met pijnprikkels van het eigen lichaam.

De haptonomie kent een aantal subdisciplines, met elk eigen specialisten:

  • Haptonomische zwangerschapsbegeleiding
  • Haptonomische blindenbegeleiding
  • Haptonomische sportbegeleiding
  • Haptonomisch pijnmanagement
  • Haptonomische traumaverwerking
  • Haptonomische bejaardenzorg
  • Haptonomische stervensbegeleiding

Eurythmietherapie
Eurythmietherapie is een therapievorm die vanuit de antroposofie geïnspireerd en ontwikkeld is. De inzichten in de samenhang van de mens met zijn omgeving vormen de basis van de therapie. Eurythmietherapie wordt altijd op verwijzing van een arts gegeven en door een eurythmietherapeut in het bezit van een erkend diploma uitgevoerd. Bij de behandeling van ziekten baseren antroposofische artsen en therapeuten zich op reguliere en antroposofische medisch-wetenschappelijke inzichten. Zij richten zich daarbij niet alleen op de ziekte maar op de totale persoonlijkheid van de cliënt.

Beweging en ritme leven in de natuur, in plant en dier, in de mens. Bij een mens spelen zich zowel op lichamelijk als op ziele niveau tal van op elkaar afgestemde processen en ritmes af. Wanneer de afstemming verstoord raakt, leidt dit tot gezondheidsklachten. Door het herhalen van bepaalde bewegingen kunnen de orgaanprocessen worden hersteld, in een juist ritme gebracht. Zo kan door het regelmatig oefenen en herhalen van de therapeutische bewegingen van de erythmietherapie invloed uitgeoefend worden op het genezingsproces.

De bewegingen van de eurythmietherapie kunnen zowel op lichamelijke klachten als op de klachten die samenhangen met de verbinding tussen lichaam, ziel en geest ingezet worden. Het wordt toegepast bij de behandeling van acute en chronische gezondheidsklachten. Eurythmietherapie is van betekenis bij het versterken van de weerstand, het aanzetten en begeleiden van een ontwikkelingsproces of het ondersteunen van een genezingsproces. Zoals uit bovenstaande blijkt is eurythmietherapie op veel klachten van toepassing.

Psycho-motorische therapie (PMT)
Psycho-motorische therapie is bedoeld voor mensen met psychische problemen, geschikt voor alle leeftijdscategorieën: kinderen, adolescenten, volwassenen en ouderen. Het doel van de behandeling is het wegnemen of in ieder geval verminderen van de problematiek waarvan de cliënt last heeft.

Het werkterrein van de psycho-motorisch therapeut ligt op hetzelfde gebied als dat van een psycholoog. Een psycho-motorisch therapeut is een professional die mensen met psychische problemen behandelt. Het verschil met een psycholoog is dat die alleen praat met mensen, terwijl een psycho-motorisch therapeut een deel van de tijd dingen doet met mensen. Die dingen liggen op het gebied van beweging en lichaamservaring. Bij beweging kun je denken aan oefensituaties uit de sport en het bewegingsonderwijs, bij lichaamservaring gaat het om het concentreren op de ervaring en beleving van het eigen lichaam, en daarbij kun je onder anderen denken aan ontspanningsoefeningen, ademhalingsoefeningen, sensory-awareness, bio-energetica enzovoort. Binnen een psycho-motorische therapie wordt gekeken hoe men met zichzelf, met anderen, met de opdrachten en met het materiaal omgaat.

Dansen
Spreekt voor zich.

Sport
Spreekt voor zich.

Top

 

"Een van de vele vormen van eenzaamheid is een herinnering hebben en er niet over kunnen praten."

Brigitte Bardot

"Dromen is erg belangrijk. Je kunt alleen iets realiseren als je je er een voorstelling kunt van maken."

George Lucas

"Geluk sluipt naar binnen langs een deur waarvan je niet wist dat je die opengelaten had."

John Barrymore